Geschiedenis van de archiefvormer
Na de aanvaarding van het Algemeen Bestuur door de Prins van Oranje werd bij besluit d.d. 1 december 1813, nr. 26 het bestuur der Binnenlandse Zaken geregeld. Art. 6 daarvan luidde:
'Het Justitiewezen blijft, ingevolge het besluit, op heden door het Algemeen bestuur genomen, provisioneel geconserveerd, alle voordrachten, welke door hetzelve aan den Groot-Regter-Minister van Justitie plegen te geschieden, en nu aan het Gouvernement zullen moeten plaats hebben, zullen gaan door het intermediair van den Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken'.
Dit besluit was echter nauwelijks afgekondigd, of er volgde op 7 december 1813 (nr. 13) reeds een nieuw, dat luidde:
'Bij alteratie van het besluit van het Algemeen Bestuur in dato 1 December 1813 nr. 26, art. 6, zal de Eerste President van het Hooge Gerechtshof der Vereenigde Nederlandsen onmiddellijk met den Vorst arbeiden. Alle voordrachten, het Justitiewezen betreffende, welke tot dus verre aan den Groot-Regter-Minister der Justitie pleegden te geschieden, zullen ons voortaan gedaan worden door voormelden Eersten President. De Eerste President van het Hooge Gerechtshof zal voornamelijk zorgen, dat overeenkomstig het Besluit van het Algemeen Bestuur d.d. 1 December 1813 en behoudens de daarbij uitgedrukte bepalingen de Justitie bij voortduring behoorlijk en op den thans bestaanden voet wordt geadministreerd. Hij zal zich, hoe eer hoe liever, met den Commissaris-Generaal tot de Binnenlandsche Zaken en den Procureur-Generaal concerteeren tot het doen van een gemeenschappelijke voordracht aan Ons, omtrent den tegenwoordigen staat der gevangenissen en de voegzaamste middelen om de onmenschlievende verwaarlozing te doen ophouden, die daaromtrent in de laatste drie jaren plaats gevonden heeft.'
Bij Soeverein Besluit van 12 augustus 1814, nr. 1 zijn de provisionele bepalingen vastgesteld voor de 'spoedige en rigtige behandeling der zaken in de Belgische provinciën'. Hierbij zijn ingesteld vier administratieve departementen onder leiding van commissarissen-generaal, terwijl aan ieder departement een commissaris kon worden benoemd, belast met een of meer gedeelten van de dienst.
- Art. 20 van genoemd besluit zegt: 'De Commissaris-generaal van Justitie is belast met de rigtige administratie der Justitie. Hij adviseert op alle verzoeken om abolitie, om dispensatie of om brieven van naturalisatie, op de quaestiën van competentie en op de verschillen tusschen burgerlijke en militaire rechtbanken.
- Art. 21. Hij draagt Ons de personen voor ter vervulling van opengevallen plaatsen in de Hoven, rechtbanken en vredegeregten, als mede tot aanstelling van procureurs en notarissen.
- Art. 22. Aan het Departement van Justitie is mede verbonden de algemeene zorg voor de Policie, zoo verre dezelve betrekking heeft tot het voorkomen van delicten, tot de surveillance van vagabondeerende en het onderzoek der papieren van reizende personen.
- Art. 23 Ter bereiking van de doeleinden hierboven gemeld zal de Commissaris-Generaal van Justitie zich moeten verstaan met de Departementale en andere administratiën en met de procureurs-generaal bij de Opperste Gerechtshoven te Brussel en te Luik, en zich door middel van derzelver geregelde en sedert lang gevestigde correspondentie met de officieren van Justitie die kennis verschaffen van al hetgeen hij voor de behoorlijke waarneming van zijn ambt noodig heeft.
- Art. 24 Bij een nader te nemen besluit zal bepaald worden in hoeverre de dienst der Marechaussee tot dit Departement zal behooren.'
Het beheer van de politie berustte verder bij de op 30 november 1813 benoemde commissaris-generaal van politie, wiens functie en archieven bij Koninklijk Besluit d.d. 9 maart 1818, nr. 74 overgegaan zijn aan de procureur-generaal van het Hooggerechtshof. Deze archieven zijn dus daarheen overgegaan om eventueel in de inventaris van diens archieven te worden beschreven.
