Geschiedenis van de archiefvormer
Sjarif Hamid Alkadrie werd op 12 juli 1913 geboren te Pontianak in West-Borneo, als zoon van sultan Mohammed II en Jamilah Sharwani. Bevreesd als de sultan was voor het leven van zijn zoon - hij vermoedde dat een oudere zoon door vergiftiging was omgebracht - vertrouwde hij de opvoeding van Hamid toe aan twee Britse dames die in Pontianak op doorreis waren naar hun woonplaats Singapore. Zijn eerste levensjaren bracht Hamid door in deze stadstaat, waar hij van zijn gouvernantes een christelijke opvoeding kreeg. Zij gaven hem de koosnaam ‘Moos’, naar Mozes, die ook als baby in het geniep was vervoerd om elders te worden grootgebracht. Eenmaal verhuisd naar Java veranderde Hamid deze naam zelf in ‘Max’, de roepnaam die hij de rest van zijn leven zou dragen – en vanwege zijn opvallende, ietwat dandyachtige voorkomen soms werd aangevuld tot ‘mooie Max’. Hamid bezocht de lagere school in meerdere plaatsen op Java, waaronder Bandung, waar hij ook de HBS doorliep. In Bandung studeerde hij vervolgens één jaar aan de Technische Hoogeschool, een periode waarin hij als kostganger bij een Nederlands gezin vloeiend Nederlands leerde spreken.
In 1933 vertrok Hamid naar Nederland om aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda een opleiding te volgen tot beroepsofficier bij de infanterie in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Op de boot naar Nederland ontmoette hij Didi van Delden, die op weg was naar Nederland om daar de HBS af te ronden. Na haar eindexamen verloofden zij zich, waarna Didi terugkeerde naar Malang, Oost-Java. Toen Hamid na voltooiing van zijn opleiding en zijn beëdiging tot tweede luitenant in 1936 zelf zijn standplaats mocht bepalen - zoals destijds gebruikelijk - koos hij voor Malang. Hamid en Didi trouwden aldaar in 1938 en kregen twee kinderen (Edith, geboren 1939 en Max jr., geboren 1942).
Dankzij zijn afkomst was Hamid tijdens zijn verblijf in Nederland geen doorsneestudent geweest. Zo ontving en aanvaardde hij, als sultanszoon, in 1934 de uitnodiging om de begrafenisplechtigheid van koningin Emma bij te wonen.
In 1939 werd Hamid bevorderd tot eerste luitenant in het KNIL. Eind 1941 volgde zijn overplaatsing naar Balikpapan, Oost-Borneo, waar hij verbleef toen Japan in december van dat jaar Indonesië inviel en bezette. Vanwege een verwonding aan zijn been werd Hamid geëvacueerd naar Java, waar hij na de overgave van Indonesië in maart 1942 krijgsgevangene werd gemaakt en tot de capitulatie van Japan in augustus 1945 op verschillende locaties vastzat, het laatst te Bandung. De Japanners gebruikten de interneringskampen om de Europeanen van de Aziaten te isoleren; hoewel het Hamid als militair van Indonesische komaf daarom vrijstond het kamp al snel weer te verlaten, koos hij er desgevraagd zelf voor om in krijgsgevangenschap te blijven, met als reden dat hij trouw had gezworen aan de koningin.
De Tweede Wereldoorlog liet diepe sporen na in de levens van Hamid en Didi. Hamids vader werd door de bezetter doodgemarteld en zijn drie broers door hen onthoofd. Kort na de oorlog verzocht H.J. van Mook, luitenant-gouverneur-generaal van Nederlands Indië, Hamid als enig overgebleven zoon om zijn vader op te volgen als sultan. Hij besloot de troon te aanvaarden en werd in oktober 1945 geïnstalleerd als sultan Hamid II van Pontianak. Bij het verzoek van de Nederlandse regering speelden politieke motieven een belangrijke rol, die alles te maken hadden met het Indonesische streven naar onafhankelijkheid. Het tijdens de Japanse bezetting sterk gegroeide nationalisme had direct na de oorlog een hoogtepunt bereikt toen Soekarno op 17 augustus 1945 eenzijdig de Republiek Indonesië had uitgeroepen. Het daaropvolgende conflict tussen Nederland en de Republiek leidde tot een telkens oplaaiende oorlog, afgewisseld met periodes van intensieve diplomatieke onderhandelingen.
