Levantkade in Amsterdam

Bewaar- en verblijfkamp voor collaborateurs, 1946-1949

Henk Eefting, De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en collaborateurs (Soesterberg 2007) 309-311.

“In het kamp aan de Levantkade te Amsterdam, met (behalve de vrouwen) een drieduizendvijfhonderd man, moesten de geïnterneerden in de beide grote mannenloodsen nacht en dag plat op het schaarse stro blijven liggen. Alleen voor luchten – eens per dag – kwamen zij overeind. Zij kregen, nadat zij bijvoorbeeld in de school aan de Polderweg te Amsterdam gedurende veertien dagen (8 tot 22 mei) niet anders hadden gehad dan in totaal drie keer een hompje brood en vijf keer één schepje eten, gedurende de eerste vijf dagen in het geheel niets dan uitsluitend water, daarna gedurende zeer lange tijd ’s morgens één half sneetje brood, ’s middags eveneens één half sneetje brood en ’s avonds een kleine hoeveelheid middageten, namelijk een zesde liter, meest dunne soep. Dit middageten ontbrak vaak, zodat men dan het leven liet op in totaal een snee brood per dag plus een paar slokken water. Voegt hierbij, dat de mensen in de tijd van het ‘luchten’ steeds zwaar afgeëxerceerd werden – men moest niet alleen telkens looppas maken, maar over het hele terrein met zijn ruw plaveisel van kinderhoofdjes dwars door plassen en vuil heen ‘kopje duikelen’ robben, rollen enzovoort. Wie het ooglijkst pak droeg moest door de vuile plassen! En dat de ganse tijd door, zulks met de duidelijke bedoeling de mensen af te beulen en zo miserabel mogelijk te maken. Voegt hierbij, dat men de mensen geheel uitgeplunderd had, hen van das, bretels, boordeknoopjes, overalls, goede schoenen, bagage enzovoort had beroofd. Voegt hier dan nog bij, dat velen hunner, bij wijze van extra luchten, met de handen een vreselijk vuile mesthoop leeg moesten halen, telkens een vrachtje met de handen tegen de kleren gedrukt dit een half uur ver weg naar de schuit moesten brengen, wekenlang de gehele dag door, en men kan zich voorstellen, dat spoedig de hele kampbevolking één wanhopige, vreselijke, merendeels zieke massa stinkende paupers was, die met hun gemillimeterde hoofden, maar ongeschoren gezichten meer op bandieten dan mensen geleken. In dit kamp waren zware mishandelingen aan de orde van de dag, gewoonlijk zo dat degene, die men ‘nemen’ wilde, op handen en voeten moest gaan zitten, het zitvlak omhoog en dan met een gummiknuppel, de geweerkolf of een eind hout werd afgeranseld. Dit geschiedde nu met deze dan met gene, soms met velen tegelijk, de gehele dag door. Aan het gejammer was nimmer een einde. En dan ging het vaak tot bloedens toe of totdat men er bewusteloos bij neer lag. Zelfs dysenterielijders werden mishandeld, meermalen dermate, dat bloed en vuil, uit hun lichaam geslagen, zich over het gehele lichaam verspreidde, tot in hun nek toe. Er werd ontzaglijk veel geslagen. Het is een wonder wat de uitgemergelde en afgebeulde stakkers verduren konden. Trouwens, die het niet volhouden konden, vertellen het niet meer na. Vaak vormde bij het mishandelen het zogenaamde ‘grammofoonplaatdraaien’ voor de bewakers een bijzonder vermaak. Dat is, dat men met een vinger in het oor en met een vinger van de andere hand op de grond om zijn eigen as moet draaien. Het tempo wordt hierbij door geweerkolfstoten opgedreven. Zelfs sterke mannen krijgen na een kwartiertje het schuim op de mond en vallen bewusteloos neer, laat staan de ongelukkige slachtoffers van het Levantkade-regiem!” (noot22) Prof. mr. F.J.F.M. Duynstee, juridisch adviseur van de POD in Amsterdam, zei in Vrij Nederland van 23 december 1978 het volgende: ”Ik moest achter de naam van elke gearresteerde mijn paraaf zetten. Als ik het niet met de arrestatie eens was, tekende ik niet. Ze brachten voortdurend mensen binnen. Ook vrouwen en meisjes, vaak al kaal geschoren. Ze moesten naar de veilinghallen en daar kreeg je hen niet meer uit. Voor een deel verdwenen de mensen in de kelder. Elke dag kwamen er meer bij en die lagen er maar. Geen toiletten, niets. Er kwamen bussen vol uit Duitsland, waarvan werd aangenomen dat ze wel fout waren geweest. Onvoorstelbare chaos. Ik ben één keer in de veilinghallen geweest. De bewakers pisten in de soep van de gevangenen. We krijgen ze wel, riepen ze. Dat was de mentaliteit.’’ In De Waarheid van zaterdag 2 maart 1946 werd melding gemaakt van corruptie in het bewakingskamp aan de Levantkade. Er werden door het personeel op grote schaal diefstallen gepleegd. Het ging om voorraden aardappelen, duizenden repen chocola, kaas, vis, suiker en koffie. Een grote voorraad kleren, afkomstig uit Amerika, is spoorloos verdwenen in een grote vrachtwagen.

Noot

22) 'Kamptoestanden 1944-'45-1948', rapport van dr. H.W. van der Vaart Smit.