Bij de definitieve regeling van het bestuur in de Nederlanden bij Koninklijk Besluit d.d. 16 september 1815, nr. 61 (La. H.) werd de heer Van Maanen minister van Justitie, wiens werkzaamheden zich over 'al de gedeelten van het Rijk uitstrekken' zouden. Te dien einde moest hij zich onverwijld in betrekking stellen met de opperste gerechtshoven van Brussel en Luik en met de procureurs-generaal aldaar.
Te Brussel moesten voor de ministers en commissarissen-generaal hotels of woningen worden gekocht of gehuurd, die niet alleen voor woningen bureaus moesten dienen, maar vooral ook voor 'deftige huisvesting der hoofden van de verschillende Departementen'. Aan toelage wegens reis- en verblijfkosten van Den Haag naar Brussel of omgekeerd ontvingen de ministers vijfduizend gulden per jaar.
De minister van Justitie zond 4 oktober 1815 aan de Hoge Gerechtshoven, procureurs-generaal en advocaten-fiscaal een circulaire, meldende de aanvaarding van zijn werkzaamheden. 'Die werkzaamheden', zegt hij, 'brengen mij meer bijzonder in betrekking tot de eerwaardige en aanzienlijke lichamen en ambtenaren van Staat, aan welke de bedeeling en handhaving van het Recht in het opperste rechtsgebied is toevertrouwd en ik reken het mij tot een zonderlinge eer en genoegen aan die allen, bij de aanvaarding mijner werkzaamheden te mogen betuigen, dat even gelijk ik mij verzekerd en overtuigd houde van hunne rechtvaardigheid, oprechtheid, ervarenheid en hartelijken ijver voor de belangen der Justitie, en voor den dienst van den koning en van het vaderland, het mij evenzeer eene aangename plichtsbetrachting zal zijn, de waardigheid, achtbaarheid, luister en onafhankelijkheid der Justitie te mogen helpen vestigen en bevorderen.
Ik heb gemeend, Mijne Heeren, dat deze zeer oprechte uitdrukking mijner gevoelens, aan Ulieden wellicht niet ongevallig zoude zijn; voor mij was zij eene behoefte, en geeft mij tevens de meest geschikte aanleiding, om Uwe goede medewerking, hulp en vertrouwen in te roepen in de behandeling van alle zoodanige onderwerpen, waarin ik ten dienste van den koning, en ter verzekering van een goeden en regelmatigen loop van zaken, het verkieselijk of hoofdzakelijk zal rekenen Uwe voorlichting en gedachten te verzoeken, welke door mij op zeer hoogen prijs worden gesteld.'
Van Maanen werd tevens bij besluit van 6 oktober 1815, nr. 38 'tot op de organisatie van de Regterlijke magt' opgedragen de functies van het tot dus verre bij hem beklede ambt van eerste president van het Hooggerechtshof in 's-Gravenhage te blijven waarnemen. 10 oktober 1815 stelde de minister aan de koning een provisionele regeling der werkzaamheden voor, uit te voeren door de daarbij voorgedragen ambtenaren, luidende voor de noordelijke Nederlanden:
'Hoezeer de ondervinding zal moeten uitwijzen, of en in hoeverre ik moge geslaagd zijn om in mijne berekeningen te dezen aanzien een juiste of genoegzame evenredigheid te treffen tusschen den omvang van den werkkring en de zamenstelling der hulpmiddelen en hoezeer ik daarom gemeend heb voor als nog tot het ontwerpen en voordragen van provisioneele schikkingen te moeten bepalen, is het mij evenwel voorgekomen, dat om aan de zaken eenen geregelden gang te geven, ook bij de meest mogelijke simplificatie, onmisbaar vereischt worden:
In de eerste plaats, een hoofdambtenaar, belast met het toezigt op de geregelde orde van dien dienst in deszelfs geheel, en met het afdoen van zoodanige zaken, welke daarmede in verband staan, of welke , uit hoofde van derzelver gewicht of om andere redenen, geoordeeld worden meer bijzonderlijk of op eene meer convenabele wijze aan zulk een ambtenaar te moeten of te kunnen worden opgedragen.