In haar streven Nederlands-Indië te behouden als deel van het koninkrijk, ging de Nederlandse regering op zoek naar medestanders die tegenwicht konden bieden aan de Republikeinse strijd voor een Indonesische eenheidsstaat. Als voorstander van een federaal Indonesië, met bovendien een westerse oriëntatie en nauwe banden met Nederland, werd Hamid als belangrijke pion gezien om de Nederlandse belangen te verdedigen en de nationalisten de wind uit de zeilen te nemen. Hamid zou zelf overigens altijd benadrukken dat hij óók nationalist was, hetgeen zijns inziens niet strijdig was met zijn pleidooi voor blijvende autonomie van de verschillende Indonesische deelgebieden, noch met zijn standpunt dat Indonesië zich nooit geheel van Nederland zou moeten losmaken gezien de in de loop der eeuwen ontstane verstrengeling tussen beide landen.
Spoedig na zijn aantreden als sultan werd Hamid betrokken in de door Van Mook gestarte deelstatenpolitiek, die tot doel had een federale staat van Indonesië te maken. In 1946 vond in Nederland een eerste overleg plaats over de toekomst van Indonesië (de Hoge Veluwe-conferentie), waarbij naast een Republikeinse delegatie ook Van Mook aanwezig was, met Hamid als één van zijn adviseurs. In het vervolg bleef Hamid actief betrokken bij het diplomatiek overleg over de staatkundige toekomst van Indonesië, dat een einde moesten maken aan het zich enkele jaren voortslepende Indonesisch-Nederlandse conflict.
Bij het bezoek aan Nederland in 1946 was Hamid nog een eervolle functie ten deel gevallen. Tijdens een ontvangst door koningin Wilhelmina bleek zij op de hoogte van de uitspraak die Hamid had gedaan toen de Japanners hem tijdens zijn krijgsgevangenschap de vrijheid aanboden. Mede op verzoek van hofarts Han Boom, een goede bekende van Didi, werd Hamid daarop in april 1946 benoemd tot adjudant in buitengewone dienst van Hare Majesteit de Koningin.
In de zomer van 1947 ging Nederland voor de eerste keer tijdens het conflict over tot grootschalig militair ingrijpen - eufemistisch betiteld als ‘politionele actie’ - gericht tegen Soekarno’s Republiek Indonesië. De Verenigde Naties veroordeelden de Nederlandse agressie. Op verzoek van de Nederlandse regering ondernam Hamid daarop een diplomatieke missie naar de V.S. om steun te vergaren voor de ‘federale zaak’, als alternatief voor de door de Republiek nagestreefde eenheidsstaat. De Indonesische delegatie, naast sultan Hamid namens West-Borneo bestaande uit vertegenwoordigers van Oost-Indonesië, probeerde tevergeefs toegang te krijgen tot zittingen van de VN-Veiligheidsraad, zodat het gezelschap veroordeeld was tot de publieke tribune. De Indonesische kwestie stond niettemin hoog op de agenda van de Veiligheidsraad en leidde in augustus 1947 tot een trits aan resoluties. Vanuit de V.S. reisde Hamid, na tussenstops in Nederland (ontmoetingen met de koningin en prins Bernhard) en Londen (ontmoetingen met Churchill en Ernest Bevin), door naar Saoedi-Arabië, om ook daar aandacht te vragen voor de Indonesische kwestie en als federalist tegenwicht te bieden aan de propaganda die het Republikeinse kamp maakte in de Arabische wereld.
In 1947 werd Hamid hoofd (kepala) van het dat jaar door Nederland erkende speciale deelgebied West-Borneo (DIKB: Daerah Istimewa Kalimantan Barat) en voorzitter van de West-Borneo Raad. In de tussentijd was Hamid ook snel opgeklommen binnen het KNIL; na zijn promotie tot kolonel in 1948, werd hij ruim een jaar later reeds bevorderd tot generaal-majoor.
