Mijn leven als gevolg van de oorlog

Herinneringen aan het Diaconie Weeshuis der Hervormde kerk te Amsterdam en het Amsterdamsch Kinder-sanatorium Hoog-Blaricumbij Laren

TBC-noodziekenhuis in Zeeburg. Bron: Gemeentearchief Amsterdam

Ik ben geboren in 1941 en woonde in Leerdam. Mijn moeder was van joodse afkomst en kwam uit Duitsland, mijn vader was een Nederlander, een moeilijk parket dus. Hij is voor het Duitse leger gaan heulen noem ik het maar, later is hij bij de SS gegaan. Wij zijn verhuisd nadat mensen probeerden mijn broers te verdrinken in de singel van Leerdam, dit was de meerhuizen straat in Amsterdam (dit alles heb ik uitgezocht). Ik had drie broers en twee zusjes, waarvan bij de laatste mijn moeder is overleden nadat wij op Dolle Dinsdag gevlucht zijn naar Duitsland, waar wij al snel in een kamp werden ondergebracht. Een kamp dat ik nooit maar dan ook nooit meer zal vergeten, want daar gebeurden dingen waar ik nog steeds nachtmerries van heb. Ik heb dan ook moeite om het te vertellen. Er waren momenten dat we allemaal in rijen moesten gaan staan en geen kik mochten geven. Dan liep er zo’n Duitser langs en pakte een baby van een moeder af en liep er mee naar een trein die daar stond (zo’n wagon waar van die ronde stootschijven op zitten). Zo’n Duitser pakte dan dat kind bij haar of zijn beentjes en sloeg het dan zo met het hoofdje tegen die schijven dood, snap je waarom ik er zo’n moeite mee heb. Mijn vader heb ik nooit meer gezien. Na een tijdje werden we in een trein gezet die tijdens het rijden werd gebombardeerd . Mijn broers zeiden: ‘Rennen, zo hard als je kan!’. We hebben zo een tijdje gezworven en aten wat langs de weg groeide, zuringe bloemetjes en zelfs kranten. Dat vulde aardig je maag. Drinken deden we uit slootjes. We zijn later opgepikt door het Rode Kruis en doordat wij Nederlands spraken brachten ze ons naar Amsterdam .We werden naar het diaconessenweeshuis in Amsterdam gebracht, waar wij allen op een anderen afdeling gezet werden. Niet alleen vanwege de leeftijdsverschillen maar ook omdat de jongens en meisjes apart moesten. Nu had ik niemand meer. De directeur van dat huis was heel erg anti-Duits en natuurlijk tegen SS’ers , wat ik toen niet helemaal niet begreep,maar nu wel natuurlijk. We werden behoorlijk mishandeld door die man, hij trapte ons zo van de marmeren trappen af en sloeg je om het minste geringste. Ook sloot hij me op als ik een keer vervelend was geweest. Hij kon zich goed op ons afreageren, er was toch niemand die naar ons om keek. Ik voelde me als kind diep ongelukkig en begreep er helemaal niets van. Mijn jongste zusje, die nog een baby was, hebben ze gelijk in een pleeggezin gedaan. En nooit meer teruggezien.

Al met al heb ik (om even een sprongetje te maken) zestien jaar in het weeshuis doorgebracht. Ze hebben mij twee keer in een pleeggezin willen stoppen, één keer in Dordrecht en één keer in Amsterdam, maar daar bleek al snel dat het voor het geld en de huishouding ging. Ook daar werd mij weer, als het hen uit kwam, het verleden van mijn vader voor mijn voeten gegooid. Verder heb ik in die tijd tot tweemaal toe twee jaar TBC gehad, een vreselijke tijd. Ik kreeg natuurlijk nooit bezoek, ik had immers geen familie en dacht toen ook vaak: laat mij maar doodgaan want dit leven vindt ik helemaal niet leuk. Het sanatorium was in Blaricum. Toen ik genezen was, ik was inmiddels al achttien jaar, moest ik weer terug naar dat pleeggezin. Daar begonnen ze zich weer op mij af te reageren en ik ben toen in hongerstaking gegaan. Ik wilde niet meer leven. Ze hebben toen het weeshuis gebeld, waardoor er een maatschappelijk werkster kwam die mij direct mee nam en mij weer naar het weeshuis bracht.

