I Geschiedenis van de NHM in vogelvlucht
De Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV [NHM] werd opgericht te 's-Gravenhage op 29 maart 1824 op initiatief van koning-koopman Willem I. Het bedrijf vestigde zich in aanvang aan het Noordeinde 64 te 's-Gravenhage. De koning zelf was groot-aandeelhouder en bemoeide zich tot zijn aftreden in 1840 actief met de gang van zaken van het bedrijf. Het doel dat de koning met de maatschappij voor ogen had was uiterst ambitieus. Kort gezegd kwam het er op neer dat de NHM de Nederlandse economie uit het dal moest halen waarin zij na de jaren van Franse overheersing was terechtgekomen. Centraal in deze doelstelling stond het herstel van de handel van Nederland met haar koloniën in Indië. Anders dan voorheen voor de VOC, die zich hoofdzakelijk beperkte tot aanvoer van Indisch product naar Nederland, was voor de NHM een wederzijdse handelsbeweging het uitgangspunt. Tegenover de import diende nu de afzet van Nederlands product in Indië te staan, maar ook in andere delen van de wereld. De NHM was met andere woorden bedoeld als importlichaam èn als lichaam dat een afzetmarkt moest creëren voor Nederlandse landbouw en nijverheid. In het verlengde hiervan diende de NHM zich actief op te stellen als financier van het bedrijfsleven. In de statuten tot 1850 springen twee verdere taken in het oog. Ten eerste moest de NHM gaan functioneren als een soort economische inlichtingendienst: in het binnenland via de naar regio samengestelde en met de diverse Kamers van Koophandel in contact staande Raad van Commissarissen, en in het buitenland via een wereldwijd net van agenten en correspondenten. Ten tweede verlangden de statuten nadrukkelijk een herstel van de oude theehandel met China; in verband hiermee was zelfs een agentschap te Kanton voorgeschreven.
Geheel in de lijn van deze ambitieuze doelstellingen ontplooide de NHM in haar eerste jaren wereldwijd activiteiten. Zij vestigde zich uiteraard in de eigen koloniën, maar daarnaast ook op diverse plaatsen in Latijns-Amerika, in de Levant en in China. De meeste van deze ondernemingen brachten slechts verlies, en al vóór 1830 had de handelsactiviteit van de NHM zich in hoofdzaak beperkt tot Nederlands-Indië. Voor de uitvoering hiervan had zich in 1826 te Batavia een ondergeschikte tak van bestuur gevestigd, onder de naam Factorij. Deze hoofdzetel voor het Oosten zou in het verdere verloop van de NHM-geschiedenis het toezichthoudend en controlerend orgaan zijn voor een veelheid aan agentschappen in Nederlands-Indië, en tevens voor de buiten Nederlands-Indië gevestigde zogeheten buitenkantoren in onder meer Singapore, Maleisië, Japan, China, Hongkong, Brits-Indië, Birma en Oost-Afrika.
Nadat de president in zijn aanspraak tot de Raad [een gezamenlijke vergadering van directie en commissarissen] in 1830 voor het eerst een positief geluid had kunnen laten horen en behoorlijke resultaten kon overleggen, leek de Belgische Opstand het einde van de onderneming in te luiden. De NHM wist de crisis echter te overleven. De Belgische component werd afgestoten en het hoofdkantoor werd verplaatst naar Amsterdam. De NHM werd met name gered door haar verbondenheid met de staat. Zij was al van aanvang af lucratieve contracten met de overheid aangegaan, maar met de invoering in 1830 van het cultuurstelsel in Indië door gouverneur-generaal Van den Bosch werd zij zowel bankier, commissionair als expediteur van staatswege. Zij voorzag de overheid van grote kredieten, en in ruil daarvoor werd zij belast met de verscheping en verkoop van zowel de producten die de overheid via het cultuurstelsel toekwamen als de producten uit de eigen vrije land- en mijnbouwnijverheid van het gouvernement. Daarenboven kreeg zij het transport van personeel [onder andere troepen] en materieel voor het Indisch gouvernement toegewezen. De relatie tot de overheid werd vastgelegd in contracten voor bepaalde tijd, die dus op gezette tijden werden vernieuwd. Deze rijksagentuur bracht de NHM een aantal decennia in een uiterst comfortabele positie en zorgde voor de nodige nijd bij andere ondernemingen. De bijnamen Niemand Handelt Meer en Kompenie Ketjil [kleine regering] zeggen wat dat betreft genoeg.
In eigen land trad de NHM na 1830 op als participatie- en financieringsmaatschappij voor de nationale nijverheid en scheepvaart. Deze financiering geschiedde vooralsnog geheel uit eigen middelen. Van belang in dit opzicht zijn onder meer de bemoeienis met de opzet en uitbouw van de Twentse textielindustrie en de deelnemingen in [vooral aan de eigen activiteiten gerelateerde] ondernemingen als de Deli Maatschappij, de NV Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de Zuid-Amerika Lijn/Koninklijke Hollandsche Lloyd.
De comfortabele positie van de NHM vanaf 1830 had als keerzijde dat zij de handel voor eigen rekening schromelijk verwaarloosde. Toen het cultuurstelsel na het midden van de negentiende eeuw geleidelijk werd losgelaten en daarmee de baten van de rijksagentuur voor de NHM verminderden, kwam de onderneming opnieuw in moeilijkheden. Pogingen om het tij te keren door het weer activeren van de eigen handel, onder meer door het zoeken van nieuwe handelsgebieden [Japan], hadden geen of slechts tijdelijk succes. Toen in 1874 de [tweede] verlenging van de vennootschap aan de orde was, gingen zelfs weer stemmen op om de maatschappij op te heffen. Zover kwam het niet, maar de NHM zou vanaf dat jaar een grondige gedaantewisseling ondergaan, en geleidelijk transformeren van handelsonderneming naar handelsbank [of algemene bank].
De transformatie werd ingezet in 1874 met het schrappen uit de statuten van het verbod op het drijven van handel in wissels en effecten. Maar pas met de benoeming tot directeur van de bankier Balthazar Heldring [voormalig directeur van de Kas-Vereeniging] in 1880 veranderde er ook iets in de praktijk. Heldring begon met een reorganisatie van de Factorij. De handelsactiviteiten werden sterk ingekrompen en deels zelfs stopgezet en de Factorij ging zich bezig houden met kredietverlening, effectenorders en het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dit maakte het bankiersbedrijf in de moderne zin van het woord mogelijk: het verstrekken van geldmiddelen aan derden uit door derden beschikbaar gestelde middelen. Pas in 1903 werd ook in Nederland zelf overgegaan op het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant. Dat jaar mag dan ook worden aangemerkt als dat van de afronding van het omschakelingsproces van de NHM tot algemene bank. De omschakeling betekende overigens niet dat het handelsbedrijf volledig werd verlaten. De NHM zou tot het einde een handelsafdeling behouden, hoewel in sterk afgeslankte vorm.
Naast het oude handelsbedrijf en het nieuwe bankbedrijf ontplooide de NHM vanaf het midden van de negentiende eeuw activiteiten in het cultuurbedrijf. De ontwikkeling van de NHM in Indië als cultuuronderneming ging langs geleidelijke weg, en ook min of meer tegen wil en dank. De Factorij gaf al vanaf circa 1850 steun aan planters in de vorm van voorschotkredieten onder hypothecair verband van gebouwen [suikerfabrieken] of consignatie van de oogst, waarbij de oogst dus voor verkoop aan de NHM ter beschikking kwam. Via dit soort contracten werden een groot aantal cultuurondernemingen aan de NHM verbonden, de zogeheten cultuurrelaties. Dit bracht wel het 'gevaar' met zich mee dat bij faillissementen in tijden van crisis de NHM met 'de boedel kwam te zitten', en bij onverkoopbaarheid hiervan gedwongen was zelf de exploitatie ter hand te nemen. De suikerfabriek Wonopringgo werd op deze wijze in 1841 de eerste eigen cultuuronderneming van de NHM. Langs deze weg zouden de NHM nog meerdere ondernemingen toevallen. Samen met de zelf opgerichte ondernemingen, de exploitatie van ondernemingen voor gezamenlijke rekening met derden, de blote deelneming in het kapitaal van ondernemingen van derden en de al genoemde consignatie-relaties maakten zij van het cultuurbedrijf een belangrijke poot binnen het totale bedrijf der NHM.
In Suriname ging het cultuurbedrijf van start in 1867 met de aankoop van de suikerplantage De Resolutie. Vanaf 1883 werd de suikerplantage en -fabriek Mariënburg geëxploiteerd. Het hoogtepunt van het eigen cultuurbedrijf der NHM lag in de periode 1880-1934. In dat laatste jaar zorgde de wereldcrisis en een daaruit voortvloeiende grootscheepse interne reorganisatie voor een drastische vermindering van het aantal eigen ondernemingen. De Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd bezorgden het cultuurbedrijf een nieuwe klap. Niettemin bleef de NHM in Indonesië een aantal cultuurondernemingen exploiteren, tot deze in 1959 onder beheer werden gesteld en vervolgens genationaliseerd. In Suriname werd het complex Mariënburg in 1964 verkocht.
Voor de ontwikkeling tot algemene bank was een voldoende uitgebreid kantorennet onontbeerlijk, met name voor het emissiebedrijf. In Nederlands-Indië was aan die voorwaarde wel voldaan. De rem op de im- en exporthandel in 1882 had weliswaar geleid tot sluiting van veel agentschappen, maar het snelle succes van het bankbedrijf deed het aantal weer vlug toenemen. In Nederland had de NHM in 1910 naast het hoofdkantoor enkel agentschappen in Rotterdam en 's-Gravenhage. De andere agentschappen [feitelijk weinig meer dan opslagplaatsen] waren opgeheven. In 1916 werd een overeenkomst aangegaan met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem, waarmee de NHM de mogelijkheid kreeg gebruik te maken van het kantorennet van deze bank in het oosten van het land. In 1936 werd de GCV overgenomen en haar kantoren omgezet in NHM-agentschappen. De NHM beschikte vanaf dat moment over een eigen binnenlands kantorennet. Na 1936 zou dit net via eigen oprichtingen en overnames van regionale en lokale banken nog aanzienlijk worden uitgebreid.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het bedrijf der NHM gesplitst in een binnenlands en een buitenlands bedrijf. Al vóór de oorlog waren procedures vastgelegd voor het geval een bezetting zou plaatsvinden. Deze werden ook onverkort gevolgd. De statutaire zetel werd in 1940 verplaatst naar Batavia, en na de Japanse inval in Nederlands-Indië in 1942 naar Paramaribo. De directeuren in bezet gebied hadden enkel bevoegdheid ten aanzien van het Nederlands bedrijf. Het bedrijf overzee stond onder leiding van een directeur buiten bezet gebied, in de persoon van A.A. Pauw, die verblijf hield in respectievelijk Londen, New York en weer Londen. In 1945 werd de zetel weer naar Amsterdam verplaatst en de eenheid van bestuur hersteld.