De verdeeling der gewone werkzaamheden van dezen ambtenaar zoude hoofdzakelijk deze moeten zijn:
- Het vak der Comptabiliteit;
- Het werk der expeditie;
- De zorg voor de bewaring der archieven en het houden van eenen behoorlijken index op dezelve.
Voor elk van welke drie vakken de orde en regelmatigheid van den inwendigen dienst een minderen ambtenaar onder de benaming van commies schijnen te vereischen.
In de tweede plaats is mijn noodzakelijk voorgekomen de aanstelling van ten minste twee hoofdambtenaren, gelijkelijk belast met de behandeling en bewerking van alle zoodanige zaken, welke tot de dagelijksche en gewone onderwerpen, waarmede het Departement van Justitie zich moet bezighouden, een rechtstreeksche betrekking hebben.
Eindelijk is het mij toegeschenen, dat aanvankelijk zal vereischt worden een getal van niet minder dan zes klerken benevens 2 à 2 boden en een concierge of kamerbewaarder.'
De minister had in de bureaus van de voormalige commissaris-generaal van Justitie te Brussel ruim dertig hogere en lagere geëmployeerden gevonden, welke in verschillende divisies verdeeld waren en van welke de staatsminister de Thiennes aan zich verbonden had diegenen, welke hij meende voor het 'aan zijn directie aanbevolen vak der politie' noodzakelijk en meest bruikbaar te zijn. Aan de overigen der geëmployeerden gaf de minister voorlopige instructies omtrent de behandeling der zaken, die nog te Brussel mochten voorkomen, en vooral omtrent zodanige zaken, die niet dadelijk vatbaar waren voor een gelijke behandeling in de zuidelijke en in de noordelijke provincie, opdat aanvankelijk geen stagnatie in enig gedeelte van de dienst mocht plaatsvinden. Ofschoon het de minister voorkwam, dat aldaar aanmerkelijke inkrimping van personeel kon plaatshebben, oordeelde hij het beter zich daarmede vooralsnog niet bezig te houden, opdat daardoor geen stremming veroorzaakt zou worden in de noodzakelijke werkzaamheden, waarover hij de zorg en het toezicht had opgedragen voor zoveel betreft het vak der Justitie aan de commissaris-speciaal Van Hoogten, en voor zoveel betreft het vak der Comptabiliteit aan de commissaris-speciaal Wacken, die geregeld met de minister over elk der vakken corresponderen.
Voorlopig konden geen van deze geëmployeerden naar Den Haag verplaatst worden, vermits deze niet alleen geheel onbekend waren met de vormen en met de behandeling van zaken, die in de noordelijke provincies zijn aangenomen, maar ook omdat slechts weinigen daarvan de Hollandse taal voldoende machtig waren om zich daarin op een duidelijke wijze uit te drukken, zodat het noodzakelijk was alhier ambtenaren te hebben, die genoegzaam bekend waren met de wijze van behandeling in de noordelijke provincies en die tevens in de gelegenheid gesteld werden om langzamerhand een volledige kennis van het geheel te krijgen.
De instructie voor de Brusselse ambtenaren luidde als volgt:
'Le Ministre de la Justice désirant prendre les déterminations nécessaires pour règler la marche des affaires dans les Bureaux à Bruxelles, et tout ce qui est relatif aus service, arrête ce qui suit.
Les fonctionaires de toutes classes, employés jusqu'ici au commissariat-général de la Justice à Bruxelles, y continueront provisoirement l'exercice de leurs fonctions, de la manière qui sera détaillée ci après, à l'exception de ceux qui Son Excellence M. Le Comte de Thiennes jugera convenable de choisir et désigner exclusiviement pour le service de ses bureaux; - ces derniers fonctionaires et employés cesseront desuite à être considerés comme faisant partie des bureaus du Ministère de la Justice; Son Excellence sera priée de vouloir avoir la bonté de m'en adresser un état nominatif.
