Spreken is goud, zwijgen is dodelijk

Opgroeien in een gezin en familie waar wordt gezwegen over de oorlog Ik werd geboren toen mijn vader na twee jaar vrijkwam uit het kamp en mijn ouders elders een nieuwe start maakten. Mijn vader was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de NSB geweest en werkte toentertijd bij een gemeente onder Duits gezag. Thuis werd nooit over de oorlog gesproken. Dat mijn ouders geen antwoorden wilden geven is van grote invloed op mijn leven geweest en blijft een pijnlijk punt.

Story Archive

Ik was allang het huis uit toen ik te horen kreeg dat mijn vader lid was geweest van de NSB. Ik was 24 jaar en kwam een weekend thuis. Er was iets op de radio over Zuid-Afrika, toen mijn vader een heel racistische opmerking maakte. Ik zei: “Als jij daar zó over denkt, hoe stond jij dan in de oorlog?” Ik legde die link. Wonder boven wonder vertelde hij het toen. Hij vertelde dat hij in de oorlog lid van de NSB is geweest en toen begon hij te huilen. Ik sloeg een arm om hem heen en zei: “Pap, je bent en blijft mijn vader, dat maakt toch niet uit?” Toen werd hij razend, sloeg mij van zich af en ging enorm tekeer. Daarna heeft hij er nooit meer over willen praten.

Mijn vader kwam uit een gezin met meer NSB-leden. Mijn oma werkte tijdens het interbellum als dienstmeisje in Duitsland. Mijn vermoeden is dat het daar begonnen is. Alle broers van mijn vader waren fanatiek NSB-er. Twee van mijn ooms trouwden ook met een vrouw die aanhangster was. Dat was mijn moeder niet. Zij werd in die familie daarom ook een “anti-meisje” genoemd. Ze heeft later wel gezegd: “Je weet op dat moment niet hoe erg het is en ik hield van die man”. Mijn pake (vader van moeder) had mijn moeder nog wel gewaarschuwd: “Zou je niet wachten met trouwen tot na de oorlog?”. Maar mijn vader had mijn moeder voor de keuze gesteld: “Je volgt me nu of ik ga weg en is het over”. ‘Eigenlijk heeft hij chantage gepleegd om haar bij zich te houden.

Over de motivatie van mijn vader om lid te worden van de NSB weet ik niets. Mijn vader heeft daar nooit over willen praten, dat is nu juist het drama. Ik heb nog jaren geprobeerd om contact met hem daarover te krijgen. Dat is nooit gebeurd. Mijn moeder heeft me in die tijd ook nooit wat verteld. Zij heeft haar hele leven geschipperd, aan de ene kant heeft ze over hem geen kwaad woord willen zeggen, aan de andere kant was het helemaal niet haar manier van denken. Ik werd in de loop van de tijd kwaad op mijn vader, maar ook moeder heeft het voor mij verzwegen. Ik wist me geen raad met mijn emoties. Ik kon er geen kant mee op, raakte in een enorm conflict met zowel mijn vader en moeder, als met mijzelf.

Het was bij mijn vader thuis vroeger geen vetpot, zoals in veel gezinnen in die tijd. Mijn opa was ziekelijk, waardoor mijn oma voor het gezin moest zorgen. De NSB beloofde gouden bergen. Mijn vader was naar mijn idee een echt overtuigd NSB-er, dat is hij tot zijn dood gebleven. Mijn moeder heeft later wel verteld, dat mijn ouders af en toe een weekend naar een broer van mijn vader en zijn vrouw gingen, die ook nog steeds fanatieke aanhangers waren. Mijn moeder vond het daar vreselijk, ze zei: “Dan hadden ze het er het hele weekend over en werden weer fanatiek en fel.” Binnen kleine kring in de familie van moeder koketteerde vader wel eens met zijn kampverleden, als hij een paar borrels op had. Dat heb ik later wel gehoord. Ook kan ik me als kind herinneren dat vader trots was op een spade die hij van de Duitsers gekregen had. Hij zou greppels hebben moeten graven voor hen. Wat dit betekende, is mij onduidelijk gebleven.

Ik heb thuis altijd spanning gevoeld. Als kind voelde ik dat er wat was, spanning, woordenwisseling, zwijgen. Later voelde ik me vaak eenzaam en onbegrepen. Achteraf kan ik me wel voorstellen dat mijn vader en moeder niets verteld hebben toen ik klein was. Maar als je volwassen begint te worden, vragen gaat stellen en er een gesprek over wilt hebben, vind ik dat je als ouders er wel over moet vertellen. Het voelde alsof er iets aan mij niet deugde, omdat ze mij niets vertelden. Je gaat het op jezelf betrekken en denkt, ligt het aan mij? Bovendien voelde ik mij op een bepaalde manier verantwoordelijk voor het geluk van ons gezin, want ik werd ná de oorlog geboren als symbool van een nieuw begin. Ik heb altijd en overal in mijn leven verschrikkelijk mijn best lopen doen en me over-verantwoordelijk gevoeld.

