In de zeventiende eeuw begint de VOC met de kolonisatie van de Indonesische archipel. Tot aan de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland een ijzeren greep op het gebied, dat door de kolonisators Nederlands-Indië wordt genoemd. Tijdens de Japanse bezetting (1941-1945) groeit de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging, onder leiding van Sukarno en Mohammed Hatta. Na ruim drie jaar bezetting van de Indonesische archipel, capituleert Japan op 15 augustus 1945. Twee dagen na de capitulatie roepen Sukarno en Hatta de Indonesische onafhankelijkheid uit. Nederland weigert de onafhankelijkheid te erkennen en de kolonie op te geven. In Indonesië breekt een revolutie uit, waarbij veel Nederlanders en nog veel meer Indonesiërs omkomen.
De internationale gemeenschap kijkt kritisch toe hoe Nederland reageert op de onafhankelijkheidsverklaring. Onder druk nemen Indonesische en Nederlandse delegaties plaats aan de onderhandelingstafel in het Javaanse bergdorp Linggajati. Daar tekenen zij op 15 november 1946 het akkoord van Linggajati. In dit akkoord erkent Nederland de macht van de Republik Indonesia op Java, Madura en Sumatra. De Indonesiërs stemmen in mee te werken aan de nog op te zetten Nederlands-Indonesische Unie, een Koninkrijksverband waarin de Verenigde Staten van Indonesië en Nederland (samen met Suriname, de toenmalige Nederlandse Antillen en het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea) verenigd moeten worden. De Verenigde Staten van Indonesië moeten volgens Nederland een federale republiek worden, bestaande uit de Republik Indonesia (Java, Sumatra en Madura) en de overige deelstaten. Nederland heeft belang bij deze constructie, omdat invloed uitoefenen op deze manier makkelijker gaat. Ook verschillende staten buiten de Republik Indonesia, zoals Indonesia Timur en Pasundan, zijn tegen eenwording van Indonesië en daarmee voor het creëren van de Verenigde Staten van Indonesië.
De Indonesische en Nederlandse onderhandelaren worden het eens over de tekst van het akkoord, maar naderhand blijkt toch dat conservatieve politici in Den Haag en de Indonesische strijdtroepen er andere interpretaties op na houden. Dit maakt dat het akkoord in de praktijk niet zoveel waard is als ten tijde van de ondertekening.
Ondanks het akkoord, vertrekken tussen 1946 en 1949 120.000 Nederlandse militairen naar Indonesië om te strijden voor behoud van de kolonie. Hierbij gebruikt Nederland structureel, excessief geweld. Militaire operaties die internationaal veel weerstand oproepen zijn die van 1947 en 1948. Onder druk van de VN breekt Nederland beide keren het offensief af. Nederland noemt deze aanvallen op de Republik Indonesia ‘politionele acties’. Deze benaming maakt duidelijk dat Nederland de Republik Indonesia nog steeds als Nederlands grondgebied ziet, waar een politiemacht kan worden ingezet. In de praktijk is er echter sprake van militair geweld en is het aangevallen gebied in het Akkoord van Linggajati al erkend als Indonesisch. De term is dus verhullend. De benaming ‘koloniale oorlog’ is inmiddels gebruikelijker.
Renville en Van Roijen-Roemverklaring (1948 en 1949)
Tijdens de koloniale oorlog, is er constant sprake van internationale druk op Nederland. Onder die druk komen Nederland en de Republik Indonesia tussentijds nog tweemaal tot overeenstemming. In 1948 wordt op het schip de Renville een wapenstilstand ondertekend.
Begin 1949 spreekt de VN Veiligheidsraad uit dat uiterlijk 1 juli 1950 de volledige soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië moet plaatsvinden. Hierna wordt het Roem-van Roijenakkoord gesloten, waarin wordt afgesproken de strijd van beide kanten te staken, en de voorbereidingen te starten om tot een erkenning van de onafhankelijkheid te komen. Tijdens deze onderhandelingen benoemt de Indonesische onderhandelaar Mohamad Roem dat de Indonesische leiders dit doel willen bereiken door een rondetafelconferentie te houden.
Na maanden van gezamenlijke voorbereiding zijn de Republik Indonesia, Nederland en de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (een samenwerkingsverband van de overige deelstaten buiten de Republik Indonesia) het eens over het doel van deze conferentie. In het memorandum staat geformuleerd:
“zo spoedig mogelijk een rechtvaardige en blijvende oplossing van het Indonesische geschil te brengen door het verkrijgen van overeenstemming tussen de deelnemers over de weg tot en de wijze van overdracht van werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit aan de Verenigde Staten van Indonesië in overeenstemming met de Renville beginselen."
De Rondetafelconferentie vindt plaats tussen 23 augustus en 2 november 1949 in Den Haag.
Inzet van Nederland tijdens de conferentie is vooral behoud van invloed op Indonesië. De leiders van de Republik Indonesia, Mohammed Hatta en Sukarno, streven juist naar volledige onafhankelijkheid en keuzevrijheid. De leiders van de overige deelstaten wensen hun onafhankelijkheid te behouden binnen de op te richten Verenigde Staten van Indonesië.
