Verantwoording van de bewerking
Het dossierarchief van het ministerie van Koloniën is door de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) bewerkt in het kader van het meerjarenconvenant afgesloten op 29 september 1994 tussen de Rijksarchiefdienst, het ministerie van Binnenlandse Zaken en de CAS. De bewerking vond plaats bij de CAS in Winschoten in de periode september 1996 tot april 1997. Aan dit project werkten mee:
- O. Bos als verantwoordelijk teamleider;
- A.B. van der Ploeg als opsteller eindproductbepaling.
De selectie werd uitgevoerd door de volgende analisten:
- M. Broesder;
- J. Brouwer;
- M. Doeve-van Rijkom;
- M. Jager;
- A.T. Nanninga.
Van het Algemeen Rijksarchief was drs. H.A.J. van Schie van de afdeling Dienstverlening bij de bewerking betrokken. Het archief werd in tien blokken aangeboden, n.l.:
| blok 1 |
Dossierarchief openbaar, 1945-1963. Dozen B1-2191, studiebeurzen 1-9 en invordering 1-25, omvang c. 207 m1. |
| blok 2 |
Dossierarchief geheim, 1945-1963. Dozen T1-615, met twee kaartenbakken, omvang c. 59 m1. |
| blok 3 |
A-dossiers, c. 1900-1940. Dozen A1-156 en 159-166, omvang c. 20,5 m1. |
| blok 4 |
AG-dossiers, c. 1900-1940. Dozen A157-158, omvang 0,25 m1. |
| blok 5 |
K-dossiers, 1950-1959. Dozen 1-71, omvang c. 7,4 m1. |
| blok 6 |
Bureau Bevoorrading, 1950-1962. Dozen N1-844, omvang c. 64 m1. |
| blok 7 |
Bureau afwikkelingszaken Nieuw Guinea, 1963-1965. Ongenummerde doos, omvang c. 0,1 m1. |
| blok 8 |
Personeelsdossiers ministerie en Bronbeek, 1950-1962. Dozen II1-28, omvang c. 2,6 m1. |
| blok 9 |
Toegangen. Ongenummerde registers, geheime indicateurs A838-844 en kaartsysteem, omvang c. 7,75 m1 en 20 ladenbakjes. |
| blok 10 |
Dossiers South Pacific Commission, 1947-1963. Dozen P1-90, omvang c. 11,5 m1. |
De blokken 1-4 bevatten de gewone en geheime dossiers. Blok 5 bevat archiefbescheiden die grotendeels oorspronkelijk uit blok 1 of blok 2 afkomstig zijn maar bij de instelling van het Kabinet van de Vice-Minister-President in 1959 daar naartoe zijn overgebracht. Tijdens de bewerking van het archief van het Kabinet zijn deze bescheiden als vreemd archief afgescheiden. De blokken 6 en 8 zijn onderdeel van het dossierarchief maar zijn destijds vanuit praktische overwegingen afzonderlijk geborgen geweest. Blok 7 sluit qua nummering en inhoud aan bij de dossierserie in blok 1 en is om die reden bij de bewerking betrokken. Tot blok 9 worden gerekend de dossierregisters, de indicateurs (moederbladen van het fiche-doorschrijfsysteem), de dossierfiches op archiefcode geordend en het registratuurplan. En blok 10 tenslotte bestaat uit de dossiers betreffende de South Pacific Commission (SPC).
De fysieke plaatsing van de archiefbestanddelen werd bepaald door de oorspronkelijke serie en het oorspronkelijke dossiernummer. De volgorde van de series is: A-dossiers 1900-1940 (blok 3), AG-dossiers 1900-1940 (blok 4), openbaar 1945-1963 (blok 1 en 7), SPC-dossiers 1947-1963 (blok 10) en geheim 1945-1963 (blok 2). Aan het eind van de bewerking waren er dus vijf series. De voor bewaring aangewezen toegangen uit blok 9 werden vóór de series dossiers geplaatst.
Wanneer een dossier uit meerdere mappen bestond en dientengevolge een zodanige omvang had dat deze de inhoud van één standaardarchiefdoos te boven ging werd het dossier geborgen over meerdere dozen. De volgorde van de mappen binnen het dossier werd bepaald door het toegevoegde mapnummer.
Wanneer een dossier oorspronkelijk apart geborgen bijlagen had, zijn die bijlagen nu bij de dossiers geborgen waartoe zij behoren, tenzij de bijlagen een zodanig afwijkend formaat hadden dat zij niet in een standaardarchiefdoos geborgen konden worden. In een dergelijk geval werden de bijlagen fysiek achter het laatste dossier geborgen met behoud van de logische koppeling aan het dossier waartoe de bijlagen behoorden.
De materiële eenheden kregen een nieuw uniek nummer, beginnend bij 1 en doorlopend.
De beschrijvingen zijn geordend met behulp van het Registratuurplan van het Ministerie van Overzeese Rijksdelen. De aan de dossiers toegekende codegetallen waren bepalend. In geval van meervoudige codering werd de eerstgebruikte codering gebruikt.
De beschrijvingen van de dossiers uit de verschillende blokken worden bij elkaar gehouden, waarbij de volgorde van die bij elkaar gehouden beschrijvingen is: A, A-geheim, openbaar, geheim. Binnen de rubrieken zijn de beschrijvingen waar nodig per geografisch gebied in vaste volgorde (Nederland - Oost-Indië (Nederlands-Indië c.q. Indonesië -Nederlands Nieuw-Guinea) - West-Indië (Curaçao c.q. Nederlandse Antillen [evt. Aruba/Bonaire/Curaçao en Saba/Sint Eustatius/Sint Maarten] - Suriname) geclusterd. Binnen de al dan niet geclusterde rubrieken is de ordening van de bijeengehouden beschrijvingen chronologisch (de overall-datering van de bijeengehouden beschrijvingen is daarbij bepalend). Bij grote hoeveelheden beschrijvingen binnen een rubriek is de clustering d.m.v. subrubrieken gebeurd.
De beschrijvingen bestaan uit: inventarisnummer, redactionele aanduiding, inhoud (subject/correspondenten, onderwerp/zaak/handeling, object), datering en uiterlijke vorm. Indien de redactionele aanduiding en de uiterlijke vorm bestaan uit de woorden 'stukken betreffende' of 'dossier inzake', resp. '1 omslag ' of 'x omslagen', dan wel '1 pak' of 'x pakken' zijn deze weggelaten. De beschrijvingen hebben een nummering die correspondeert met de nummering van de materiële eenheden.
Wanneer een dossier uit meerdere materiële eenheden bestond, werden de onderscheidende kenmerken in de beschrijving opgenomen. Eventueel werden daartoe alle of de relevante tabopschriften uit een map overgenomen.
Wanneer de oorspronkelijke beschrijving van een dossier niet voldoende indicatie gaf over de inhoud van het dossier werd de beschrijving aangevuld met de tabopschriften uit het dossier. Het verschijnsel van niet voldoende informatie in de beschrijving deed zich voor bij 'dikke' mappen en wanneer er veel mappen per dossier waren.