Ik trap wat sneller en het fietslampje boven de tafel gloeit wat op. De fiets staat op een standaard en de dynamo is op het achterwiel gezet, waardoor we in die laatste winter van 1944-1945 nog wat licht hebben.
Met z’n vieren zitten we rond de tafel en spelen ‘mens-erger-je-niet’, mijn moeder, oudere zus Ita, buurvrouw tante Lenie en onderduikster Jetty.
Buurvrouw tante Lenie had het heel snel doorgehad bij onze verhuizing van de kuststrook naar het gevorderde huis in de provinciestad. Wat kamer er voor buren naast haar wonen, goed of niet goed? Ze keek uit het raam toen de verhuiswagen zijn lading loste en vrijwel onmiddellijk had ze naar haar man geroepen ‘Ko, ze zijn goed, want ze hebben een Jodin in huis’. Ze had de geblondeerde Jetty meteen herkend en was daar heel blij mee met twee broers in het verzet, die zo nu en dan bij haar moesten onderduiken.
Vader zat met mijn oudste broer en buurman oom Ko in een duistere hoek van de kamer bij het noodkacheltje en ze bespraken stilletjes de oorlogssituatie. Alle signalen stonden op groen, het kon nu echt niet lang meer duren en dat werd tijd ook. Buiten de smurrie uit de gaarkeuken aten we uitsluitend nog suikerbieten en tulpenbollen. Ook brandstof voor het kacheltje was vrijwel niet meer te vinden. Gelukkig was dat geen probleem meer toen het voorjaar aanbrak en de temperaturen in de april en mei opliepen.
De geruchtenstroom over het einde van de oorlog nam snel toe en plotseling hingen daar overal mededelingen dat de resterende Duitse legereenheden zich onvoorwaardelijk hadden overgegeven.
In een roes kwamen de mensen hun huizen uit en zongen en dansten, vlaggen werden uitgestoken en iedereen feliciteerde elkaar en wildvreemde mensen vielen elkaar stralend in de armen. Overal werden feesten georganiseerd en nieuwsgierig zag ik in onze straat een grote dansende en opgewonden menigte naderen rond een paard en kar.
De Canadezen waren inmiddels de stad binnengekomen en Jetty had direct vriendschap gesloten en voor de volgende dag al een afspraak gemaakt. Dus verscheen er een enorme militaire vrachtwagen voor de deur met twee jolige bevrijders in de cabine. Jetty kroop er lachend bij in en vroeg ook de vijftienjarige Ita maar mee te gaan.
Toen ze op het punt stonden weg te rijden, zei de toekijkende tante Lenie tegen ons ‘Vlug jongens, achterin!’ Dat lieten we ons geen twee keer zeggen.
Via kleine weggetjes en dijkjes reden we richting bos en duin om uiteindelijk in een dichtbegroeide boslaan te stoppen. Lachend stapten onze bevrijders uit, maar zagen toen tot hun ergernis vier jongens uit de laadbak komen. Die beteuterde gezichten herinner ik me goed.
Maar Jetty was zevenentwintig en vastbesloten om zich dit bevrijdingsfeestje niet te laten ontnemen. Lachend wandelde ze met haar Canadees het bos in tot ze uit het zicht verdwenen waren.
De moeder van Jetty was ontsteld over het uitstapje en zei tegen mijn moeder ‘Ik vind dat u niet geschikt bent om Joodse onderduikers te verbergen, want u laat Jetty zomaar gaan, terwijl u weet dat haar verloofde in Amsterdam op haar wacht’.
Als de onderduikgeschiedenis ter sprake kwam, kon mijn moeder het niet laten om lachend te zeggen: ‘Ja, maar eigenlijk waren we er niet geschikt voor’.