De opstanden op de plantages in Berbice (1763)

Onderhandelingen tussen de tot slaaf gemaakte Coffy en Accara en de gouverneur van Berbice.

Kaarte van de Geoctroyeerde Colonie de Berbice
Alles uitklappen

Dit artikel bevat afbeeldingen van bronnen met racistisch taalgebruik. Gezien de historische waarde van de bronnen is besloten om ze desondanks te tonen. Het racistische taalgebruik komt niet terug in de tekst van het artikel.

Berbice is een gebied aan rivier Berbice in Guyana, ten westen van Suriname. De regio wordt eeuwenlang bewoond door verschillende volken, waaronder de Lokono, de Kari’na en de Warau. Zij leven van de landbouw, jacht en visserij. In de 16e en 17e eeuw proberen Europese veroveraars delen van Guyana te koloniseren. Een enorm deel van de lokale bevolking komt daarbij door koloniaal geweld en Europese ziektes om het leven. In 1627 wordt Berbice veroverd door Nederlandse kolonisten.

Plantagekolonie

De Nederlanders leggen grote plantages aan in de oerwouden van Berbice. De plantages worden beheerd door Europese plantagehouders (ook wel planters genoemd). De eigenaren van de plantages blijven in Nederland wonen. De planters dwingen tot slaaf gemaakte west-Afrikanen met geweld om suiker, cacao, katoen en koffie te verbouwen. De tot slaaf gemaakte mensen moeten onmenselijk hard werken en worden vaak mishandeld en wreed gestraft door de planters.

Kaart

In 1763 komen duizenden tot slaaf gemaakte mensen in Berbice in opstand. De onderstaande kaart toont de kolonie na het einde van de opstand. Het is duidelijk te zien hoe de plantages in de bossen langs de rivieren zijn aangelegd. Ook zijn er nieuwe forten ('redout') op de kaart getekend. Linksonder staat een uitgebreide beschrijving van alle verdedigingswerken. De kaart zal dan ook vooral bedoeld zijn geweest om de plantage-eigenaren en aandeelhouders in Nederland gerust te stellen. Deze kaart is dus geen neutrale bron, maar een propagandamiddel van de koloniale macht.

Waarschuwing

In onderstaande bronnen komt racistisch taalgebruik voor.

Op 23 februari 1763 is de maat vol voor de tot slaaf gemaakten mensen in Berbice. Ze komen in opstand voor hun vrijheid.

De 350 Europese kolonisten zijn veruit in de minderheid tegenover de ongeveer 4000 vrijgevochten Afrikanen. Gouverneur Van Hoogenheim schrijft naar Nederland omdat hij dringend hulp nodig heeft:

hun hebben verspreijd als een loopend vuur, overal de plantagies aflopende met moorden, doodslaan en brandstigten, zoo dat binnen 24 uuren 18 plantagies van de kerk af tot aan de plantagie La solitude toe zijn geabandonneert (red. verlaten) en afgeloopen.

Eén van de leiders van de vrijheidsstrijders heet Coffy. Begin maart sturen Coffy en Accara (een andere leider) per brief een waarschuwing aan de gouverneur van Berbice, Wolfert Simon van Hoogenheim. Ze laten weten in opstand te zijn gekomen tegen de onmenselijke manier waarop ze behandeld worden en niet van plan te zijn om op te geven:

De reede van diese oorlog is, als dat daar veel heeren zijn geweest die de slaven niet heeft gegeven dat haar toe kwam.

Coffy kan zelf waarschijnlijk niet schrijven. Hij zal zijn brieven aan Van Hoogenheim hebben gedicteerd. De originele brieven zijn niet bewaard gebleven. Maar de gouverneur heeft de brieven over laten schrijven. Deze kopieën worden bewaard in het Nationaal Archief.

Waarschuwing

In onderstaande bronnen komt racistisch taalgebruik voor.

De vrijheidsstrijders zijn veruit in de meerderheid, maar Coffy weet dat gouverneur Van Hoogenheim waarschijnlijk versterking kan krijgen vanuit Nederland en de buurkolonies van Berbice. Zelfs als ze de Nederlandse troepen weten te verslaan, zullen ze een nieuwe invasie waarschijnlijk niet af kunnen slaan. Daarom opent hij per brief onderhandelingen met Van Hoogenheim. Een overeenkomst met Van Hoogenheim biedt meer zekerheid dan een tijdelijke overwinning.