De kern van het bancaire bedrijf was en is de bemiddeling tussen vraag en aanbod van kapitaal. Dit wordt enerzijds gerealiseerd door het aannemen van gelden in deposito en rekening-courant en het uitzetten van die gelden via verstrekking van kredieten, anderzijds via het emissiebedrijf. Met name de periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich echter door uitbreiding van de dienstverlening, zowel door introductie van nieuwe vormen van bestaande diensten [bijvoorbeeld kredietverlening op lange termijn en huurkoop] als door toelegging op voor de NHM geheel nieuwe nieuwe vormen van dienstverlening [vermogensbeheer; belastingzaken voor derden; assurantiebezorging]. Voor een deel werden deze nieuwe activiteiten ondergebracht in 'zelfstandige' vennootschappen, zoals de NV Assurantiebedrijf der NHM, de NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn en de NV Auto-Crediet.
Het einde van het Indonesisch bedrijf der NHM kwam in zicht toen het cultuurbedrijf daar in mei 1959 werd genationaliseerd. Het bankbedrijf had nog even respijt, tot in juli 1960 aan de Factorij haar status van deviezenbank werd ontnomen. Op 21 november 1960 werd het bankbedrijf van de Factorij en alle onder haar ressorterende kantoren in Indonesië onder beheer gesteld. De uiteindelijke nationalisatie had plaats op 5 december 1960. De activa en passiva werden ingebracht in de Bank Koperasi, Tani dan Nelajan.
Op de buitengewone aandeelhoudersvergadering van 23 juli 1964 werd besloten de naam Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV te wijzigen in Algemene Bank Nederland NV. De naamswijziging werd geëffectueerd op 3 oktober 1964. Op dezelfde dag vond de op 4 juni al aangekondigde opname plaats van het bedrijf van De Twentsche Bank NV in het bedrijf van de ABN.
II Oprichting
Ten tijde van de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 verkeerde de Nederlandse economie in een deplorabele toestand. Twee decennia van Franse overheersing, en met name het in 1806 ingevoerde Continentaal Stelsel, hadden het land verregaand verarmd en de voorheen zo belangrijke Noord-Nederlandse handel nagenoeg stilgelegd. Een substantieel deel van de nijverheid was naar het buitenland uitgeweken. In de Zuidelijke Nederlanden was weliswaar een begin van zware industrie ontstaan, maar deze had met groot kapitaalgebrek te kampen. Koning Willem I zocht dan ook naarstig naar middelen om handel en industrie er weer bovenop te helpen. Hij had daarbij te maken met een aantal obstakels, waaronder de frictie tussen Noord en Zuid ten aanzien van protectie, het kapitaalgebrek in het Zuiden en de vlucht van Noord-Nederlands [met name Amsterdams] kapitaal naar het buitenland. Vanaf het eerste jaar van zijn regering kwam de koning met een serie initiatieven, die hem de bijnaam koning-koopman zouden bezorgen. Het begon in 1814 met de oprichting van De Nederlandsche Bank. Om het zuiden van krediet te voorzien werd in 1822, deels uit 's konings eigen middelen, de Algemeene Maatschappij ter begunstiging der Volksvlijt te Brussel opgericht. Verder was er onder zijn regering ruime aandacht voor de infrastructuur: er werden wegen aangelegd en verbeterd, er werden kanalen gegraven [Noord-Hollands Kanaal, Willemsvaart] en er werd een begin gemaakt met de aanleg van een spoorwegnet. In dit rijtje van koninklijke initiatieven past ook de oprichting in 1824 van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV.
De oorsprong van de idee tot oprichting van de NHM lag in de wens tot 'herovering' en herstel van de handel op Indië, die in het begin van de negentiende eeuw tot een marginale bezigheid was gereduceerd en door de buitenlandse [met name Engelse] concurrentie was overgenomen. Het eigenlijke plan tot oprichting van een grote maatschappij voor dit doel en de uitwerking daarvan kan op naam worden geschreven van H.W. Muntinghe, lid van de Raad voor Indië. Met steun van de koning wist hij de particuliere handelaars en reders op Indië die er nog waren te bewegen tot cumulatie van hun kapitaal. De koning gaf het initiatief een flinke steun in de rug door de maatschappij in spé c.q. de aspirant-aandeelhouders een rente-garantie van 41/2% in het vooruitzicht te stellen, ingaand met het jaar 1825-1826 en op voorwaarde dat een behoorlijke reserve gevormd zou worden.
De NHM werd in het leven geroepen bij KB no. 163 van 29 maart 1824.
III De statutaire fundamenten
III.1 Vaststelling van de Artikelen van Overeenkomst [statuten]
Op 30 april kozen de deelhebbers uit hun midden de afgevaardigden die samen met een door de koning benoemde commissie de statuten zouden ontwerpen. De deelhebbers waren ingedeeld naar de rayons van de Kamers van Koophandel, met Schiedam en Doornik daaraan toegevoegd. Het aantal afgevaardigden per rayon werd vastgesteld naar mate van de inbreng; zo vaardige Amsterdam elf personen af, en Schiedam maar één. Bij KB no. 138 van 18 augustus 1824 werden de statuten goedgekeurd en vastgesteld. Vanwege hun karakter van contract tussen koning en aandeelhouders kregen zij de officiële naam Artikelen van Overeenkomst. Deze naam bleef behouden tot 1934. Bij een wijziging van de inhoud in dat jaar kregen zij officieel de naam statuten.
III.2 Rechtsvorm
De Artikelen van Overeenkomst van 1824 omschreven de NHM als een compagnieschap zonder firma, behoorende tot de vereenigingen, bij de wet bekend onder den naam van naamloze Maatschappijen. Vanaf 1847 is sprake van Naamloze Vennootschap van Koophandel, vanaf 1929 enkel van Naamloze Vennootschap.
In principe was de Nederlandsche Handel-Maatschappij, NV van aanvang af dus opgezet als een privaatrechtelijk lichaam. De Artikelen van 1824 lijken dit op het eerste gezicht ook te bevestigen: De Maatschappij is omtrent het voeren van haren handel aan geene andere bemoeijenis of inzage vanwege den Staat onderworpen, en zal tot den Staat geene andere verhouding hebben, dan de wet omtrent andere naamloze Maatschappijen bepaalt; alles behoudens de speciale of algemeene voorzieningen, bij deze artikelen van overeenkomst voorkomende. In die laatste toevoeging zat een adder onder het gras, die feitelijk de rest van het artikel tot onzin maakten. Want de bedoelde voorzieningen voorzagen met name in de [uitgebreide] bevoegdheden van de koning ten opzichte van de NHM. Naast de uitoefening van enkele in de statuten vastgelegde voorrechten [benoemingen; afnemen van de eed van zuiverheid en geheimhouding!] kon de koning naar eigen wens ingrijpen in de gang van zaken van het bedrijf, wat hij dan ook met verve gedaan heeft. Dit bracht de NHM in een wel heel andere positie dan de gemiddelde vennootschap. Overigens wijst, zoals boven al aangehaald, de term Artikelen van Overeenkomst al in deze richting; de vennootschap betrof niet een afspraak tussen onderling gelijkwaardige vennoten, maar een overeenkomst tussen de koning enerzijds en de overige deelhebbers anderzijds. Verder zorgden vanaf de oprichting de contracten met de staat voor een zodanig nauwe betrekking tussen NHM en overheid, dat de NHM de qualificatie tak van bestuur dicht naderde. De koning wenste de NHM als inlichtingendienst, bankier, commissionair en als zaakwaarnemer van het Indisch bestuur. Deze rijksagentuur zorgde derhalve ook voor een nauwe relatie met diverse departementen, vooral dat van Koloniën. Qua rechtsvorm, maar ook qua bestuur en taken, had de NHM tot 1874, zeker naar moderne maatstaven, dus een nogal hybride karakter; feitelijk was zij het best te omschrijven als een privaatrechtelijk lichaam in een publiekrechtelijk jasje.
Het boven geciteerde statutaire artikel inzake de relatie NHM - overheid werd pas geschrapt in 1874, na het verloop van de rijksagentuur en bij het begin van de transformatie van handelmaatschappij naar bancaire instelling, die tevens een omschakeling van nationale maatschappij naar particulier bedrijf genoemd kan worden.
III.3 Bestuur
Op het eerste gezicht leek het bestuur van de NHM vanaf het begin op dat van een moderne naamloze vennootschap. De Artikelen van Overeenkomst voorzagen in een Algemene Vergadering van Aandeelhouders, een Raad van Commissarissen voor het toezicht en een Directie voor het beheer. Op een aantal punten week de aanvankelijke bestuursinrichting echter af van die van andere naamloze vennootschappen:
- De positie van de koning; De koning was de motor geweest achter de oprichting der NHM, en hij had zich financieel sterk aan de maatschappij verbonden, zowel als groot-aandeelhouder als garant. Niet voor niets gaven de Artikelen hem daarom een zeer invloedrijke positie. Tot 1874 gaven een aantal vage zinsneden in de Artikelen de koning feitelijk een vrijbrief om naar wens in de gang van zaken der maatschappij in te grijpen. Met name Willem I heeft hiervan, niet zelden tot afkeer en wanhoop van de directie, naar hartelust gebruik gemaakt. Een aantal wilde, groots opgezette en uiteindelijk verliesgevende handelsoperaties, onder andere richting Zuid-Amerika en China, mogen direct op koninklijk conto worden geschreven. Na het aftreden van Willem I in 1840 en het einde van de koninklijke garantstelling per 1850 werd de koninklijke invloed wel snel minder. In 1874 werden zijn mogelijkheden hiertoe ook formeel ingeperkt. Een aantal koninklijke prerogatieven bleef echter tot in de twintigste eeuw bestaan. Tot 1921 kon hij een vinger aan de pols houden via zijn recht een vaste vertegenwoordiger in de Raad van Commissarissen te benoemen, de zogeheten koninklijk commissaris, die tevens statutair voorzitter was van dit orgaan. En zijn recht van benoeming van president en directeuren bleef zelfs tot 1929 bestaan.