De verhuizing van mijn ouders naar Voorburg in 1947 bleek helemaal niet het nieuwe, fijne begin waarnaar verlangd werd. Mijn moeder miste haar familie, waaraan ze tijdens de oorlog zoveel steun had gehad, en kreeg heimwee. Mijn vader kwam als een verbitterde en cynische man uit het kamp. Hij moest naar de buitenwereld toe zwijgen over zijn verleden en zich regelmatig melden bij het politiebureau. Dat zal hij wellicht als een belediging en afgang hebben ervaren; tijdens de oorlog had hij namelijk andere toekomstplannen en hoopte burgemeester te kunnen worden (bleek uit zijn dossier). Toen mijn vader en moeder, veel later in hun leven, om gezondheidsredenen thuis kwamen te zitten maakten mijn ouders elkaar het leven zuur. Toen ik studeerde kwam ik wel eens een weekend thuis, maar ben ook wel eens direct rechtsomkeer gegaan. Dan beklaagde vader zich over moeder: “Zie je wat ze doet?” en mijn moeder over vader: “zie je wat híj doet?”. Ze hebben niets samen uitgepraat, verwerkt of opgelost. Ze bleven boos, teleurgesteld in het leven, zichzelf en elkaar. Maar naar de buitenwereld toe gedroegen ze zich echter anders, ze werden gewaardeerd als gezellige mensen.

Ook voor moeder is de oorlog een probleem gebleven tot aan haar dood. Later in haar leven had ze perioden waarin ze overmatig drank gebruikte. Twee à drie keer per jaar goot ze zich vol om er maar even helemaal van af te zijn. Dan zei ze: “Mijn vader zei nog, zou je niet wachten tot na de oorlog met trouwen”. Maar ze heeft mijn vader nooit af willen vallen. In die tijden ving ik haar op, verzorgde haar, ruimde de rommel op.

Toen mijn vader in 1978 overleed was het uitgesloten er ooit met hem over te praten. Dat heb ik vreselijk gevonden, was ook kwaad op hem. Ik ben uiteindelijk in een ernstige persoonlijke crisis terechtgekomen. Zag geen oplossing en uitzicht, wist niet hoe verder. Ik ben opgenomen geweest in een psychiatrische instelling en heb daarna nog een jaar heel intensieve therapie gevolgd. Het was een angstige, zwarte periode. Dat mijn ouders gezwegen hebben, heb ik verschrikkelijk gevonden. In deze crisistijd heb ik een periode bij mijn moeder gewoond en ben door haar opgevangen. Toen het beter met me ging hebben we samen leuke dingen ondernomen, zodat we ook konden genieten van het feit dat het weer beter met me ging. In die periode heeft moeder wel, zoveel ze kon en wilde, verteld over de tijd van de oorlog. Dat heeft me wel geholpen. Alleen al het feit dat ze dat voor mij deed. Zelf wilde ze liever vergeten...

Een aantal jaren geleden heb ik het dossier van mijn vader ingezien bij het Nationaal Archief in Den Haag. Alles wat daar over hem was heb ik doorgenomen. Mijn grootste angst was, dat daar in zou staan, dat hij iemand om het leven zou hebben gebracht. Dat heb ik daar niet in teruggevonden. Hij heeft in Oosterwolde bij de gemeentesecretarie gewerkt en heeft daar mensen moeten opsporen die waren ondergedoken voor de Arbeitseinsatz. Het is schokkend als je een brief vindt met “Heil Hitler” en daaronder je vaders naam. Toen dacht ik: Jongen, wat onnozel dat je daar in geloofd hebt! Ik vond in het dossier ook een brief waarin mijn vader om een uniform vraagt. Maar ik weet niet of hij dat ooit gedragen heeft. Toen ik zijn dossier met al zijn gegevens las realiseerde ik me dat het écht waar was, dat wat hij mij nooit wilde vertellen.

In de loop van de tijd is de kijk op datgene waar ik het moeilijk mee had veranderd. Mede door gesprekken hierover met enkele vrienden, therapie, het lezen van boeken en de tijd. Uiteindelijk kan ik zeggen dat ik het feit, dat mijn ouders gezwegen hebben, het ergste van de hele kwestie heb gevonden. Daarmee hebben mijn ouders mij niet serieus genomen, hebben hun verantwoordelijkheid ten aanzien van mij niet genomen.

Het is een doodgezwegen verhaal en daar heb ik me verschrikkelijk eenzaam door gevoeld. Daardoor ben ik in de knoop geraakt. Dat mijn vader zo’n keuze heeft gemaakt, verwerp ik, maar dat is zijn keuze geweest. Ik vond het erger dat erover gezwegen werd. Heel lang ben ik alleen maar boos geweest. Later kon ik daar meer afstand van nemen. Ik heb de oorlog en alles wat daar omheen hangt een plek kunnen geven. Maar het blijft een pijnlijke plek. Als er iets over op televisie of radio is wil ik het wel zien of horen. Het blijft een deel van mijn leven. Mijn belangrijkste les in situaties waar problematische of taboe onderwerpen een rol spelen, is openheid betrachten. Neem je verantwoordelijkheid om te spreken, je te verklaren. Anderen serieus nemen, hoe moeilijk dat ook kan zijn. Daarom heb ik willen spreken, om het patroon van zwijgen te doorbreken.

Ik heb dit verhaal geschreven naar aanleiding van een gesprek met een medewerkster van het Open Archief. Tijdens dit gesprek ervoer ik een gevoel van erkenning en echte aandacht van de gesprekspartner, wat weldading was. Tegelijkertijd schoot de gedachte door mijn hoofd een verrader te zijn, omdat ik deze geschiedenis vertelde, maar wie was hier eigenlijk de verrader?