In juni 1948 was de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO) opgericht, waarin de niet tot de Republiek (Java en Sumatra) behorende, federaalgezinde Indonesische deelgebieden waren vertegenwoordigd. Aan het eind van 1948 werd sultan Hamid benoemd tot voorzitter van dit overlegorgaan. In de loop van 1949 veranderde Hamid zijn politieke koers enigszins en ging hij zich meer richten op samenwerking met de Republiek. De verhoudingen binnen de BFO kwamen zó te liggen dat zij zich ontwikkelde tot pleitbezorger van onafhankelijkheid en verbroedering tussen Republikeinse en ‘federale’ Indonesische nationalisten. Hierop werd de BFO weer betrokken bij de besprekingen tussen Nederland en de Republiek, na hier voordien een tijd buiten te zijn gehouden. In oktober 1949 nam Hamid als voorzitter van de BFO-delegatie deel aan de Rondetafelconferentie in Den Haag, waar de onderhandelingen in de eindfase belandden en de soevereiniteitsoverdracht werd voorbereid. Deze vond uiteindelijk plaats op 27 december 1949 in Amsterdam, waarbij Hamid aanwezig was als vertegenwoordiger van de Federalisten.
Reeds kort vóór de soevereiniteitsoverdracht was de eerste regering van het onafhankelijke Indonesië geïnstalleerd, waarbij Hamid was aangetreden als minister zonder portefeuille. De nieuwe staat kreeg de naam Verenigde Staten van Indonesië, naar het scheen een duidelijke nederlaag voor de Republiek. Die ‘nederlaag’ bestond echter slechts op papier, zo bleek toen Soekarno het woord ‘Serikat’ (Verenigd) kort na de onafhankelijkheid schrapte uit de overeenkomst, waarna de weg vrij lag om de deelstaten te incorporeren in de centraal bestuurde Republiek Indonesië. Als minister zonder portefeuille bekleedde Hamid hierin een weinig invloedrijke positie. Wel ontwierp hij tijdens het korte bestaan van de Verenigde Staten van Indonesië het wapen van Indonesië (Garuda Pancasila), inclusief het motto Bhinneka Tunggal Ika (‘eenheid in verscheidenheid’). Dit wapen met bijbehorende spreuk werd gehandhaafd bij de overgang naar de Indonesische eenheidsstaat later in 1950 en vormt nog altijd een belangrijk nationaal symbool van Indonesië.
Eind jaren veertig ondervond sultan Hamid toenemend wantrouwen en vijandigheid van politieke tegenstanders, mede vanwege zijn bereidheid tot samenwerking met Nederland en zijn genegenheid voor het Nederlandse koningshuis. De weerstand kwam vooral van het pro-Republikeinse kamp buiten West-Borneo, maar wat ook meespeelde is dat het Nationaal Indonesisch leger (TNI, het leger van de Republiek Indonesië) na de soevereiniteitsoverdracht steeds actiever werd in West-Borneo, waarschijnlijk aangestuurd vanuit Java. De politieke gisting en persoonlijke vijandschap bereikten een kookpunt toen bleek dat soldaten van het TNI een (uiteindelijk verijdelde) staatsgreep hadden beraamd, waarbij zij het voorzien hadden op het leven van Hamid en zijn gezin. De levensbedreigende situatie in Indonesië was voor Didi reden om na de soevereiniteitsoverdracht met de kinderen achter te blijven in Nederland. Terug in Indonesië deed Hamid tevergeefs een beroep op de Nederlandse regering, waarna hij zich ten einde raad per brief tot koningin Juliana zelf wendde met een verzoek om met ‘persoonlijke hulp en bijstand’ het afglijden van Indonesië een halt toe te roepen. Volgens Hamids zoon was het uitlekken van deze brief naar de Republikeinen de werkelijke reden voor het lot dat Hamid niet lang daarna zou treffen.