- De positie van de commissarissen; De Raad van Commissarissen was zoals gebruikelijk primair een orgaan dat toezicht moest houden op het beheer van de onderneming door de directie. Het bestaan van een apart orgaan voor overleg tussen directie en commissarissen, de Raad, gaf de laatsten echter een speciale positie. De Raad had namelijk de bevoegdheid de maatschappij te vertegenwoordigen in de gevallen waarin de directie naar de reglementen niet kon beslissen. Hiermee traden de commissarissen ook in daden van beheer. Dit deden zij eveneens via hun aanvankelijke rol in het 'inlichtingenwerk'. De invoering van het Wetboek van Koophandel in 1838 maakte dit onmogelijk. Per 1850 werd de Raad dan ook afgeschaft.
- De positie van de aandeelhouders; De positie van de aandeelhouders was tot 1850 ronduit zwak, en pas vanaf 1874 op een gebruikelijk niveau. Er bestond vanaf de oprichting wel een algemeene vergadering van stemgeregtigde deelhebbers, maar deze werd zeer onregelmatig uitgeschreven. In 1827 bedong de koning zich het recht haar bijeen te roepen; hij kon dit doen in geval van verlenging/ontbinding der maatschappij of statutenwijziging. Vanaf 1850 moest zij in die gevallen bijeen geroepen worden. Het recht van bijeenroepen lag vanaf 1850 bij de directie, gehoord de commissarissen, of bij een absolute meerderheid der commissarissen. Pas de statuten van 1874 schreven een jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders voor, nu met uitgebreidere statutair vastgelegde bevoegdheden. Er bestond nu ook de mogelijkheid tot het bijeenroepen van buitengewone vergaderingen van aandeelhouders.
De facto tot 1850 en de jure tot 1874 werden bestuur en toezicht dus in sterke mate beïnvloed door de persoonlijke betrokkenheid en bevoegdheden van de koning. Pas vanaf 1874 is de situatie min of meer 'genormaliseerd': het beheer bij de directie, het toezicht daarop bij de Raad van Commissarissen en het eindoordeel over de resultaten bij de eigenaars van de onderneming, de aandeelhouders. Opmerkelijk is wel dat de vaststelling van de balans nog tot 1934 tot de bevoegdheden van de Raad van Commissarissen bleef behoren.
De verhouding tussen commissarissen en directie [dus feitelijk: de mate van toezicht op het beheer] onderging na de afschaffing van de Raad in 1850 nog de nodige wijzigingen, afhankelijk van de resultaten die de directie kon overleggen. De Raad werd in 1850 opgevolgd door een Verenigde Vergadering van Commissarissen en Directie. Tot 1927 hield deze zich echter alleen bezig met voordrachten voor benoemingen. De controle beperkte zich verder voornamelijk tot de jaarlijkse goedkeuring van de balans [voorbereid door de Commissie tot Onderzoek van de Balans] en [vanaf 1850] het algemeen verslag. Enkel in bijzondere gevallen verhief de Raad van Commissarissen echt haar stem, zoals in de periode 1872-1884, toen de algehele heroriëntatie van de NHM aan de orde was. Pas in 1927 besloten de commissarissen, gedwongen door de resultaten en de gebleken gevaren van de kredietverstrekking, tot een meer grondige en regelmatige controle. Naast de instelling van een aantal specifieke controlecommissies werd hiertoe de Verenigde Vergadering omgevormd tot een orgaan waarin de leden van de directie, elk op hun eigen deelterrein, mondeling verslag en uitleg moesten geven van hun handelingen. Naar aanleiding van de slechte resultaten kwam deze vergadering vanaf 1934 tweemaandelijks bijeen.
III.4 Duur van de vennootschap
De NHM heeft gedurende de eerste eeuw van haar geschiedenis niet voor onbepaalde tijd bestaan. Aanvankelijk werd de duur der vennootschap steeds vastgesteld voor een periode van 25 jaar. Deze perioden zijn in de NHM-terminologie bekend als het Eerste Tijdperk (1824-1849), het Tweede Tijdperk (1850-1874) en het Derde Tijdperk (1875-1899). Bij afloop van het Eerste Tijdperk werd de procedure van liquidatie en wederoprichting tot in de details doorgevoerd, met inbegrip van de uitgifte van nieuwe aandelen, herbenoeming van president en directeuren en nieuwe aanstellingen voor het personeel in Nederland en Indië. In de volgende gevallen werd volstaan met een besluit van de vergadering van aandeelhouders tot verlenging van de vennootschap. In 1871 werd besloten tot een verlenging voor de periode 1875-1899, In 1896 tot een verlenging voor de periode 1900-1924. Via een statutenwijziging in 1918 werd deze periode echter tussentijds verlengd tot 1974. Vanaf 1934 gold de vennootschap als aangegaan voor onbepaalde tijd.
III.5 Zetel van de vennootschap
Als plaats van de hoofdzetel der maatschappij werd in 1824 gekozen voor 's-Gravenhage, als zijnde één der residenties van de koning en bovendien min of meer onzijdig terrein tussen de belangrijke handels- en industriesteden in Noord en Zuid. Met name Amsterdam, dat op basis van haar inbreng in het kapitaal recht meende te hebben op vestiging binnen haar muren sputterde tegen, doch tevergeefs. Na de Belgische Opstand kreeg Amsterdam toch haar zin; ondanks stevig protest uit met name 's-Gravenhage en Rotterdam werd zij via de statutenwijziging van 1831 de nieuwe hoofdzetel. Zakelijke redenen gaven hierbij nu de doorslag. Amsterdam was nu eenmaal het commerciële centrum, terwijl 's-Gavenhage in dat opzicht niets te bieden had.
Rotterdam ging overstag na het opnemen in de statuten van een bepaling inzake de verdeling van uitzendingen en retouren over de in aanmerking komende Nederlandse havensteden.
De Duitse inval in mei 1940 was aanleiding voor een tijdelijke verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland. Dit werd mogelijk gemaakt door de Wet van 26 april 1940, die in dit kader bijzondere voorzieningen trof voor in het koninkrijk gevestigde naamloze vennootschappen en rechtspersonen, alsmede voor zeeschepen varend onder Nederlandse vlag. De benodigde statutenwijzigingen en de goedkeuring daarvan van overheidswege konden in de dagen tot 15 mei 1940 nog net op tijd worden geregeld. De zetelverplaatsing naar Batavia van zowel de NHM als die van haar dochters het Nederlandsch-Indisch Land Syndicaat (NILS), de Serdang Cultuur Maatschappij, de Cultuur Maatschappij Lho Soekon, de Landbouwmaatschappij Tersana, de Cultuur Maatschappij Ketanggoengan-West en de Landbouwmaatschappij Poerwodadi was hiermee een feit. Voor de Holland Centraal-Amerika Handels-Compagnie mislukte de regeling echter. Met de capitulatie op 15 mei trad meteen de al op 19 maart 1940 door alle directieleden getekende onderlinge volmacht in werking, waarbij de bevoegdheden van de directieleden die zich in bezet gebied bevonden werden beperkt.
Men was overigens vergeten dat ook de agenten te Rotterdam beschikten over een [niet ingetrokken dus gedurende de oorlog doorlopende] volmacht om de gehele maatschappij te vertegenwoordigen en te verbinden. Zij bezaten gedurende de oorlog dus meer bevoegdheden dan de in Nederland verblijvende directeuren. Dit leidde in juli 1940 tot het unicum dat de agenten de directie machtigden tot het uitvoeren van bepaalde rechtshandelingen!
Via een op 29 augustus 1940 gepubliceerde verordening werd de Wet van 26 april buiten werking gesteld, en konden hierop gebaseerde zetelverplaatsingen met daaruit voortgevloeide rechtsgevolgen worden teruggedraaid. Wat betreft de NHM is dit enkel geschied ten aanzien van het NILS.
In 1942 werd de zetel vanwege de Japanse bezetting van Nederlands-Indië opnieuw verplaatst, nu naar Paramaribo. Bij statutenwijziging van 28 november 1945 werden de statuten van vóór 10 mei 1940 hersteld. Dit betekende dus ook het herstel van Amsterdam als hoofdzetel van de vennootschap. Per 19 december 1945 werd door het Beheersinstituut de eenheid van bestuur hersteld. Alle directeuren waren nu weer bevoegd namens de NHM te handelen, ongeacht waar.
V Fusies, overnames, deelnemingen en commissariaten
De termen fusie, overname en deelneming zijn termen die in het dagelijks gebruik niet altijd in dezelfde betekenis worden gehanteerd. In onderstaande worden zij in het kort nader omschreven, om in elk geval te verduidelijken hoe ze in deze inventaris zijn gebruikt.
V.1 Fusies
De term in fusie is in principe een overkoepelende term voor al die processen, waarbij twee eenheden worden samengevoegd. In die zin is dus in alle gevallen waarbij twee ondernemingen samengaan sprake van een fusie. In deze inventaris is, ter verduidelijking van het karakter van bepaalde transacties, de term wat beperkter gehanteerd voor het samengaan van twee gelijkwaardige grootheden. In deze zin wordt daarom het proces van samengaan in 1964 tussen ABN en De Twentsche Bank, in de media veelal omschreven als fusie, in deze inventaris beschouwd als een overname door de ABN van De Twentsche Bank.
V.2 Overnames
De NHM heeft in de loop van haar geschiedenis een groot aantal ondernemingen overgenomen. Kern van een overname is de overgang van de zeggenschap over een onderneming via een aandelentransactie, waarbij een meerderheid van de aandelen in handen van de overnemende partij komt. Zo'n aandelentransactie kan diverse vormen aannemen. De overnemende partij kan eenvoudigweg een meerderheid van de aandelen [indien aanwezig: de preferente -] opkopen en zo een meerderheidsbelang verwerven. Een andere mogelijkheid is de aandeelhouders van de over te nemen onderneming het aanbod te doen hun aandelen in te ruilen tegen 'eigen' aandelen. De NHM heeft beide methoden wel gehanteerd. Na een overname konden verschillende wegen worden bewandeld. Enerzijds kon het bedrijf van de overgenomen vennootschap volledig in het eigen bedrijf worden geïncorporeerd. De NHM deed dit onder meer in 1936 met het bedrijf van de Geldersche Credietvereeniging, waarvan de kantoren werden omgezet in NHM-agentschappen. De vennootschap Geldersche Credietvereeniging werd dus vrijwel volledig uitgekleed, maar werd niet ontbonden. Zij ging met een klein maatschappelijk kapitaal verder als 'huizenmaatschappij' van de NHM. In 1964 was sprake van eenzelfde proces, toen het bedrijf De Twentsche Bank in dat van de ABN werd opgenomen. Anderzijds kon men een overgenomen vennootschap als zodanig onder eigen naam laten doorfunctioneren, waarbij de NHM dan veelal [vrijwel] enig aandeelhouder was. De redenen hiervoor konden divers zijn, maar meestal speelden gevoeligheden bij de 'oude' clientèle een belangrijke rol. Voorbeelden van overnames in deze vorm zijn die van De Surinaamsche Bank in 1949 en van het commissionairshuis De Wed. Tjeenk & Co in 1948. Bleef een overgenomen instelling als juridisch zelfstandige onderneming doorfunctioneren, dan ging zij in feite behoren tot de groep van vaste of structurele deelnemingen van de NHM. Wanneer de overgenomen instelling onder eigen naam namens de NHM diensten verrichtte, dus in feite als NHM-agentschap fungeerde, behoorde zij tot de affiliaties.