Les fonctionaires et employés qui continueront provisoirement l'exercie de leurs fonctions dans les bureaux de la Justice, s'occuperont:
a. De tout la partie de la comptabilité sans exception; ils continueront à observer les règles, qui sont été suivies à cet égard jusqu'à ce moment. Monsieur Wacken, Chef de cette administration correspondra avec moi sur tout ce qui y a rapport; il m'adressera les mandats et autres pièces quelconques, qui devront être revêtue de ma signature; ainsi que les minutes des rapports ou propositions à faire à Sa Majesté qui pourraient encore être nécessaires dans cesse classe d'affaires.
b. De toutes les affaires actuellement pendantes au Département de la Justice à Bruxelles, c'est à dire de celles, qui déjà y ont reçues un commencement d'exécution, on qui pourraient avoir été renvoyées préalablement au rapport d'une autorité quelconque. Ces affaires continueriont à y être traitées de la manière suivie jusqu'ici, elles continueront également à être portées notées sur les répertoires ou régistres du Déepartement. Monsieur Van Hoochten correspondra avec moi sur tout ce qui lui ont été confiées. Son Excellence Mr. le Comte de Thiennes ayant eu l'extrême bonté de m'offrir son assitance à cet égard, j'invite monsieur Van Hoochten et Wacken de vouloir traiter ces affaires sous les auspices de Son Excellence et de m'adresser les minutes des rapports ou propositions qui pourraient en resulter, ainsi que celles des lettres ou autres pièces, qui pourraient être nécessaires pour terminer ces affaires.
c. De toutes les affaires nouvelles qui ne parviendront et que le jugerai propre à être traités dans les bureaux à Bruxelles - je correspondrai à cet égard avec mr. Van Hoochten, et lui communiquerai mes intentions au sujet de chaque affaire nouvelle que je lui renverrai.
Toutes les nouvelles affaires quelconques seront traitées dorénavant, dès le commencement dans les bureaux à la Haye; - je ferai insérer dans les papiers publiés une notifications pour avertir les autorités constitées, et cous ceux àqui il appartiendra, de faire parvenir et adresser ces dépechêches au ministère à la Haye, afin que je puisse en prendre imméediatement connaissance et afin de m'en occuper ou de faire exécuter sous mes yeux le travail nécessaire, ce qui cependent ne m'empêchera pas d'en renvoyer quelques unes dans mes bureaux à Bruxelles, pour y être examinées, travaillées et soumises ensuite à ma décision, comme a été dit ci dessus.'
Verder vermeldt deze instructie enige tijdelijke bepalingen omtrent de behandeling der zaken tot 1 november, terwijl daarna volgt: 'toutes dépêches quelconques, qui pourraient être adressées encore à moi, on à mon Département à Bruxelles me seront envoyées par monsieur Van Hoochten à la Haye mais closes, l'examen et le tirage en sera fait par moi même après la dite époque.
J'invite M.M. van Hoochten et Wacken à Wacken à rédiger ou faire rédiger dans mes bureaux sous leur surveillance des listes exactes de toutes les affaires non terminées, et actuellement pendantes au Département de la Justice, avec indication très sommaire de l'état, dans lequel ces affaires se trouvent, ils m'adresseront une expédition de ces listes: il s'entend, que ceci ne s'applique pas aux affaires ordinaires de la comptabilité, qui se renouvellent mois pour mois et périodiquement.
Je charge mr. Van Hoochten de la surveillance général du travail, qui se fera dans mes bureaux à Bruxelles et de celle sur la conduite, la moralité et l'application des fonctionaires et employés, - je suis persuadé qu'il y mettra tout le zêle et toute le franchise possible.
Je désirerais enfin, que la correspondence avec moi, et les rapports à faire au Roi, fussent écrits et rédigés en langue hollandaise ou flamende pour autant que cela sera possible. Je charge mr. Van Hoochten de communiquer aux fontionaires et employés dans mes bureaux à Bruxelles les points et articles de la présente instruction et ordonnance pour autant qu'elle les concerne.'
Bij Koninklijk Besluit van 13 oktober 1815 nr. 48 werden in afwachting van de finale organisatie van het Ministerie van Justitie provisioneel aangesteld:
- N. Olivier, tot secretaris, belast met het toezicht op de geregelde orde van de dienst in zijn geheel.
- A. Muller, hoofdcommies, belast met 'het vak der comptabiliteit'.
- Mr. A.A. Meerman van de Goes, tot commies, belast met de expeditie.
- Mr. M. Bonte, tot commies, belast met de bewaring der archieven en het houden van de index.
