Ik zal me eerst even voorstellen. Ik ben Annet Maat – Muijzert, geboren in 1935. Mijn moeder was mevr. A. Franssen, geboren in 1907, mijn zusje Nel geboren in 1932. Mijn ouders waren gescheiden en mijn moeder was kleuterleidster.
Na de oorlog, eind mei denk ik, gingen we naar Westerbork. Mijn moeder werd daar directrice van een kamp met NSB-kinderen. Het was een vrij klein kamp, +/- tien barakken denk ik en het heette ‘de Pietersberg’ en het lag achter de melkfabriek. Er was een grote eetzaal in een barak met lange tafels en banken. Ik herinner me het mooie witte brood en de schalen custardpudding. Na de hongerwinter wel iets aparts. Er waren veel kinderen van mijn leeftijd en we konden er fijn buiten spelen.
Verstoppertje, worteltjes pikken bij de keuken. De kinderen woonden met een paar moeders in de barakken. Ik mocht daar niet komen. Wij hadden onze eigen barak samen met twee meisjes van +/- twintig jaar. Zij hielpen mijn moeder, ze heetten Den H. en kwamen uit Hollandscheveld bij Hoogeveen. In de andere helft van de barakwas een kantoor van Oranje mannen. Bij de poort waren ook een paar mannen. Wij liepen ’s morgens met een heel stel kinderen naar de lagere school in het dorp. In het najaar werd het kamp opgeheven omdat de barakken niet verwarmd konden worden. Wij zijn toen naar Kampen verhuisd.
Daar was in de Weeshuisstraat bij de Cellespoort een weeshuis en daar woonden ook NSB-kinderen. Mijn moeder zorgde daar voor de kleuters en de baby’s die in bedjes zaten. Na schooltijd ging ik vaak met ze spelen. Verder was er een grote zaal waar de kleuters sliepen, één voor de jongens en één voor de meisjes.
In mijn herinnering was het allemaal heel prettig en hadden de kinderen het niet slecht. We gingen gewoon naar school. Eén keer scholden andere kinderen ons op straat uit voor NSB-ers. Ik vond dat erg naar voor die kinderen, die er toch ook niets aan konden doen.
Ik ben nog heel blij dat zoveel kinderen en leidsters in mijn poëziealbum hebben geschreven. Vooral dat ‘lotgenootje’ is wel grappig. Dat moet allemaal wel op het eind van ons verblijf daar nog opgeschreven zijn. Mijn oma is in maart 1946 overleden. Wij woonden bij haar in huis en moesten weer terug omdat we anders ons huis kwijt waren geweest. In die tijd werd woningruimte, ook eigen huizen, namelijk zo gevorderd en mochten er andere mensen in wonen.
Ik heb vaak aan deze periode terug gedacht, en met veel plezier. Helaas heb ik nooit meer iets gehoord van of over mensen uit die tijd. Ik was toen tien jaar en nu 74.