V.3 Deelnemingen
Ook de term deelneming is een overkoepelende term, waarvan de betekenis niet altijd dezelfde is. Een deelneming kan globaal worden omschreven als het aangaan van een relatie met een andere onderneming door het aanhouden van effecten van die betreffende onderneming. De deelnemingen van de NHM zijn naar doelstelling te verdelen in drie categorieën. Ten eerste zijn er de [met name negentiende-eeuwse] deelnemingen in het kader van de financiering van bepaalde economische sectoren. Ten tweede zijn er de vaste deelnemingen met een langdurig karakter, expliciet gericht op uitbreiding van het eigen werkterrein en de invloed van de eigen onderneming. Ten derde zijn er de veelal zeer tijdelijke deelnemingen, gerelateerd aan het emissiebedrijf [zie hiervoor hoofdstuk VI.4 van deze inleiding].
De NHM heeft vanaf het begin langdurige belangen gehad in diverse andere ondernemingen. Dit was een min of meer logisch gevolg van haar doelstellingen, die onder meer bepaalden dat zij de nationale handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij en nijverheid moest bevorderen. Zij deed dit onder meer door deelname in het kapitaal van ondernemingen, met name door het rechtstreeks overnemen van aandelen. In veel gevallen gebeurde dit al bij de oprichting van de betreffende ondernemingen, en was de NHM mede-oprichtster. Deze vroege deelnemingen hadden dus vooral een bedrijfsondersteunende functie waarbij de NHM louter de rol van financieringsmaatschappij vervulde, zonder dat het streven naar winstgevende belegging op de voorgrond stond. Een voorbeeld hiervan is de steun van de NHM aan de Twentsche katoenindustrie. Ook veel deelnemingen in bijvoorbeeld transport- en overslagbedrijven en cultuurmaatschappijen hadden in oorsprong het karakter van bedrijfsondersteuning. De deelnemingen van de NHM waren volgens statutaire voorschriften tot 1884 gericht op sectoren die raakvlakken hadden met haar eigen werkterrein. Toen de NHM vanaf 1874 transformeerde van 'nationale' onderneming naar louter particulier bedrijf verdween geleidelijk de ideële grondslag onder de deelnemingen. De deelnemingen behielden in hun praktische uitwerking natuurlijk hun karakter van financiering, maar voor de NHM dienden ze nu in de eerste plaats tot versterking en uitbreiding van het eigen bedrijf.
Vaste deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De NHM kon eenvoudigweg een belang nemen door een percentage van de aandelen op te kopen, meteen bij de oprichting van een onderneming of ook later. Zij konden ook voortkomen uit oprichting door de NHM zelf van nieuwe ondernemingen, waarbij de NHM veelal enig aandeelhoudster was. Dit was met name het geval na de Tweede Wereldoorlog, toen de NHM bepaalde [meest nieuwe] bedrijfsactiviteiten onderbracht in juridisch zelfstandige vennootschappen. Tenslotte zette de NHM diverse [met name cultuur-]ondernemingen voort die haar via faillissement waren toegevallen.
Bleef het NHM-belang onder de 50%, dan was sprake van een minderheidsbelang. Was na aankoop het NHM-belang 50% of meer dan onstond een meerderheidsbelang ten gunste van de NHM. In feite had de NHM dan de zeggenschap over de betreffende onderneming en was er sprake van een overname. Er ontstond in dat geval een zogeheten moeder-dochter relatie. In het geval de NHM alle aandelen in een onderneming bezat, was sprake van een volledige of 100% deelneming.
V.4 Commissariaten
Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post[en] in de Raad van Commissarissen bij de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus NHM-gebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een NHM-functionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. In ieder geval vanaf 1927 speelde de Raad van Commissarissen van de NHM bij deze besluiten ook een rol. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers opgenomen in de rubriek overnames en deelnemingen [2.2].
VI Werkterrein
Ondanks het feit dat zij zich gedurende haar hele geschiedenis handel-maatschappij is blijven noemen, heeft de NHM zich met zeer uiteenlopende activiteiten beziggehouden. Zij begon inderdaad als handelsonderneming, maar al bij haar oprichting was zij tevens voorbestemd om te dienen als financier van de te ontwikkelen nationale scheepvaart en industrie. Vanaf het begin hield zij zich tevens bezig met het cultuurbedrijf, en tot het einde was zij daarom ook, vaak tegen wil en dank, cultuuronderneming. En vanaf 1874 begon de ontwikkeling van de NHM naar volwaardig bankbedrijf. Radicale scheidslijnen zijn in deze ontwikkeling van het bedrijf niet te trekken. Hooguit kan gezegd worden dat de NHM in de periode 1824-1874 in hoofdzaak handelsonderneming was, dat in de periode 1875-1903 een geleidelijke omschakeling plaatsvond naar het bankbedrijf en dat de NHM in de twintigste eeuw in hoofdzaak een bancaire instelling was. Maar in de eerste fase trad de NHM ook op als financier, en de handelsactiviteiten werden ook gedurende de twintigste eeuw voortgezet, zij het op kleine schaal. Het cultuurbedrijf der NHM beleefde haar hoogtijperiode tussen circa 1860 en 1934, maar ook dit bedrijf werd daarna in afgeslankte vorm tot 1964 voortgezet.
In onderstaande zullen de diverse werkterreinen nader worden beschreven.
VI.1 Statutaire doelstelling
Het doel dat Willem III met de oprichting der NHM voor ogen stond mag zeer ambitieus worden genoemd. De Artikelen van Overeenkomst van 1824 omschrijven het als volgt:
de bevordering van den Nationalen handel, scheepvaart, scheepsbouw, visscherij en landbouw, fabrijken en trafijken; en zulks, door, met inachtneming van hare eigene belangen, de bestaande en voor Nederland voordeelige handels-betrekkingen uit te breiden; door nieuwe wegen voor den Nederlandschen handel te openen, en door alle zulke ondernemingen, welke het vertier der voortbrengselen van de Nederlandsche Nijverheid kunnen vermeerderen en bevorderen.
De NHM moest dus dienen als de motor die de zieltogende Nederlandse economie weer in beweging moest brengen. Treffend wordt dit nog eens geïllustreerd in een passage in de bij de Artikelen horende préambule: onder de hoofdbedoelingen der Maatschappij is eene der voornaamste, dat van gelegenheid te geven tot vele werkzaamheden, zoodat ieder Nederlander in staat worde gesteld, om, zulks verlangende en tot zijn eigen welzijn willende medewerken, een ordentelijk bestaan te krijgen.
De grondidee van Willem I ten aanzien van de NHM was in feite de vorming van een 'nationaal' im- en exportlichaam, dat met name de oude handel op de koloniën moest herstellen. Tot 1830 diende dit de gebeuren via een taakverdeling tussen Noord en Zuid. Noord-Nederland moest verhandelen en vervoeren wat Zuid-Nederland produceerde. Hierbij opteerde men vooral op de Vlaamse katoenindustrie. Na de afscheiding van België werd het Gentse katoentje vervangen door het Twentse katoentje.
De boven geciteerde doelstelling zou tot 1874, behoudens een minieme wijziging, behouden blijven. Dit gold ook ten aanzien van een aantal van deze doelstelling afgeleide en daarmee verbonden nadere statutaire bepalingen. Ten eerste was het uitvoeren van bancaire transacties onmogelijk gemaakt. Speculatie in fondsen en wissels was verboden; veilige belegging was wel toegestaan. Het verstrekken van leningen zonder onderpand aan overheden en particulieren was verboden. Voor afwikkeling van financiële transacties diende met name gebruik te worden gemaakt van De Nederlandsche Bank te Amsterdam en tot 1831 van de Maatschappij tot begunstiging van Volksvlijt te Brussel als kassiers. In de overzeese bezittingen diende gebruik te worden gemaakt van 's lands geldkamers als depot voor belangrijke waarden. In de tweede plaats was in de statuten met nadruk vastgelegd dat bij het aangaan en de uitvoering van handelstransacties het nationaal belang voorop moest staan. De directie diende zich in te spannen om middelen te vinden ter bevordering van de Nederlandse nijverheid en export. Uitgangspunt was derhalve een voorkeursbehandeling van Nederlands fabrikaat. Wat betreft het vervoer diende de NHM bij voorkeur gebruik te maken van in Nederland gebouwde, onder Nederlandse vlag varende en door Nederlanders gevoerde Nederlandse schepen.
De Artikelen van 1874 en 1884 maakte in stappen de ontplooiing van de NHM als bankbedrijf mogelijk. In 1874 werd het verbod op speculatie in wissels geschrapt: het verbod op speculatie in fondsen werd vooralsnog gehandhaafd. Pas in 1884 werd het bankbedrijf ook woordelijk in de statutaire doelstellingen opgenomen:
"De werkkring der Maatschappij omvat den goederenhandel zoo voor eigen rekening als in commissie, den handel in Geld, Wissels en edele Metalen en verder het verrichten van al wat tot het Bankiersbedrijf behoort; het doen van voorschotten, het verschaffen van bedrijfskapitaal aan het deelnemen in ondernemingen van Landbouw, Visscherij, Nijverheid, Handel, Scheepvaart en vervoer te Land en - in de Overzeesche Bezittingen en Koloniën van den Staat - het tot stand brengen en drijven van zoodanige ondernemingen; zij is bevoegd tot alle daden van Koophandel, alles behoudens de uitzonderingen in het volgend artikel vermeld. Inzonderheid strekken hare handelingen tot bestendiging, uitbreiding en aanknooping van voor Nederland en zijne Koloniën voordeelige handelsbetrekkingen. Met dat oogmerk wordt aan inkoop van inlandsch fabrikaat en aanvoer op de Nederlandsche markt, mitsgaders aan verzekering bij Nederlandsche assuradeurs, zoodanige voorkeur geschonken, als, naar het oordeel der directie, met de belangen der Deelhebbers is overeen te brengen."