- Mr. C. Asser en F. Nolst tot hoofdambtenaren, belast met de behandeling en afdoening der zaken, rakende de administratie der Justitie; terwijl het overige benodigde personeel als klerken enz. werd aangesteld bij Koninklijk Besluit d.d. 4 november 1815, nr. 8.
De minister had voor dit personeel voorlopig in gebruik genomen een enkel vertrek, dat vroeger door hem als eerste president in het hotel van de Hoge Raad op het Binnenhof was gebruikt. Al spoedig bleek echter de noodzakelijkheid, dat hierin op een andere wijze en meer overeenkomstig het getal ambtenaren en de verschillende aard hunner werkzaamheden behoorde te worden voorzien.
1 november 1815 (nr. 10) stelde hij de koning voor om voor het ministerie aangewezen te krijgen het gebouw, staande in de Poten, waarin vroeger de Staatsdrukkerij en vervolgens het kledingmagazijn van Oorlog was gevestigd geweest, daar volgens de controleur van 's Rijks gebouwen dit het enige was, waarover te beschikken viel.
De minister zegt tot het bereiken van zijn doel:
'De dagelijks toenemende werkzaamheden laten niet toe om deze langer op de tegenwoordige plaats te laten verrichten, of dat de geëmployeerden ten hunnen huize blijven werken, gelijk thans bij velen nog moet plaatshebben, maar het belang van de dienst vordert integendeel dringend, dat zij zo spoedig mogelijk naar elders worden overgebracht.'
Dientengevolge verzocht hij het gebouw aan de Poten ten gebruike van zijn ministerie te willen bestemmen, nadat daarin de vereiste reparaties waren verricht, overeenkomstig de bijgevoegde memorie, waarop deze waren aangegeven. Inzonderheid het gebruik, dat daarvan was gemaakt voor de drukkerij, had vooral de binnenbetimmering in een zodanige toestand gebracht, dat grondige reparatie dringend nodig was, die op een bedrag van achtduizend gulden werd begroot. Het Koninklijk Besluit d.d. 3 november 1815, nr. 16 stelde het bedoelde gebouw ter dispositie van de minister van Justitie ten einde daarin de bureaus van het departement in te richten.
De hoofdzetel der werkzaamheden van het Departement van Justitie bleef te 's-Gravenhage gevestigd en in Brussel werd telkens zitting gehouden door de minister, geassisteerd door enige ambtenaren en bedienden uit 's-Gravenhage, waarmede dan het bureau te Brussel werd uitgebreid. De werkzaamheden te Brussel betroffen zaken, welke door dezelfde gewicht of uit hoofde van de spoed, waarmede zij moesten worden behandeld, of om enige andere uit de aard en het belang der zaak ontleende reden minder vatbaar waren om ter bewerking naar 's-Gravenhage te worden gezonden. Tijdens 's ministers verblijf te Brussel werden de werkzaamheden te 's-Gravenhage door de aldaar achtergebleven ambtenaren verricht onder leiding van de secretaris.
Op deze provisionele regelingen werden de werkzaamheden bij het Departement van Justitie verricht. Een besluit, waarbij deze definitief zijn geregeld, is niet gevonden. De heer Beth heeft daarom uit de correspondentie een globaal overzicht gegeven van de meest voorkomende ontwerpen, die aan dat departement werden behandeld
Zie ook de inleiding van J.C. Beth (Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 1814 dl. I, Bijlage IV), welke inleiding wel uitvoeriger die werkzaamheden opsomt, maar niet, wanneer de toestand zo was, en evenmin de bron, waaruit die opgave is afgeleid.