In 1950 nam Hamids leven namelijk een dramatische wending, formeel vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de mislukte staatsgreep in Indonesië van Raymond Westerling, voormalig kapitein van het Korps Speciale Troepen (KST) van het KNIL. In de nacht van 4 op 5 april werd Hamid van zijn bed gelicht en gevankelijk afgevoerd op verdenking van hoogverraad. Hij werd ervan beschuldigd medeplichtig te zijn, of zelfs dat hij de kwade genius was en Westerling slechts de uitvoerder van het plan. Westerling had Hamid in de periode daarvoor weliswaar enkele malen bezocht en verzocht om zich bij hem aan te sluiten, maar Hamid had elke vorm van samenwerking stellig van de hand gewezen.
Hamids berechting volgde pas in 1953, toen hij tijdens een showproces in Jakarta tot een gevangenisstraf van tien jaar werd veroordeeld. Met aftrek van voorarrest kwam hij na nog vijf jaar detentie vervroegd vrij dankzij goed gedrag.
Na zijn vrijlating in 1958 volgde een kortstondige hereniging met Didi en de kinderen in Nederland, waarna Hamid nog in hetzelfde jaar terugkeerde naar Indonesië. Hij zou echter nooit terugkeren als sultan - die titel met bijbehorende rechten was hem bij zijn arrestatie in 1950 ontnomen. Ook na acht jaar gevangenschap, waarin hij het vertikte om zelf een gratieverzoek in te dienen, bleef Hamid onwankelbaar in zijn opvattingen. Zo volhardde hij in zijn overtuiging dat de federale staatsvorm voor Indonesië te verkiezen was boven de eenheidsstaat, vooral vanwege de reusachtige omvang van het land en de grote verscheidenheid aan culturen.
In 1962 werd Hamid opnieuw gearresteerd en zonder vorm van proces gevangengezet in Madiun, tezamen met Anak Agung (voormalig lid van de BFO) en de prominente Republikeinen Mohamad Roem (na de soevereiniteitsoverdracht de eerste gezant van de Republiek Indonesië in Den Haag) en Soetan Sjahrir (in 1945 de eerste premier van Indonesië). Een aanklacht ontbrak, maar het staat buiten kijf dat de gevangenneming te maken had met het protest tegen de in 1957 door Soekarno ingevoerde ‘geleide democratie’, een regeringsvorm die volgens tegenstanders neerkwam op een verkapte dictatuur. De politieke gevangenen kwamen vrij in oktober 1965, enkele maanden nadat Soeharto de macht had overgenomen. Na zijn vrijlating werd Hamid officieel onder ‘stadsarrest’ geplaatst, wat inhield dat hij toestemming moest vragen om de stad te verlaten. In de praktijk zaten er in deze periode echter maar weinig beperkingen aan zijn bewegingsvrijheid. In totaal heeft Hamid, inclusief krijgsgevangenschap, zestien jaar van zijn leven in gevangenschap doorgebracht.
In 1967 werd Hamid president-commissaris van de luchtvaartmaatschappij Schreiner in Jakarta, de stad waar hij tot aan zijn dood in 1978 zou blijven wonen.
Dina van Delden (roepnaam Didi) werd geboren op 5 januari 1915 in Soerabaja (Oost-Java), waar haar ouders een koffie- en theeplantage hadden. Na de HBS in Nederland en haar huwelijk met Hamid Alkadrie in 1938 in Malang, kreeg het jonge echtpaar twee kinderen. Kort daarop bereikte de Tweede Wereldoorlog Indonesië. Terwijl Hamid in krijgsgevangenschap zat, bracht Didi de jaren van de Japanse bezetting (1942-1945) met hun twee jonge kinderen door buiten het kamp. Na de bevrijding zette Didi zich in Pontianak in als sociaal werkster en was zij actief betrokken bij de oprichting van een aantal schooltjes en een ziekenhuis aldaar. In 1949 vertrok zij uit veiligheidsoverwegingen met de kinderen naar Nederland, waar zij zich vestigden in Den Haag. Tijdens Hamids gevangenschap reisde Didi enkele keren naar Indonesië om hem te bezoeken in de gevangenis, met alle risico’s van dien. Ook toen Hamid, na weer een periode van gevangenschap, in 1965 in Jakarta neerstreek, bleven Didi en de kinderen in Nederland wonen. Didi Alkadrie-van Delden overleed in 2010 te Den Haag.