Mijn opa

1982, Amsterdam

Negentien jaar was ik en ik ging met mijn moeder op bezoek bij mijn oma in Velp. We zouden mijn opa ook gaan bezoeken die destijds in een verpleeghuis in Dieren zat.

We lopen met mijn oma over het parkeerterrein naar de auto van mijn moeder als een dame ons aanschiet. Ze spreekt mijn grootmoeder aan:'Bent u mevrouw V.? En komt u uit Amsterdam?'

Ik merk dat mijn grootmoeder haar hoofd een beetje afkeert en meteen op haar hoede is. Met haar Pools-Duitse accent vraagt ze:'Wie bent oe?' De dame blijft aandringen en begint te vertellen: 'Als u familie bent van de familie V. die in de oorlog in de Molukkenstraat woonde, wilt u dan doorgeven dat ik u nog heel erg dankbaar ben? Mijn man was brandweerman en heeft in het huis van de familie V. in de hongerwinter ondergedoken gezeten, samen met tien collega's. Het was het huis van NSB'ers die er van wisten, maar de onderduikers niet hebben aangegeven.' De dame beschrijft vervolgens tot in detail het huis waar mijn grootouders vroeger hadden gewoond en waar mijn moeder was opgegroeid. 

Ik wist niet wat ik hoorde. Ik was opgegroeid in een typisch ruimdenkend, jaren zeventig intellectueel milieu met alle beperkingen vandien en ik had net eindexamen gedaan. Ik hoorde mijn hersens 'click, click, click' doen. Mijn opa en oma fout? Die lieve mensen, mijn opa waar Annie M.G. Schmidt speciaal dat lied 'mijn opa' over had gecomponeerd. Mijn oma die de liefste, warmste oma van de hele wereld was? Mocht ik dit relativeren? Moest ik oordelen? Als ik dit accepteerde, deed ik dan recht aan alle slachtoffers van die afschuwelijke oorlog? 

We gingen mijn opa bezoeken. Hij was eind zeventig, had de ziekte van parkinson waardoor zijn hele lichaam verstijfd was. Hij kon alleen nog glazig kijken. Vragen stellen had geen zin. Ik probeerde op een of andere manier contact met hem te krijgen om erachter te komen of er enige waarheid in het verhaal zat. 

Later heb ik er bijna eindeloos met mijn moeder en oma over gehad. Mijn oma was zwaar verbitterd. Mijn moeder, die er haar hele leven met bijna niemand over had kunnen praten. Alleen mijn vader en enkele hartsvriendinnen wisten het. Zij vertelde: 'Ik heb mijn hele leven moeten liegen over mijn jeugd. Daarom wil ik verder nooit een leugen vertellen.' Wat zij moeilijk te verteren vond, was dat de oorlog in Nederland een soort ijkpunt van goed en kwaad was geworden. Je kon, zeker in de jaren tachtig en negentig, zo ongeveer alles op je kerfstok hebben en daarover praten bij televisieprogramma's als Rondom 10 of bij Sonja, maar fout in de oorlog was en bleef onacceptabel. Dat was ook mijn ervaring: alle grootouders die ik kende hadden zonder uitzondering in het verzet gezeten.

Daarna kwam de vraag: wat had opa eigenlijk gedaan? Hij was NSB-er, na de oorlog ter dood veroordeeld, later omgezet in levenslang. Vervolgens na vijf jaar vrijgekomen en zijn leven weer opgepakt. 

Ik ben nu al veel ouder dan mijn opa was toen hij werd veroordeeld. Soms ben ik toch nieuwsgierig naar wat hij werkelijk heeft gedaan. Je wordt toch niet zomaar ter dood veroordeeld? Maar tegelijkertijd wil ik in mijn hart de herinnering bewaren aan de allerliefste grootouders die een kleinkind zich kon wensen. 

Wie ben ik om te oordelen?