De opstand in Soweto op 16 juni 1976 is een belangrijk keerpunt in de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Duizenden leraren, studenten en scholieren protesteren in de zwarte sloppenwijk in het zuidwesten van Johannesburg tegen de plannen van de regering om een aantal vakken verplicht in het Afrikaans te laten onderwijzen. Voor de demonstranten is het Afrikaans de taal van de onderdrukkende, witte minderheidsregering.
Geweld
De politie probeert de menigte uiteen te drijven en opent uiteindelijk het vuur op de vreedzame demonstranten. Daarbij vallen doden en gewonden. De protesten verspreiden zich vervolgens naar andere steden in Zuid-Afrika. Honderden mensen komen om het leven; schattingen lopen uiteen van ongeveer 176 tot meer dan 600 doden.
Maatschappelijke druk
De gebeurtenissen in Soweto en daarbuiten maken duidelijk hoe gewelddadig het apartheidsregime optreedt. Dit leidt wereldwijd tot maatschappelijke verontwaardiging en groeiende politieke druk op Zuid-Afrika. Ook in Nederland. De houding van de Nederlandse regering ten opzichte van het apartheidsregime in Zuid-Afrika in de jaren zeventig en tachtig is een combinatie van politieke kritiek, diplomatieke voorzichtigheid en financiële steun aan anti-apartheidsinitiatieven. Officieel veroordeelt de politiek de apartheid in Zuid-Afrika via Kamerresoluties en diplomatieke kanalen. Tegelijkertijd blijven de handelsbetrekkingen met Zuid-Afrika bestaan en neemt Nederland geen deel aan de algemene sancties. Wel mogen er bijvoorbeeld geen wapens naar Zuid-Afrika worden geëxporteerd.
Rol ambassade
De Nederlandse ambassade onderhoudt contacten met antiapartheidsorganisaties, zoals het verboden African National Congress (ANC), kerken, vakbonden en andere maatschappelijke groepen. Ze volgt rechtszaken tegen politieke activisten en rapporteert over mensenrechtenschendingen aan de Nederlandse regering. Ook ondersteunt de ambassade ontwikkelings- en hulpprogramma's voor zwarte Zuid-Afrikanen. Vaak loopt dit via ontwikkelingsorganisaties als Novib, Kerk in Actie, Oxfam etc.
Zingisa Educational Project
Een van de hulpprogramma’s is het Zingisa Education Scheme (nu bekend als het Zingisa Educational Project) dat is gevestigd in het Zuid-Afrikaanse Berlin, nabij King William's Town. In mei 1981 krijgt Nederland het verzoek om financieel bij te dragen aan een Resource Centre van het Zingisa project. Dit centrum moet zwarte studenten een geschikte studie-omgeving bieden. De enige openbare bibliotheek in King William’s Town is namelijk voor hen niet toegankelijk. De dichtstbijzijnde bibliotheek waar zij kunnen studeren bevindt zich 60 kilometer verderop in Oost-Londen.
Multiraciale school
Ook de directeur van de tussen Johannesburg en Pretoria gelegen Woodmead school vraagt de Nederlandse ambassade om hulp. Woodmead staat als eerste school open voor iedereen, ongeacht afkomst of huidskleur, en dat maakt de school uniek in Transvaal. Een groot aantal leerlingen van kleur, voornamelijk van Indiase afkomst, krijgt er onderwijs. De school streeft ernaar om ook zwarte leerlingen op te nemen.
Positief advies
In november 1981 bezoekt een medewerker van de Nederlandse ambassade de Woodmead school. Als de directeur van Woodmead kort daarna de ambassade om financiële steun vraagt gaat de ambassadeur zelf op bezoek. Hij geeft de minister een positief advies: ‘omdat ik in de school een instrument tot sociale verandering zie. Het experiment wordt door velen, waaronder de overheid, met argusogen gevolgd. Mislukking van dit experiment kan dan ook worden beschouwd als een tegenslag voor de met vreedzame middelen te voeren strijd voor een non-raciale samenleving hier te lande’.
Afschaffing apartheid
Met de vrijlating van Nelson Mandela en de opheffing van het verbod op het African National Congress (ANC) in 1990 komt er in Zuid-Afrika fundamentele verandering. De apartheidspolitiek gaat op de schop. Met de eerste vrije verkiezingen in 1994 en de aanstelling van Nelson Mandela als president is de apartheid officieel voorbij.