. Hoe de zaken zich aan dat departement hadden ontwikkeld, heeft de minister zoveel mogelijk getracht op een volledige wijze weer te geven door een beschrijving van de omvang der werkzaamheden en de wijze van uitvoering in een rapport aan de koning d.d. 22 september 1821, nr. 286. Dit rapport diende ter beantwoording der vragen, gesteld door de Staatscommissie, benoemd bij secreet besluit van de 1e augustus 1818 La. T.T., in het Koninklijk Besluit d.d. 31 juli 1821, nr. 67. Volgens dit rapport bestonden die werkzaamheden toen in de behandeling van de volgende onderwerpen:
Ten eerste zaken betrekkelijk een of ander punt van wetgeving, van civiele of criminele justitie, zaken tot de administratie der justitie in het algemeen en de correspondentie daarover met de rechterlijke autoriteiten, tot hetgeen raakt het werk der politie, de surveillance der vreemdelingen, het toezicht op de dagbladen en dergelijke zaken van algemene aangelegenheden. Voor de overige meest gewone objecten noemde het rapport:
- de verzoeken om gratie, remissies of commutatie van straffen;
- de verzoeken om dispensaties van wettelijke bepalingen;
- de verzoeken om benoemingen tot notaris of procureur;
- de verzoeken en voordrachten ter benoeming tot rechterlijke ambten, posten of bedieningen zowel burgerlijk als militair
De benoemingen van auditeurs-militair behoorden aan het Departement van Justitie ingevolge KB d.d. 26 augustus 1816, nr. 50.
;
- de verzoeken tot het bekomen van 'breven' van naturalisatie en tot kwijtschelding of vermindering der daartoe staande rechten;
- de verzoeken om surséance van betaling, procedures en executies, mitsgaders tot ratificatie van akkoorden, met schuldeisers aangegaan;
- de verzoeken om ontslag of conversie van fideicommissaire verbanden;
- de verzoeken om begeving of bekrachtiging der collatie van vicarieën, praebenden en andere beneficiën;
- het beheer der werk-, tucht- en spinhuizen en der gevangenissen in het algemeen;
- het beheer der comptabiliteit en het werk der betalingen.
In de bijlagen tot dat rapport geeft de minister nauwkeurig weer, hoe de werkzaamheden werden verricht. Onder het onmiddellijk bestuur van de secretaris werden de inkomende stukken gebracht op een algemeen register, hetwelk in verschillende rubrieken of respecten was ingedeeld. Dit register (agenda), dat kolomsgewijze was ingericht, bevatte behalve een aanwijzing van de dag van het inkomen en een doorlopend volgnummer, een omschrijving der stukken met de korte inhoud, de naam van de naam van de ambtenaar, die het ter bewerking kreeg, terwijl de laatste kolom bestemd was om aan te wijzen, welk gevolg aan de zaken is gegeven en onder welke dagtekening en nummers de stukken in het archief geborgen zijn, met verwijzing naar de vroegere en volgende desbetreffende stukken.
Voor het gemakkelijk terugvinden der in het algemeen register vermelde stukken, werd daarop ook onder leiding van de secretaris een alfabetische index op de namen en zaken gehouden.
Voor zover de bewerking en afdoening der stukken en de behandeling der zaken niet door de minister aan zich zelf wordt voorbehouden, wordt die bewerking, afdoening en behandeling opgedragen aan de secretaris, aan de referendaris der 1e klasse en aan de beide commissarissen, die, hetzij rechtstreeks met de minister, hetzij rechtstreeks met de secretaris in alle gevallen, waarin zulks dienstig kan zijn, te werk gaan, gelijk ook in zaken, welke van een bijzondere aard zijn, onmiddellijk met de minister wordt te rade gegaan.
Te Brussel was voortdurend een commies aanwezig ook inzonderheid voor vertaalwerk, die door zijn voormalige betrekking bij het gewezen commissariaat-generaal aldaar in staat was de minister behulpzaam te zijn en de nodige voorlichting te geven in Brusselse aangelegenheden.
Verder waren enige ambtenaren belast met de expeditie, terwijl aan een archivist speciaal was opgedragen om voor en aleer de bij hem van de expediteur ontvangen stukken in het archief te rangschikken, de bij die stukken behorende bijlagen aan elkaar te bevestigen en toe te zien, dat geen stukken werden gelicht dan door de daartoe bevoegde ambtenaar tegen reçu. Het financieel beheer werd gevoerd door één commissaris, één commies en zes klerken, die verschillende registers hebben gehouden.
Aldus is in het kort weergegeven de algemene wijze van werken aan het departement, zoals die blijkt uit het bovengenoemde rapport van de minister d.d. 22 september 1821 nr. 286. De volgende besluiten hebben nadien nog wijziging in de werkzaamheden van het departement gebracht en reorganisatie ten gevolge gehad. Helaas is het dossier betreffende het Departement van Justitie
Oud dossiernr. 106.
niet bij de overname aangetroffen. Pogingen om het alsnog op het departement te vinden hebben gefaald, zodat het dus mogelijk is, dat enkele wijzigingen niet zijn vermeld.
