Geschiedenis van de archiefvormer
Willem Drees
De toevoeging jr. is in deze toegang zoveel mogelijk vermeden en alleen gebruikt waar verwarring met W. Drees sr. op de loer ligt.
(1922-1998) was de jongste zoon van de sociaaldemocratisch politicus Willem Drees en Catharina Drees-Hent, die voordat het gezin naar Den Haag verhuisde onderwijzeres was in Amsterdam. Willem groeide op in Den Haag, waar hij het gymnasium (bèta) volgde aan het Gymnasium Haganum.
In 1940 koos Drees voor een studie economie aan de Nederlandse Economische Hogeschool (NEH) te Rotterdam, waar hij in 1942 cum laude zijn kandidaats haalde. Aan de NEH, die meer dan andere economiefaculteiten gericht was op overheidsfinanciën, liep hij college bij onder anderen Jan Tinbergen en Pieter Lieftinck - met beiden zou hij later in zijn loopbaan nog te maken krijgen. Via vrienden van het gymnasium en het dispuut waar hij lid van was, raakte Drees betrokken bij het verzet in Den Haag en omstreken tegen de Duitse bezetter. Hij zocht werk als ambtenaar in de distributie en werd onderdeel van een netwerk dat onderduikers aan (valse) persoonsbewijzen, distributiestamkaarten en bonkaarten hielp. In 1944 werd Drees gearresteerd toen hij het huis bezocht van een vriend uit de illegaliteit die door de Duitsers was ontmaskerd. Hij zat vast in Vught, maar kwam na koelbloedig ontkennen en een beroep op zijn broze gezondheid (suikerziekte) snel weer op vrije voeten.
Kort na de bevrijding maakte Drees kennis met Anna Erica (Erica) Gescher, medicijnenstudente te Leiden en telg uit de ondernemersfamilie achter het meubelbedrijf Gescher en Kemper. Zij trouwden in februari 1947 en kregen vijf kinderen. Eind 1945 was Drees, na een verzoek van Tinbergen, terechtgekomen bij het nieuw opgerichte Centraal Planbureau (CPB). In 1947 kreeg hij de kans om aan de slag te gaan bij het eveneens nieuwe Internationaal Monetair Fonds (IMF) in Washington, waar G.W.J. Bruins directeur was. Ter voorbereiding op zijn functie bij de Indonesian Desk van het IMF moest Drees eerst een aantal maanden ervaring opdoen in, toen nog, Nederlands-Indië, dat roerige tijden doormaakte op weg naar de onafhankelijkheid. Na drie jaar Washington keerde hij met zijn gezin terug naar Indonesië, ditmaal als hoofd Financiën van het Nederlandse Hoge Commissariaat (een soort ambassade).
In 1953 werd Drees teruggeroepen uit Jakarta om leiding te geven aan de afdeling Multilaterale Betrekkingen op het ministerie van Financiën. Na nog een jaar als adjunct-directeur van het CPB werd hij in 1956 directeur van de Rijksbegroting, een ambt dat naadloos aansloot bij zijn belangstelling en expertise. Drees kon zich nu dagelijks bezighouden met materie waarop hij kort tevoren (in 1955) was gepromoveerd aan de NEH. In 1963 werd hij hier voor één dag in de week aangesteld als buitengewoon hoogleraar in de openbare financiën. In 1968 stond Drees aan de wieg van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO) en haar tijdschrift
Openbare Uitgaven
.
In 2002 fuseerde het IOO met de Nederlandse Vereniging voor Openbare Financiën (NVOF) tot Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën. In 2017 is het vermogen en archief van deze stichting overgegaan naar de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, waar het Wim Dreesfonds is gevormd.
Na een korte periode als thesaurier-generaal liet Drees zich begin 1971 verleiden tot een overstap naar de politiek. Hij was jarenlang actief lid geweest van de Partij van de Arbeid, maar bij hem en veel partijgenoten werd de onvrede over de koers eind jaren ’60 zo groot dat zij de partij de rug toekeerden. Onder leiding van A. (Jan) van Stuijvenberg sloten diverse lokale splintergroeperingen zich aaneen tot een nieuwe landelijke partij: Democratisch Socialisten 1970, kortweg DS’70. Op de partijraad van 30 januari 1971 werd Drees aangewezen als lijsttrekker, kort nadat hij daartoe was afgezwaaid als ambtenaar. Bij de verkiezingen op 28 april behaalde DS’70 acht zetels. De partij ging meeregeren en Drees werd naar voren geschoven voor een ministerpost, hoewel hij zelf de voorkeur gaf aan het Kamerlidmaatschap. Als minister van Verkeer en Waterstaat in het kabinet-Biesheuvel I hield Drees de op zijn terrein gemaakte afspraken uit het regeerakkoord goed in het oog, onder meer met betrekking tot een Algemeen Verkeersfonds. Toen R.J. Nelissen van Financiën, tegen de afspraak, uitgaven voor infrastructuur en voor tekorten van het openbaar vervoer wilde samenvoegen, hield Drees zijn poot stijf; na enige concessies leidde een volgens hem onuitvoerbaar ‘eindvoorstel’ van Biesheuvel in juli 1972 tot een breuk in het kabinet en uiteindelijk het aftreden van de vier bewindslieden van DS’70. Na de vervroegde verkiezingen in november 1972, waarbij DS’70 zes zetels haalde, werd Drees tot fractievoorzitter gekozen en nam hij zitting in de Tweede Kamer. Vanaf september 1974 zat hij namens DS’70 een jaar in de gemeenteraad van Den Haag. Toen DS’70 bij de Tweede Kamerverkiezingen van 25 mei 1977 nog maar één zetel haalde, was dit voor Drees aanleiding de politiek vaarwel te zeggen.