Behalve het verbod op speculatie in fondsen was nu ook de beperkende bepaling ten aanzien van de deelnemingen vervallen. Overigens werden in een aanvullende bepaling wel twee nieuwe beperking aan het werkterrein gesteld: het was de maatschappij verboden zich bezig te houden met de aanleg en exploitatie van spoorwegen en andere vervoermiddelen voor openbaar vervoer, alsmede met assurantiezaken voor derden.
Pas in 1934 zou de doelstelling weer worden aangepast. Zij luidde nu:
"Het doel der vennootschap omvat den goederenhandel zoo voor eigen rekening als in commissie, den handel in Geld, Wissels en edele Metalen en verder het verrichten van al wat tot het Bankiersbedrijf behoort; het doen van voorschotten, het verschaffen van bedrijfskapitaal aan het deelnemen in ondernemingen van Landbouw, Visscherij, Nijverheid, Handel, Scheepvaart en vervoer te lande, in ondernemingen van financieelen aard en - bijzonderlijk in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao - het tot stand brengen en drijven van zoodanige ondernemingen; zij is bevoegd, met uitzondering van het levensverzekeringsbedrijf, tot alle daden van koophandel en tot al hetgeen met het voorafgaande direct of indirect verband houdt, bijzonderlijk het beheeren van vermogen van anderen, het optreden als beheerder of trustee en het fungeeren als executeur-testamentair. Inzonderheid strekken hare handelingen tot bestendiging, uitbreiding en aanknooping van voor Nederland en voor Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao voordeelige handelsbetrekkingen."
In 1963 werd de doelstelling nogmaals aangepast:
"Het doel van de vennootschap is de uitoefening van het bankbedrijf, de uitoefening van het bedrijf van commissionair in effecten, het deelnemen, al dan niet tijdelijk en in welke vorm dan ook, in andere vennootschappen, ongeacht het doel van die vennootschappen, het tot stand brengen, exploiteren en drijven van landbouwondernemingen, het drijven van handel in producten van landbouwondernemingen, het beheren van vermogens van anderen onder welke titel dan ook, het optreden als beheerder of trustee zomede als bestuurder of commissaris van vennootschappen of andere lichamen of organisaties, zomede het verrichten van al die handelingen, welke met het voorgaande verband houden of daaraan dienstbaar kunnen zijn, alles in de meest uitgebreide zin van het woord."
VI.2 De NHM als handelsonderneming
Eigen handel
Geheel in overeenstemming met de ambitieuze doelstellingen der Artikelen van Overeenkomst zette de NHM haar handelsoperaties van aanvang af wereldwijd op. Men ontplooide activiteiten ten aanzien van de nieuwe staten in Zuid- en Midden Amerika, de opbloeiende Levant, China (thee), Voor-Indië, Perzië en Arabië. In dit kader werden agentschappen of correspondentschappen gevestigd te Mexico, Brazilië, Argentinië, Cuba, Chili, Haïti, Turkije en Egypte. De overal aanwezige oorlog en daaruit voortvloeiende onveiligheid, alsmede de matige resultaten deden de directie echter besluiten dat de risico's te groot waren. Reeds in 1828 had men zich uit alle genoemde gebieden teruggetrokken en waren alle genoemde agentschappen en correspondentschappen opgeheven. Alleen het contact met de correspondent te Smyrna bleef bestaan, vanwege de winstgevende handel in opium. De NHM concentreerde zich vanaf dat moment tot na het midden van de negentiende eeuw vrijwel volledig op Nederlands-Indië, met name Java.
De hierna beschreven, voor de NHM makkelijke en winstgevende contracten met de staat zorgden ervoor dat de handel voor eigen rekening enkele decennia lang tot een minimum werd beperkt. De NHM veranderde in deze periode van een handelmaatschappij in een semi-officieel bureau, weinig minder dan een verlengstuk van het departement van Koloniën. Toen rond 1850 de band met de overheid losser werd, keerde men terug naar het uitgangspunt van 1824; de eigen handel werd weer opgepakt, zonder de nationale roeping uit het oog te verliezen. De benoeming van de handelsman Trakranen tot president luidde een periode in van uitgebreide nieuwe handelsondernemingen. Binnen dit kader vielen onder meer de opening van agentschappen te Singapore [1858], Japan [vanaf 1859] en New York [1879]. De resultaten waren mager en de nieuwe agentschappen te Japan en New York hadden slechts een kortstondig bestaan. De resultaten waren zelfs zodanig, dat men zich rond 1874, toen de vennootschap voor de tweede keer verlengd diende de worden, harop afvroeg of de NHM nog toekomst had. Uiteindelijk zou die toekomst niet in de handel, maar in het bankwezen worden gevonden. In Indië nam de Factorij daarop vanaf ca 1850 overigens al min of meer een voorschot, door zich naar het particulier cultuurbedrijf te profileren als cultuurbank
Rijksagentuur
Rond 1830 had de NHM, na de eerste moeilijke en verliesgevende jaren, de zaken juist enigzins op orde toen de Belgische Opstand alles weer op losse schroeven zette. De redding kwam dankzij de invoering van het zogenaamde cultuurstelsel, dat Graaf van den Bosch net in die periode invoerde op Java. Het cultuurstelsel maakte het gouvernement tot groot-plantagehouder in Indië, door de invoering van staatsexploitatie met gedwongen arbeid voor een aanzienlijk deel van de beschikbare grond. De invoering van het stelsel bracht hoge kosten met zich mee. De NHM werd aangezocht bij te springen en deed dit in de vorm van grote voorschotten aan de overheid tegen een schappelijke rente. In ruil hiervoor werden alle producten van de gouvernementsplantages, alsmede die van de eigen vrije land- en mijnbouwnijverheid van het gouvernement, geconsigneerd aan de NHM. De NHM kreeg met andere woorden het alleenrecht de betreffende producten te kopen, te transporten en via veilingen te verkopen. Zij werd bankier, commissionair en expediteur van staatswege. De NHM verzorgde verder nog voor de regering de verscheping van personeel en materieel ten behoeve van de koloniale dienst [waaronder troepen en oorlogsmaterieel] alsmede de betaling der Indische pensioenen. De relatie met de overheid werd vastgelegd in overeenkomsten voor een bepaalde termijn. Aanvankelijk waren zij kortlopend, en in deze jaren wist de NHM een hoge provisie te bedingen [tot maximaal 11%]. In 1840 werd een overeenkomst aangegaan tot 1849, met een veel lagere provisie van ca 3,5%. Vanaf 1849 hadden de contracten een looptijd van vijf jaar. Vanwege de Eerste Wereldoorlog werd de contractduur vanaf 1914 vastgelegd op één jaar.
De nauwe relatie met de overheid bracht de NHM in een makkelijke, maar ook enigzins gevaarlijke positie. Ten eerste was er de kritiek op haar positie van buitenaf, met name van het particulier bedrijf, dat in de hoek werd gedrukt. Niet voor niets werden de initialen NHM wel geïnterpreteerd als Niemand Handelt Meer. Ten tweede liet zij bijna alle gewone handelsactiviteit varen. Pas in 1854, toen de staatsagentuur enigzins werd besnoeid, wendde zij de blik weer naar buiten [onder andere naar Japan].
Transport
De Artikelen van Overeenkomst bepaalden dat de NHM haar ladingen in principe met gehuurde schepen moest vervoeren. De schepen moesten in Nederland zijn gebouwd, door Nederlanders worden gevoerd en varen onder Nederlandse vlag. Scheepsbouw en zelfs reparatie waren voor de NHM verboden terrein. Zij bezat daarom ook nooit meer als enkele kleine schepen. Met name om de Nederlandse koopvaardijvloot uit het dal te trekken werkte de NHM met een systeem van beurtvaart. Elk nieuw gebouwd schip dat aan de gestelde eisen voldeed kreeg twee reizen toegewezen, en kwam vervolgens op een rooster. Het gevolg was dat al spoedig een vrij lange lijst van reders en scheepsbouwers ontstond. De stimulans voor de vloot had dus gewerkt. In 1841 werd op verzoek van de regering het vrije aanbod beperkt en de lijst gesloten. Als gevolg van de kritiek ging hij in 1849 weer open, doch nu alleen voor bedrijven in de vier steden die sinds 1831 statutair als enige havens voor bevrachting en lossing waren aangewezen, namelijk Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg. Dit systeem werd wegens de vele kritiek al na drie maanden verlaten. De lijst werd weer volledig opengesteld. De vloot groeide aan, bij gedurig dalende vrachten. Het gevolg was dat een groot deel van de vloot geregeld stillag.
In 1867 werd begonnen met aanbesteding bij inschrijving. Dit kostte de oude zeilvloot grotendeels de kop, ten gunste van de stoomschepen. Uiteindelijk verdween in 1934 het verbod op eigen schepen en werven uit de Artikelen, en werd alleen de zee-verzekering nog uitgesloten. Tot eigen NHM-werven zou het echter niet komen. Wel leidden de transportbelangen van de NHM tot belangrijke deelnemingen in ondernemingen als de NV Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de NV Koninklijke Hollandsche Lloyd.
VI.3 De NHM van handelsonderneming naar handelsbank
Ontstaan van de algemene bank of handelsbank
In de kern kunnen de primaire activiteiten van de moderne algemene bank of handelsbank in een paar woorden worden omschreven: geld nemen [van cliënten] en geld geven [aan cliënten]. De bank in deze zin is dus bemiddelaar tussen aanbod [overschot)] van kapitaal enerzijds en vraag naar kapitaal anderzijds. Deze activiteiten zijn feitelijk een combinatie van diensten die in vroeger tijden door verschillende instellingen werden uitgevoerd, namelijk de kassier en de koopman/bankier.