Bij Koninklijk Besluit van 17 september 1823, nr. 12 werd het beheer over de gevangenissen, met ingang van 15 oktober daaraanvolgend opgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat.
Ingevolge Koninklijk Besluit d.d. 4 september 1823, nr. 7, waarbij de inrichting der bureaus van alle Departementen van Algemeen Bestuur opnieuw werd geregeld en voorschriften werden gegeven omtrent de behandeling der zaken, het aanleggen en bijhouden van agenda's enz., had op 1 december 1823 een reorganisatie der administratie aan het Departement van Justitie plaats.
Bij Koninklijk Besluit d.d. 30 maart 1826, nr. 101 is met ingang van 1 april daaraanvolgend het werk der vicarieën, kanonisiën, praebenden en dergelijke beneficiën, dat bij Koninklijk Besluit 3 november 1815, nr. 25 van het Departement van Binnenlandse Zaken was overgenomen, weer daarheen teruggebracht.
De administratie van de Nationale Nijverheid werd bij Koninklijk Besluit d.d. 4 februari 1841, nr. 101 opgeheven en de behandeling der zaken over verschillende departementen verdeeld. Het Departement van Justitie ontving het beheer over de naamloze vennootschappen.
Het beheer over de gevangenissen is bij Koninklijk Besluit d.d. 25 mei 1842, nr. 98 wederom van Binnenlandse Zaken aan het Departement van Justitie overgegaan.
De algemene of rijkspolitie werd bij Koninklijk Besluit d.d. 17 december 1851 (Staatsblad nr. 166) met ingang van 1 januari 1852 onder het oppertoezicht op de uitvoering der Wet op de kerkgenootschappen van 10 september 1853 (Staatsblad nr. 102) aan deze minister werd opgedragen.
Bij Koninklijk Besluit d.d. 8 augustus 1856, nr. 54 werd het beheer over de jacht en visserij van Binnenlandse Zaken overgebracht naar het Departement van Justitie met ingang van 1 januari 1857. De ambtenaren, die die zaken tot die tijd hadden behandeld, werden mede overgeplaatst.
De zaken betreffende de adelstand werden bij Koninklijk Besluit van 6 juli 1859, nr. 46 m.i.v. 1 januari 1860 van het Departement van Binnenlandse Zaken overgenomen en de Hoge Raad van Adel in gelijke betrekking gebracht tot de minister van Justitie, als dat college voor die tijd tot de minister van Binnenlandse Zaken had gestaan.
Ook is de minister van Justitie tussen 1862 en 1870 met het beheer van de erediensten belast geweest, doch die administratie is afzonderlijk gehouden en in de inventarisatie erediensten
Inventaris 2.07.01.
opgenomen, waar in de inleiding ook de juiste gang van zaken tot 1870 is beschreven.
Tot bij Koninklijk Besluit d.d. 29 oktober 1870 (Staatsblad nr. 173) met ingang van 1 januari 1871 die departementen geheel werden opgeheven, kwam de uitvoering en toepassing van de bepalingen ten aanzien van alle kerken, godsdienstige gestichten en kerkelijke instellingen van weldadigheid aan het Departement van Justitie, terwijl de uitvoering der financiële bepalingen aan dat van Financiën werd opgedragen.
Nog werd bij Koninklijk Besluit d.d. 22 december 1863 (Staatsblad nr. 149) aan de minister van Justitie de zorg voor de uitgave van het Staatsblad opgedragen terwijl bij Koninklijk Besluit d.d. 10 september 1874, nr. 14 het beheer van de bedelaarsgestichten te Ommerschans en Veenhuizen van het Departement van Binnenlandse Zaken werd overgenomen.
Bij deze inleiding is een zeer dankbaar gebruik gemaakt van de inleiding, door J.C. Beth gegeven bij zijn 'inventaris van archief, overgenomen van het Departement van Justitie 1813-1830' (Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven 1914, dl. I, bijlage IV).