DS’70 onderscheidde zich van begin af aan met een duidelijk eigen geluid: trouw aan de NAVO; vóór selectief autogebruik en duurder parkeren; met zorg voor natuur, milieu en ruimtelijke ordening; vóór het profijtbeginsel (de begunstigde/gebruiker betaalt) en het terugdringen van (indirecte) subsidies (zoals lage collegegelden); vóór een sober uitkeringsbeleid en bestrijden van uitkeringsfraude; kritisch op de onevenredige invloed van belangengroepen ten opzichte van het algemeen belang; tegen de onbegrensde toelating van Surinamers in Nederland omtrent de onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Over al deze thema’s had Drees een uitgesproken standpunt, dat hij ook na zijn politieke carrière bleef uitdragen in inleidingen en publicaties.
Na zijn vertrek uit de politiek zette Drees zijn zinnen op een baan bij de Algemene Rekenkamer, ook omdat hij wist dat hier op korte termijn een (zeldzame) vacature zou vrijkomen. Hier werkte hij tot aan zijn vervroegd pensioen in 1984.
Drees hield zich in de jaren ’80 en ’90 intensief bezig met de Algemene Ouderdomswet (AOW). In 1986-1987 was hij voorzitter van de commissie die zich boog over de toekomst van deze oudedagsvoorziening, die onlosmakelijk verbonden is met de naam en reputatie van zijn vader - Drees jr. werd, bij andermans vergissing, niet moe erop te wijzen dat niet zijn vader maar J.G. Suurhoff de AOW tot stand had gebracht - Drees sr. voerde de Noodwet Ouderdomsvoorziening in, die in 1957 werd vervangen door de AOW.
Dergelijke precisie was kenmerkend voor Drees. Hij reageerde, al dan niet met een ingezonden brief of artikel, regelmatig op (zijns inziens) incorrecte of onzorgvuldige uitlatingen van anderen. Daarbij hechtte hij veel belang aan bewust en accuraat gebruik van termen (bijvoorbeeld ‘bezetting’ in plaats van ‘oorlog’ met betrekking tot de situatie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog).
Drees was een veelgevraagd spreker en schreef regelmatig artikelen, voor zowel vak- als dag- en weekbladen. Daarnaast publiceerde hij enkele boeken, waaronder
Ontwrichting: Budgettaire chaos van Nelissen tot Kok
(1995). Hij schreef, op verzoek, tevens zijn memoires, die postuum werden uitgebracht onder de titel
Gespiegeld in de tijd: de nagelaten autobiografie
.
De toevoeging ‘jr.’ achter zijn naam of bijnamen als ‘de jonge Drees’ zou hij nooit helemaal kwijtraken. Zijn frequente gepikeerde reacties op zulke aanduidingen, zij het vaak met een kwinkslag, lijken een aanwijzing dat hij de schaduw van zijn gelijknamige vader op zijn minst ten dele als een last ervoer.
| Datum | Gebeurtenis |
Levensloop in jaartallen
| 1922 |
geboren te Den Haag, 24 december |
| 1928-1934 |
Openbare school voor gewoon lager onderwijs, Den Haag |
| 1934-1940 |
Gymnasium Haganum (gymnasium bèta), Den Haag |
| 1940-1946 |
studie economie aan de Nederlandse Economische Hogeschool (NEH), Rotterdam |
| 1942-1945 |
actief in het verzet, onder meer als ambtenaar in de distributie |
| 1945-1947 |
hoofdcommies afdeling Globaal Plan, Centraal Planbureau |
| 1947 |
huwelijk met Anna Erica Grescher |
| 1947-1950 |
econoom bij het IMF: eerst
Indonesian Desk
, na opheffing daarvan op de afdeling Brits Gemenebest |
| 1950-1953 |
hoofd Financiële Zaken (financieel raad), Hoge Commissariaat te Jakarta |
| 1953-1954 |
hoofd afdeling Multilaterale Betrekkingen, ministerie van Financiën |
| 1955 |
promotie in de economische wetenschappen aan de NEH |
| 1955-1956 |
adjunct-directeur, Centraal Planbureau |
| 1955-1969 |
lid van het curatorium van de Wiardi Beckman Stichting |
| 1956-1969 |
directeur Rijksbegroting, ministerie van Financiën |
| 1963-1971 |
buitengewoon hoogleraar openbare financiën, Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam |
| 1969-1971 |
thesaurier-generaal, ministerie van Financiën |
| 1971 |
lijsttrekker voor DS’70 |
| 1971 jul-1972 jul |
minister van Verkeer en Waterstaat |
| 1972-1977 |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor DS’70 |
| 1973-1977 |
fractievoorzitter DS'70, Tweede Kamer der Staten-Generaal |
| 1974-1975 |
lid gemeenteraad van Den Haag voor DS'70 |
| 1977-1984 |
lid Algemene Rekenkamer |
| 1980-1992 |
directeur bij Geska en Geska Onroerend Goed BV, onderdeel van meubelbedrijf Gescher en Kemper |
| 1986-1987 |
voorzitter van de Commissie Financiering Oudedagsvoorziening |
| 1991-1992 |
huwelijk, respectievelijk breuk met Noor Voorhoeve |
| 1998 |
overleden te Den Haag, 5 september |