De kassier hield zich primair bezig met het bewaren van geldmiddelen en waardepapieren tegen een bewaarloon en direct daarmee verbonden ook met het uitvoeren van het betalingsverkeer voor zijn cliënten. Gedurende de negentiende eeuw, toen zij nog primair handelsonderneming was, maakte de NHM voor haar transacties zelf gebruik van diverse kassiers, waaronder de Associatie-Cassa te Amsterdam en W.A. Gevers te 's-Gravenhage. De kassier gaf voor in beheer ontvangen waarden ontvangstbewijzen af, die voor de cliënt als betaalmiddel dienst konden doen, of hij crediteerde zijn cliënt die dan op basis van de boekvordering door overschrijving betalingen kon laten verrichten. De kassiers gingen op den duur de door hen beheerde waarden uitlenen, en dus geldscheppen. Uit deze activiteiten ontsproten weer tal van neventaken op het terrein van incasso, beheer en administratie van waardepapieren, buitenlands betalingsverkeer en handel.
De koopman/bankier leende uit eigen middelen geld aan derden en was dus in eerste instantie gericht op financiering/kredietverlening. Deze vorm van bankbedrijf in beperkte zin werd door de NHM vanouds ook gepraktiseerd. Uit deze activiteiten vloeiden onder meer het afgeven van borgstellingen en garanties en het emissiebedrijf voort.
Kort na het midden van de negentiende eeuw ontstonden in Nederland de eerste echte handelsbanken, die derhalve beide genoemde functies in zich verenigden. De voornaamste waren de CV Twentsche Bankvereeniging, later De Twentsche Bank NV [1861], de Rotterdamsche Bank NV [1863], De Amsterdamsche Bank NV [1871] en de Incasso-Bank NV [1891]. Zij verstrekten kredieten uit bij hen in bewaring geveven middelen [deposito's en rekeningen-courant], ofwel de in bewaring gegeven middelen dienden nu als werkkapitaal voor de bank.
Transformatie van de NHM tot handelsbank
Zoals boven beschreven liepen de baten van de handelsactiviteiten vanaf steeds verder terug. Dit zou uiteindelijk leiden tot de conclusie dat de NHM als handelsonderneming geen toekomst meer had en dat een radicale koerswijziging noodzakelijk was. Tussen 1874 en 1903 verloor de NHM geleidelijk haar bijzondere positie in het economisch leven van Nederland en de overzeese gewesten. Uiteindelijk gevolg was dat de maatschappij zich zou omvormen van handelsmaatschappij tot een volwaardig bankbedrijf, en tegelijkertijd haar karakter van nationale maatschappij zou verliezen en geheel een particulier bedrijf zou worden. In dit proces zijn twee fasen te onderscheiden. De eerste fase vangt aan met de statutaire wijziging in 1874, via welke het verbod tot het drijven van handel in wissels werd geschrapt. Dit maakte het statutair mogelijk dat de NHM zich aan eigenlijke bankzaken kon gaan wijden. Deze fase eindigde in 1882, toen de directie besloot de eigen goederenhandel te staken en hiermee in praktische zin de weg vrijmaakte voor het bankbedrijf.
Deze ontwikkeling was met name in de aanvang niet zonder slag of stoot verlopen, en werd begeleid door wrijvingen binnen de directie en tussen directie en commissarissen. De Raad van Commissarissen had sinds 1874 in Hendrik Muller Szn. een rapporteur die er geen doekjes om wond. De toon van zijn rapport over het boekjaar 1876 was zodanig negatief, dat de directieleden Hartsen en Schröder Visser [secretaris] hun ontslag indienden. Men wist Hartsen, beschouwd als het bekwaamste en krachtigste lid van de directie en bovendie als enige binnen de directie voorstander van grondige reorganisatie, echter over te halen om aan te blijven. De bron van het conflict was hiermee niet verdwenen. Met name president Trakranen hield vooralsnog aan voortzetten van de goederenhandel vast. Een doorbraak kwam er in 1880 met het terugtreden van directeur G. Obreen. Hendrik Muller produceerde in dat jaar een memorie waarin hij voorstelde het zwaartepunt te verleggen van de goederenhandel naar het bankbedrijf. Volgens hem moest hiervoor worden voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moest de opvolger van Obreen afkomstig zijn uit de bankwereld. Ten tweede zou de eigen handel moeten worden stopgezet, met name de exportzaken, daar anders particuliere kooplieden niet van de bancaire diensten van de NHM gebruik zouden maken. De memorie werd gunstig ontvangen. Obreen werd opgevolgd door Balthazar Heldring, voorheen één der directeuren van de Kas-Vereniging. Heldring begon met het opstarten van de bankzaken in Indië. Vervolgens kwam hij in 1882 met een nota, waarin hij voorstelde om alle eigen goederenhandel te staken, geen orders op producten van Europese en Amerikaanse huizen meer aan te nemen en geen lijnwaadhandel meer te drijven, nog voor eigen rekening, noch voor die van derden. De overige leden van de directie, Trakranen en Hartsen, gingen akkoord. Hiermee was de koerswijziging een feit. In 1884 werd zij via een statutenwijziging bekrachtigd.
De tweede fase kende in Indië [en Singapore] reeds een volle ontplooiing van het bankbedrijf. Vanaf 1882 nam men hier gelden in deposito. In Nederland was sprake van een meer geleidelijke weg. Wel begon men al in 1880 met de eerste voorzichtige stappen in het emissiebedrijf, maar pas in 1903 besloot men ook in Nederland geld van derden te gaan accepteren. Hiermee was de NHM in zijn geheel een bank in de moderne zin van het woord, dat wil zeggen een instelling die kredieten verstrekt uit de haar in de vorm van rekening-courant en deposito's beschikbaar gestelde middelen.
VI.4 De NHM als handelsbank
De kernactiviteit van een handelsbank is het verstrekken van kapitaal aan derden uit door derden beschikbaar gestelde middelen, of kortweg: geld nemen en geld geven. De bank neemt gelden in deposito of rekening-courant en verstrekt hieruit krediet. Zij bemiddelt op deze wijze tussen vraag naar en aanbod van kapitaal. Dit laatste doet zij tevens door haar activiteiten in het emissiebedrijf. Het in bewaring nemen van kapitaal, het verstrekken van krediet en het emissiebedrijf vormen de basiselementen van het bedrijf van de handelsbank. In de loop van de twintigste eeuw hebben zich hieruit tal van nevenactiviteiten ontwikkeld, als vermogensbeheer, belastingzaken voor derden etc. Na de Tweede Wereldoorlog begaf de NHM zich ook in activiteiten die tot dan enkel door daarin gespecialiseerde ondernemingen waren uitgeoefend, zoals het assurantiebedrijf en de makelaardij in onroerend goed, en trad dus een zekere branche-vervaging op.
Het emissiebedrijf en beursintroducties
Een bedrijf dat kapitaal nodig heeft staat een aantal mogelijkheden ter beschikking om in die behoefte te voorzien. Zij kan zich enerzijds rechtstreeks tot een bancaire instelling wenden voor een krediet, zij kan zich anderzijds ook tot de kapitaalmarkt in het algemeen wenden door het emitteren [uitgeven] van effecten als aandelen en obligaties. Voor het lastige en tijdrovende proces van het vinden van kopers, dus de aanbieders van kapitaal, wordt meestal de hulp van een bank of groep van banken ingeroepen. Het emissiebedrijf is derhalve een vorm van dienstverlening waarbij een bancaire instelling of een groep bancaire instellingen bemiddeling verlenen tussen het aanbod van en de vraag naar kapitaal. Een emissie kan op twee manieren worden uitgevoerd, namelijk als guichet-emissie en als overgenomen emissie. Bij de eerste vorm stelt de bank, uiteraard tegen provisie, enkel har loketten ter beschikking voor de uitvoering van bepaalde handelingen [inschrijvingen e.d.]; het risico voor het slagen van de emissie blijft geheel bij het emitterende bedrijf. Bij een overgenomen emissie neemt de bank de gehele emissie over; zij koopt alle uit te geven effecten op tegen een koers die lager is als de koers van inschrijving [het verschil is de provisie voor de bank] en treedt vervolgens zelf op als emittent. Het risico van het welslagen van de emissie ligt hierbij dus geheel bij de bank. Vooral bij grote emissies is dit risico groot. Om het risico te spreiden vinden grote emissies daarom veelal plaats door een groep van banken, die zich daartoe verenigen tot een syndicaat of consortium, waarbij één der banken als leider optreedt.
De NHM beperkte zich aanvankelijk hoofdzakelijk tot het louter financieel deelnemen in syndicaten; eerst werd hierbij nog de veilige weg bewandeld van deelneming in overheidsleningen, maar al vrij snel werd ook deelgenomen in de meer risicovolle leningen van het bedrijfsleven. De intrede van de NHM in het emissiewezen vond plaats op 19 november 1880, toen zij op uitnodiging van de firma Lippmann, Rosenthal & Co deelnam in het syndicaat tot overneming van een 4% conversielening van de provincie Groningen. Voor het eigenlijke emissiewerk [samenstellen en uitgeven van het prospectus, ontvangen van inschrijvingen, toewijzing, ontvangen van stortingen en afgifte van recepissen en stukken] ontbeerde de NHM nog een daarin gespecialiseerde staf en vooral het met name bij grotere emissies onontbeerlijke kantorennet. Desondanks fungeerde zij al vanaf 1883 incidenteel als inschrijfkantoor. Maar pas de nieuwbouw van het agentschap Rotterdam in 1916, de vestiging van een agentschap te 's-Gravenhage in 1910 en een overeenkomst met de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem in 1916 verschaften de NHM de outillage voor een volwaardig effectenbedrijf. Al in 1912 was op het hoofdkantoor een nieuwe Afdeling Effecten gevormd. In de twintigste eeuw zou het emissiebedrijf uitgroeien tot een essentieel onderdeel van het bankbedrijf
De NHM hield zich ook bezig met het begeleiden van ondernemingen naar een notering op de Amsterdamse beurs. In 1961 werd in dit verband besloten een eigen participatiemaatschappij in het leven te roepen om tijdelijk aandelen te nemen in besloten vennootschappen die men op termijn ter beurze wilde introduceren. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de in 1938 door de NHM overgenomen maar ondertussen rustende NV Nederlandsche Effecten Compagnie te Amsterdam.