Tijdens de afsluitende bijeenkomst van de conferentie, op 2 november 1949, neemt Mohammed Hatta als eerste het woord. In zijn voordracht benoemt hij dat deze laatste conferentiedag het moment is dat het einde markeert van het koloniale regime. Volgens het Nederlandstalige verslag zegt hij:
“Vandaag wordt officieel bekendgemaakt het einde van het koloniale regime en de geboorte van een nieuwe rechtsorde, die gebaseerd is op de “pantja sila” (de z.g. vijf grondbeginselen). Vier jaar lang heeft de Republiek Indonesia gestreden, ten einde deze basis als levensbeginsel voor het volk van Indonesia erkend te krijgen, en vandaag wordt het slagen van dit streven officieel vastgelegd. De Republik Indonesia Serikat zal gegrondvest zijn op de erkenning van de Goddelijke Almacht, van humaniteit, nationaal besef, democratie en sociale rechtvaardigheid.”
De Pancasila (“pantja sila” in het verslag) vormt de basis van de Indonesische Grondwet. Al op 1 juni 1945 stelt Sukarno deze nationale ideologie voor, tijdens de door de Japanners bijeengeroepen Commissie ter Onderzoek van de Voorbereide Maatregelen voor de Onafhankelijkheid. De Pancasila moet volgens Sukarno bestaan uit de volgende 5 beginselen:
- Het behoren tot één staat (nationalisme)
- Het verbonden zijn met de gehele mensheid (internationalisme)
- Het streven naar consensus via overleg (democratie)
- Het billijk verdelen van de welvaart (sociale rechtvaardigheid)
- Het geloof in God (monotheïsme)
De term Pancasila is afkomstig uit het boeddhisme en slaat op de vijf morele principes van de gelovige.
In de decennia hierna is dit idee steeds veranderd en is het op veel verschillende manieren gebruikt in de politiek.
Hatta benadrukt de Indonesische onafhankelijkheid
Door te wijzen op de Pancasila die als fundament van de grondwet dient, benadrukt Hatta de onafhankelijkheid van Indonesië. Hatta ziet de Pancasila als een filosofie die volledig eigen is aan Indonesië en los staat van de Nederlandse overheersing.
Hoe Hatta vervolgt is ook veelzeggend:
“Op de grondslag van broederschap zal het Indonesische volk betrekkingen onderhouden met de andere volken op de wereld, opdat zulks wederkerig het geluk en de welvaart der volkeren zal verhogen. Het is ook met deze overtuiging, dat wij, volk van Indonesia, bereid zijn een Unie met Nederland aan te gaan, op basis van vrijwilligheid en gelijkheid.”
Hatta verwerpt hiermee het idee dat Indonesië gedwongen wordt tot de Nederlands-Indonesische Unie. Indonesië neemt hieraan deelt vanuit het ideologische fundament van de Pancasila. Het is een duidelijk statement om de conferentie mee af te sluiten.
Tijdens de conferentie komen de delegaties alleen voor de officiële openings- en slotzitting in een plenaire zitting bijeen. De eigenlijke werkzaamheden vinden in commissies en subcommissies plaats. Uiteindelijk resulteren de onderhandelingen in verschillende besluiten en documenten. De Soevereiniteitsoverdracht is uiteraard het belangrijkste document.
De delegaties besluiten tijdens de conferentie dat de Verenigde Staten van Indonesië zullen worden opgericht. Een jaar later worden zij echter alweer vervangen door de verenigde Republik Indonesia.
Ook een andere eis van Nederland wordt nooit werkelijkheid: de Nederlands-Indonesische Unie komt niet van de grond. Hoewel deze in 1950 formeel wordt opgericht, kwam er van een samenwerkingsverband niets terecht. In 1956 wordt de Unie formeel opgeheven.
Nederland draagt de soevereiniteit op 27 december 1949 over en erkent daarmee de Indonesische onafhankelijkheid. Wat Nederland lang ontkent is de datum van deze onafhankelijkheid. Pas in 2023 zegt toenmalig Minister-President Mark Rutte in de Tweede Kamer: “Nederland erkent, volledig en zonder voorbehoud, dat Indonesië op 17 augustus 1945 onafhankelijk werd”.
Deze erkenning leidt tot onrust bij veel Molukkers in Nederland. Juist de afspraken in de soevereiniteitsoverdracht van 1949, waarin er sprake is van een aparte Molukse deelstaat, zijn de juridische basis voor de Republiek der Zuid-Molukken (RMS).
Foto Kolonel Kaida Tatsuichi tekent de capitulatie (1945)
Fotocollectie Spaarnestad. Fotograaf: onbekend.
7.000SPAond, inv. nr. 32008_013.
Akkoord van Linggajati (1946)
Archief van het Minsterie van Koloniën: Indisch Archief, 1945-1953.
2.10.36.15, inv. nr. 30B.
Soevereiniteitsoverdracht (1949)
Archief van het Kabinet der Koningin, 1946-1975.
2.02.20, inv.nr. 13684.
Foto Sukarno meldt de soevereiniteitsoverdracht (1949)
Fotocollectie Spaarnestad. Fotograaf: onbekend.
7.000SPABB, inv. nr. 6405.