Coffy stelt voor om Berbice te verdelen tussen de vrijheidsstrijders en de kolonisten. Over één voorwaarde is geen discussie mogelijk; hij en zijn medestanders blijven vrij.

als de gouverneur wil de grond hebbe van berbice die je sal krijgen, [...] maar dan moet je ook sien, dat je nieuwe slaven krijgen, maar wij ben vrij.

Coffy benadrukt in deze brieven opnieuw de oorzaak van de opstand:

daen de Hr. Plantters en Directeuren sijn d’oorsaak weegens het oorlog, weijlen Sie het volk Seere misshandlet hebben, enog over de natur met shleegen en swippen getrakteert (red. al te erg geslagen en mishandeld), soo hebben wij er niet lengger kenne uitstaan.

Waarschuwing

In onderstaande bronnen komt racistisch taalgebruik voor.

De briefwisseling tussen Coffy en Van Hoogenheim gaat maandenlang door. Ondertussen houden de vrijheidsstrijders het grootste deel van Berbice bezet. Ze verwoesten plantages, verbranden huizen en maken suikermolens onklaar. Er wordt ook gevochten. Circa 40 kolonisten worden tijdens de opstand gedood. Van Hoogenheim weigert Coffy echter te ontmoeten en doet geen enkele toezegging. Hij schrijft Coffy dat hij niet de macht heeft zijn vredesvoorstel te accepteren:

want jeluij weet wel, dat het land aan den Heer gouverneur (red. Van Hoogenheim zelf) niet toekoomt, en dat hij ’t voor sijn meester moet verantwoorden.

Maar het koloniale bestuur is niet van plan de vrijheidsstrijders land en vrijheid te geven. Van Hoogenheims enige doel is de onderhandelingen te rekken totdat er hulp van buitenaf komt. In een vergadering van de krijgsraad op 31 juli onder zijn leiding wordt besloten: 

de negotiatie (red. onderhandelingen) met de rebellen zoeken te onderhouden, dog alleen om tijd te winnen.

Van Hoogenheims vertragingsstrategie werkt. In december 1763 komen Nederlandse schepen met 600 soldaten aan in Berbice. Na een intense strijd is de kolonie in de zomer van 1764 weer heroverd. Bij de onderdrukking van de opstand worden maar liefst 1800 vrijheidsstrijders gedood.

Waarschuwing

In onderstaande bronnen komt racistisch taalgebruik voor.

Coffy heeft het einde van de opstand niet gehaald. Hij komt na een interne machtsstrijd met Accara door zelfdoding om het leven:

dat hun opperhoofd Coffy [...] sig selve om het leeven gebracht had, dat Accarra die den naam van Capteijn draagde, thans als slaaf arbeijde moeste

In Guyana wordt Coffy tot de dag van vandaag geëerd als nationale held. De dag dat de vrijheidsstrijders de opstand begonnen, 23 februari, wordt jaarlijks gevierd als ‘Dag van de Republiek’.

Waarschuwing

In onderstaande bronnen komt racistisch taalgebruik voor.

Onderstaande gegevens zijn nodig om de archiefstukken op te vragen in het Nationaal Archief. Gedigitaliseerde stukken kunnen in hoge kwaliteit gedownload worden.

Brief van Coffy met waarschuwing (8 maart 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 135, scan 66.

Brief van Van Hoogenheim over het begin van de opstand (25 maart 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 227, scan 52.

Coffy eist vrijheid (1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 134, scan 169.

Reactie van Van Hoogenheim op het voorstel van Coffy (30 juli 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 135, scan 62.

Van Hoogenheim onderhandelt om tijd te winnen (31 juli 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 226, scan 94.

Brief van Coffy over oorzaak opstand (2 augustus 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 227, scan 284.

Van Hoogenheim ondekt dat Coffy is overleden (19 oktober 1763)
Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800).
1.05.05, inventarisnummer 226, scan 125.

Kaart met plantages van Berbice (1764)
Inventaris van de verzameling buitenlandse kaarten Leupe, 1584-1813 (1865).
4.VEL, inventarisnummer 1571.