Nieuwe vormen van dienstverlening
Voornamelijk na de Tweede Wereldoorlog, maar op beperkte schaal ook al vóór en tijdens de oorlog, begon de NHM zich naast de kredietverlening en het emissiebedrijf toe te leggen op nieuwe vormen van dienstverlening. Een vroeg voorbeeld hiervan is het vermogensbeheer, in NHM-terminologie Executele en Bewindvoering, waar al in de jaren dertig een begin mee werd gemaakt. In 1942 werd besloten tot activering van het assurantiebedrijf door zich met de makelaardij te gaan bezighouden. In 1945 werd begonnen met de afhandeling van belastingaangelegenheden voor derden. Opmerkelijk is dat de NHM in november 1958, in tegenstelling tot concurrenten als de Amsterdamsche Bank en De Twentsche Bank, besloot om niet over te gaan op het systeem van verstrekken van persoonlijke leningen. Tot 1945 werden de nieuwe activiteiten nog ingepast binnen het kader van de NHM zelf, dat wil zeggen dat ze werden toegevoegd aan de werkzaamheden van de bestaande afdelingen. Na de Tweede Wereldoorlog werd in verband met nieuwe activiteiten veelal óf een nieuwe NV opgericht, óf een bestaande NV overgenomen die al op het betreffende terrein werkzaam was. Nieuw opgericht werden onder meer:
| Datum | Gebeurtenis |
| 1949 |
NV Internationaal Intermediair Mavi te Amsterdam. Doel van de maatschappij was bemiddeling bij het totstandbrengen van compensatie- en reciprociteitszaken. Deze activiteit was voorheen ondergebracht bij het Financieel Bureau van de Vijfde Afdeling; het kostte echter te veel tijd en bovendien was men in deze bezig op vreemd terrein, met alle gevolgen voor de service. De nieuwe maatschappij opereerde vanuit het NHM-hoofdkantoor. |
| 1950 |
NHM, Trustkantoor Curaçao NV te Willemstad. Opgericht voor dienstverlening aan bedrijven, die maatregelen treffen voor het geval een nieuwe wereldoorlog zou uitbreken. Deze zouden gediend zijn met een instantie, gevestigd op een niet direct bedreigde plaats in het Westelijk halfrond, die zij met de waarneming van bepaalde zaken zouden kunnen belasten. |
| 1956 |
NV Maatschappij voor Krediet op Vaste Termijn te Amsterdam. Opgericht [in reactie op een soortgelijk initiatief van de Amsterdamsche Bank voor de verstrekking van krediet op middellange termijn. De directie werd gevoerd door de NHM, die zich ook volledig garant stelde voor de door de nieuwe maatschappij aangegane verplichtingen. |
| 1962 |
Scheepvaart Krediet NV te Katwijk, opgericht door naamswijziging van de reeds in NHM-bezit zijnde NV Auto Financiering Maatschappij. Doel was de financiering van de bouw, aankoop en exploitatie van schepen, dokken, kranen, machines etc. Met deze scheepshypotheekbank betrad de NHM een nieuw terrein, hoewel het agentschap Groningen al wel belangen had in de kustvaart. |
| 1962 |
Van Nievelt's Financieringbedrijf NV te Zeist. In dat jaar nam de NHM het gehele geplaatste aandelenkapitaal over. |
VI.5 De NHM als cultuuronderneming
De activiteiten van de NHM op het gebied van cultuurzaken waren meerledig. Ten eerste trad zij op als voorschotbank, ten tweede nam zij deel in cultuurondernemingen, en ten derde exploiteerde zij een aantal cultuurondernemingen geheel voor eigen rekening. De cultuurzaken werden voornamelijk gedreven in Nederlands-Indië, en in mindere mate in Suriname.
Nederlands-Indië
Vanaf de start van haar werkzaamheden in februari 1826 leefden bij de Factorij plannen om de koloniale landbouw te ontwikkelen door het geven van voorschotten aan particuliere planters in ruil voor consignatie van hun oogsten aan de NHM. Om diverse redenen echter kon de Factorij deze plannen de eerste decennia slechts op beperkte schaal uitvoeren. Tot 1830 was de gebrekkige financiële situatie van de NHM het grootste obstakel. In deze periode konden slechts enkele consignatiecontracten worden afgesloten. Het eerste was dat met de Engelse suikerfabrikant Trail & Co. Vanaf 1830 had de nauwe relatie met de staat een remmende werking. Naast het door het gouvernement geregisseerde cultuurstelsel namen aantal en omvang van de particuliere cultuurondenemingen weliswaar toe, maar omdat zij concurreerden met de overheidsondernemingen kon de Factorij slechts mondjesmaat verbintenissen met hen aangaan. Dat zij dit af toe toch deed was dan ook vooral gevolg van de noodzaak om uitzetmogelijkheden voor de winsten op de ingevoerde lijnwaden te creëren.
Pas na het losser worden van de banden met de staat rond 1850 kon de uitbouw van de relaties met de particuliere planters energiek worden aangepakt. Dat het de NHM in dit opzicht serieus was blijkt uit het feit dat de Factorij in 1853 in W. Poolman een president kreeg die speciaal op zijn kennis van en ervaring met cultuurzaken en de hieraan verbonden eigen handel was uitgezocht. De steun aan de particuliere planters, de zogeheten cultuurrelaties kreeg nu twee vormen. Naast het oude voorschotkrediet, kortlopend krediet op basis van consignatie van de oogst, verstrekte de Factorij nu ook langlopende kredieten onder hypotheekstelling van vaste activa [suikerfabrieken]. Via deze verbintenissen werd een groot aantal ondernemingen aan de NHM verbonden. In 1875 betrof het 5 koffie-ondernemingen, 27 suikerondernemingen, 2 tabaksondernemingen, 3 arakstokerijen, 2 specerijperken, 2 rijstpelmolens, 2 theeplantages, 1 rameh [vezel]-aanplant en 1 houtkap. Tussen 1879 en 1883 werd flink in het aantal relaties gesnoeid, verband houdend met de op handen zijnde omschakeling van de Factorij naar het bankbedrijf. Met de 'gewenste' relaties bleef het contact echter wel behouden.
Uit de boedel van de failliete relatie Lagnier & Co was de NHM in 1841 onder meer de suikerfabriek Wonopringgo in Pekalongan toegevallen. Omdat de fabriek onverkoopbaar bleek, besloot de NHM, feitelijk tegen wil en dank, de fabriek zelf te exploiteren. Dit betekende het begin van het cultuurbedrijf in eigen beheer. De oude en slechtlopende onderneming werd in enkele decennia tot een zeer winstgevende onderneming gemaakt. Dit succes bracht de directie in Amsterdam ertoe om te Factorij te machtigen fabrieken van debiteuren die in gebreke waren gebleven, desgewenst in eigen beheer te nemen. Dit werd dan ook gedaan, zij het met mate. Met name tijdens de suikercrisis van 1884 kreeg de NHM een veelheid aan ondernemingen aangeboden. Mede vanwege de in die jaren spelende heroriëntatie op het bankbedrijf werd hiervan echter nauwelijks gebruik gemaakt. Behalve uit boedels kreeg de NHM haar eigen ondenemingen ook via aankoop en eigen oprichting. De ondernemingen werden voor een groot deel ondergebracht in speciaal hiervoor opgerichte naamloze vennootschappen, welke laatste dan als enige doelstelling de exploitatie van de betreffende cultuuronderneming hadden. Van die NV's had de NHM dan weer alle of een grote meerderheid van de aandelen. Vanaf 1880 kende de Factorij de functies van inspecteur en van hoofdadministrateur der eigen suikerfabrieken. Een derde vorm van bemoeienis met de cultures, naast de exploitatie van eigen ondernemingen en de kredietverleningen, was de participatie of deelneming in een oprichting en/of exploitatie van een maatschappij. De NHM nam dan een langdurig belang in de betreffende maatschappij. Een voorbeeld hiervan was de mede-oprichting in 1869 met P.W. Jansen van de Deli-Maatschappij, gericht op de uitoefening van de tabakscultuur op Noord-Sumatra. In een aantal gevallen leidde een dergelijke deelneming tot een overname. Dit was het geval met het Nederlandsch-Indisch Land Syndicaat [NILS], opgericht in 1910. De NHM was aanvankelijk één der aandeelhouders, maar kocht in 1917 vrijwel alle aandelen op. In 1938 werd de NHM directrice en werd het hoofdkantoor van het NILS ondergebracht bij dat van de NHM. Het NILS bleef zelfstandig opereren en haar 'eigen' ondernemingen exploiteren tot zij in 1959 werden genationaliseerd. Een belangrijke overname was verder die van de Serdang Cultuur Maatschappij, waarvan de NHM in 1939 vrijwel alle aandelen in bezit kreeg. Ook van deze onderneming werd de NHM directrice.
Vanaf 1934 zorgden de wereldcrisis en een daaruit voortvloeiende grootscheepse interne reorganisatie voor een drastische vermindering van het aantal eigen ondernemingen. Van de zestien eigen suikerondernemingen die de NHM in 1933 nog bezat, waren er een aantal jaren later slechts zeven over. Dit betekende de liquidatie van de suikerfabrieken Alkmaar, Soerawinangoen en Wonopringgo alsmede de Cultuur Maatschappij Klampok, de Maatschappij tot Exploitatie van de Suikeronderneming Willem II, de Cultuur Maatschappij Peterongan, de Cultuur Maatschappij Ploembon en de Landbouw Maatschappij en Suikerfabriek Wonoredjo. De Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd bezorgden het cultuurbedrijf een nieuwe klap. Niettemin bleef de NHM in Indonesië een aantal cultuurondernemingen exploiteren, tot deze in mei 1959 onder beheer werden gesteld en kort daarna genationaliseerd, als uitvloeisel van de wet van 23 februari 1959. De Factorij had daarna geen enkel zakelijk contact meer met de plaatselijke leiding noch enige bemoeienis met het beheer.
Overzicht van de eigen cultuurondernemingen in Nederlands-Indië
De ondernemingen van het NILS en de Serdang Cultuur Maatschappij, na de respectieve overnames in feite 'kleindochters van de NHM', zijn in dit overzicht opgenomen.
Suiker
- Alkmaar; aankoop in 1887 uit publieke verkoop; liquidatie 1934
- Kalimaro; heropening in 1895 [zie ook Tersana]
- Kalimati; Factorij in 1891 directeur, met 3/16 van de aandelen; in 1896 verwierf de NHM 104 van de 128 aandelen; liquidatie 1934
- Kebon Hardjo, Cultuur Maatschappij - ; oprichting 1911, met steun van Van Eeghen & Co, ter exploitatie van de suikeronderneming - ; NHM in 1918 volledig eigenaar; liquidatie in 1920
- Kemantran; overname 1876, met recht van wederinkoop voormalige eigenaar; volledig bezit in 1880; liquidatie 1934
- Kendalsche suikerfabrieken Poegoe, Gemoe en Tjipiring; aankoop in 1865, met recht van wederinkoop voormalige eigenaar; wederverkoop in 1872
- Ketanggoengan-West, Cultuur Maatschappij - , ter exploitatie van de suikerfabriek Ketanggoengan-West; aangekocht in 1892, met recht van wederinkoop voormalige eigenaar; nationalisatie 1959
- Klampok, Cultuur Maatschappij - , ter exploitatie van de suikeronderneming Klampok [residentie Banjoemas]; Factorij [de facto agentschap Semarang] vanaf 1896 directeur; liqidatie in 1935
- Klidang [Pekalongan]; aankoop in 1873; in 1898 bij de suikerfabriek Kalimati getrokken
- Koning Willem II, Maatschappij tot Exploitatie van de Suikeronderneming - ; NHM verwierf een meerderheidsbelang in 1911; liquidatie in 1937
- Loewoeng Gadjah; aankoop [..]; liquidatie 1935
- Madjenang, Landbouw Maatschappij -; oprichting NHM in 1911, in verband met oprichting suikeronderneming; liquidatie/verkoop [..]
- Modjo Agoeng; aankoop [..]; nationalisatie 1959
- Maribaja; overname 1876, met recht van wederinkoop voormalige eigenaar; volledig bezit in 1880; ontmanteling 1889
- Nieuw-Tersana, Centraal Fabriek; oprichting 1900; in 1905 opname fabriek Tjiledoek; nationalisatie in 1959
- Peterongan, Cultuur Maatschappij - , ter explotatie van de suikeronderneming - ; NHM verwierf in 1896 20% der aandelen; liquidatie in 1934
- Ploembon; voortzetting onder nieuwe naam van de voormalige suikerfabriek Soerawingangoon; liquidatie in 1934
- Poerwodadie, Landbouw Maatschappij; onderneming aangekomen als cessie, 1887; in 1892 aan NHM; liquidatie in 1951
- Soekoredjo; verwerving [1928]
- Soekodnono; relatie, in 1892 geheel aan NHM
- Soemberhardjo; opening 1911; nationalisatie in 1959
- Soerawinangoen; in 1899 eigendom NHM; zie ook Ploembon
- Tempeh, Maatschappij tot Exploitatie van de Suikerfabriek - ; NHM verwierf in 1893 een meederheidsbelang; liquidatie in 1897
- Tersana, Cultuur Maatschappij - , ter exploitatie van de suikerfabrieken Tersana, Tjiledoek en Kalimaro; NHM verwierf in 1898 630 van de 960 aandelen; sluiting van de fabrieken Tersana en Kalimaro in 1900; Tjiledoek in 1905 gefuseerd met Nieuw-Tersana
- Tirto [Pekalongan]; nieuwbouw fabriek in 1873; liquidatie in 1924
- Wonopringgo, in 1841 aangekomen uit de boedel van Lagnier & Co. Verkoop in 1869, doch wel blijvende relatie; in 1891 weer eigendom NHM; niet weer in productie na de Tweede Wereldoorlog
- Wonoredjo; aankoop 1904, was voormalige relatie; liquidatie in 1934
Koffie
- Bah Bajoe [NILS]; aankoop 1911
- Bakoengan; aankoop [..]; liquidatie 1886
- Djolotigo; aankoop [1890]; verkoop 1899
- Djatirongo [residentie Semarang]; aankoop in 1872 op openbare veiling; liquidatie 1886
- Kerasaän [NILS]; aankoop 1911
- Ngarianak (residentie Semarang); aankoop in 1872 op openbare veiling; verkoop 1880
- Padang Karit [NILS]; verkocht 1954
- Poerwodadie; oprichting 1899; hierin ondergebracht de ondernemingen van de voormalige relatie J.E. Hedrich von Wiederhold; verkoop in 1904
- Redelong Noord [Atjeh] [Serdang]
- Redjo-Agoong; in 1898 eigendom NHM; verkoop 1902
- Seketjer (residentie Semarang); aankoop in 1872 op openbare veiling; verkoop in 1885
- Soemaniek [Sumatra]; NHM in 1884 volledig eigenaar
- Soerawinganggoon; in 1898 eigendom NHM; verkoop in 1899
- Triboso [residentie Semarang]; aankoop in 1872 op openbare veiling
Thee
- Bah Biroeng Oeloe [NILS]; opening 1912
- Bah Boetong [NILS]
- Permanangan [NILS]
- Redelong Noord [Atjeh] [Serdang]
- Tjiemas [Java]
- Tjitalahab
Rubber
- Adolina Oeloe [Serdang]
- Bah Bajoe [NILS]; aankoop 1911
- Kerasaän [NILS]; aankoop 1911
- Meloewoeng, Cultuur Maatschappij - , ter exploitatie van de ondernemingen Meloewoeng en Tjikentjreng; bezit NHM vanaf 1931; genationaliseerd 1959
- Tjiemas
- Tjikentjreng; zie Meloewoeng
- Tjitalahab
Oliepalmen
- Adolina Ilir [Serdang]
- Taba Pingin [Zuid-Sumatra] [NILS]; gesloten 1956
Tabak
- Bagelen; aankoop 1876; verkoop 1881
- Edi; opstart ondernemingen, 1876
Klappers
- Bobongan [Serdang]
Indigo
- Bagelen, 1876 opstart ondeneming op voormalige gouvernementsplantages; in 1882 verlaten
- Depok; staking exploitatie 1899; overdracht aan suikerfabriek Kalimati in 1902
Houtkap
- Modjo Agoong; aankoop [..]; liquidatie in 1885
Bibit
- Koetei [Oosterafdeling Borneo] ; 1889 aanleg eigen tuinen
- Preanger regentschappen; 1901 aanleg eigen tuinen
Vezel/Sisal
- Lho Soekon, Cultuur Maatschappij - ; oprichting in 1928 met H. van de Wetering; in 1930 alle aandelen aan NHM; liquidatie in 1950
Suriname
De eerste plannen van de NHM ten aanzien van de koloniën in de West dateren van 1865. Zij werd hierin gestimuleerd door de commissarissen A.F. Insinger en Ch. le Chevalier, beiden bekend met West-Indische zaken, alsmede door de oprichting van De Surinaamsche Bank in 1865 en van de Surinaamsche Immigratie-Maatschappij, welke laatste de aanvoer van voldoende arbeidskrachten leek te garanderen na de afschaffing van de slavernij en het hierop volgende wegtrekken van veel geëmancipeerden van de plantages. De planters hadden nu kapitaal nodig om arbeidskrachten aan te voeren uit het Verre Oosten [China, Brits-Indië, Java]. De NHM voorzag in die behoefte. Al snel trad de NHM echter niet alleen op als voorschotbank, maar stortte zij zich ook zelf in het cultuurbedrijf. In 1867 kocht zij via de als agent benoemde W.E. Rühmann de suikerplantage De Resolutie en de verlaten onderneming Pomona met aanliggende gronden en concessies. De bestaande suikerfabriek op De Resolutie was sterk verouderd. Men probeerde hierin tevergeefs verbetering aan te brengen met de Fryer's concretor. Daarom kreeg de firma Pearson & Co te Glasgow in 1873 opdracht de uitrusting van de De Resolutie geheel te vernieuwen. In 1876 werd op De Resolutie een suikerfabriek geopend. De bereiding van rum en de bananencultuur werden gestaakt.
In 1879 werden de eerste voorbereidingen getroffen voor de bouw van een centrale suikerfabriek, met een spoorlijn voor de aan- en afvoer, later eenvoudig bekend als Centraal-Fabriek. De bedoeling was dat het suikerriet van de verschillende plantages, dus niet alleen die van de NHM!, hier werd samengebracht en verwerkt. De planters konden zo al hun zorg aan de cultures wijden. Dit idee van scheiding van cultuur en fabricage werd overgenomen uit de nabijgelegen Franse koloniën. In 1880 werden de contracten gesloten met de suikerleverende plantages. Op 23 oktober 1882 werd de Centraal-Fabriek Mariënburg geopend en in 1883 kon de eerste campagne plaatsvinden. In 1884 werd de fabricage op De Resolutie gestaakt. Een groot deel van de arbeiders, alsmede de woningen en het materieel werden naar de Centraal-Fabriek overgebracht. De goede gronden van De Resolutie bleven nog enkele jaren in productie; in 1886 werd de plantage verkocht. Een aantal van de suikerleverende plantages verdween na de suikercrisis van 1884; de meeste andere plantages leverden te weinig voor een gezonde exploitatie van de fabriek. De NHM besloot daarom nu ook zelf te gaan planten. Alle suikercultuur van de NHM werd nu op Mariënburg geconcentreerd. Op den duur produceerde de Centraal Fabriek alleen suiker van riet afkomstig van de eigen NHM-plantages. Zij werd nu dus een gebruikelijke suikeronderneming, zonder de aanvankelijk bedoelde scheiding tussen cultuur en fabricage.
Na de Tweede Wereldoorlog was de situatie op Mariënburg weinig florissant, voornamelijk als gevolg van een gebrek aan arbeidskrachten, op zich weer een gevolg van de opbloeiende bauxietwinning. Wel zeer lucratief was de rumdistilleerderij. Op 13 november 1954 werd een nieuwe distilleerderij geopend.
Naast de suikerproductie deed de NHM in Suriname ook nog een aantal proeven met andere producten. In 1879 werd de cacaoplantage Mon Trésor aangekocht. In 1880 begon men op deze plantage proeven met Liberia-koffie. De resultaten van zowel de cacao als de Liberia-koffie stelden teleur. In 1885 werd Mon Trésor wegens aanhoudend verlies weer verkocht.
Vanaf de oprichting van de NV Surinaamsche Cultuur Maatschappij in 1906 had de NHM een belang in deze onderneming. De SCM exploiteerde de plantages Dordrecht en Peperpot, en van 1958-1963 tevens de plantage Slootwijk. Zij richtte zich aanvankelijk met name op de bacoventeelt, maar later ook op de productie van koffie, cacao en rubber.
In 1963 kwam de directie tot de slotsom dat het cultuurbedrijf niet meer in de bestaande organisatie pasten. Zij verkocht daarom met ingang van 1 januari 1964 haar resterende cultuurbelangen in Suriname, bestaande uit Mariënburg en de cacao- en koffieplantage Peperpot van de dochtermaatschappij de Surinaamsche Cultuur Maatschappij aan de NV Rubber Cultuur Maatschappij Amsterdam. In totaal besloeg de verkoop nog 4500 ha grond, waarvan eenderde beplant.