Ik ging weer naar school waar ik een jongen leerde kennen. We werden verliefd op elkaar. Toen hij mij naar huis wilde brengen, zei ik: ‘Zet me maar hier af’, dat was een straat voor het weeshuis, want ik dorste niet te zeggen dat ik in dat weeshuis zat omdat ik niet wilde vertellen waarom. waarom! Na een tijdje wilde deze jongen mij meenemen om mij aan zijn ouders te laten zien en ja hoor, toen vroegen ze: ‘Waar woon je?’ Ik heb toen eerlijk verteld dat ik in een weeshuis zat omdat ik geen ouders had. Ze hebben toen achter mijn rug om een afspraak met de directeur gemaakt en ja, je snapt het al, die directeur heeft het hele verhaal verteld (ook over mijn vader). Hij moest het maar uitmaken want ik had TBC gehad en mijn vader was fout geweest en een weeskind, nee dat kon allemaal niet.

Wat zij echter niet wisten was dat ik zwanger bleek te zijn ,dus er moest getrouwd worden. Ik kon wel onder de grond kruipen zoals ik hierop werd aangevallen. Ik wist toen echt even niet wat ik doen moest: trouwen of naar een tehuis voor ongehuwde moeders, want anders moest ik tot mijn éénentwintigste onder toezicht blijven,zo was de wet. Op de dag van het trouwen moest ik naar voren komen, mijn twee vingers opsteken en zweren dat ik geen ouders en grootouders had (dacht toen wel: ik ben toch niet uit een bloemkool gekropen! Komt hier nooit een eind aan. Dit gaat mij mijn hele leven achtervolgen) Ik heb uiteindelijk twee kinderen gekregen waar ik heel blij mee was, eindelijk iets van mijzelf. Mijn man ging steeds vreemd. In mijn hele huwelijk heeft hij dat achttien keer gedaan. Hij had immers aan niemand verantwoording af te leggen, want er was toch geen familie van mijn kant.

Na gelang ik ouder werd begon ik me af te vragen: zou ik nou helemaal geen familie hebben? Ik ben de achternaam van onze familie in Leerdam gaan zoeken en kwam erachter dat mijn vader nog broers en één zuster had. Ook leefden mijn opa en oma nog, van vaders zijde. Op een dag ben ik daar naar toe gegaan en ik mocht zowaar naar binnen bij mijn oma en opa, een raar gevoel kan ik je zeggen hoor. Ik wilde van alles weten maar kreeg ontwijkende antwoorden waarop ik nog wantrouwender werd. Ik vroeg bijvoorbeeld: ‘Heeft U geen foto’s van mijn ouders?’ Zij gaf me een doos met wat papieren en foto’s, onderin kwam ik een roze opgevouwen papier tegen waarop met grote letters SS op stond. Ik vroeg: ‘Wat is dit?’ Nou ik dacht dat ze ontplofte, ze trok het direct uit mijn hand trok en gebood mij te vertrekken. Dit maakte mij echter nog nieuwsgieriger. Ondertussen kreeg ik toch psychoseproblemen van dit alles en kwam ik bij een psychiater terecht. Daar heb ik tweejaar bij gelopen. Ondertussen kwam het nieuws dat oorlogslachtoffers een uitkering konden aanvragen. Uit diverse landen (Amerika, Nederland, Zwitserland) bericht dat ik alles moest invullen en ik moest ook een keer naar Rotterdam om aan te tonen dat mijn moeder in de oorlog was overleden. Ik heb allerlei archieven in Duitsland aangeschreven zonder resultaat. Omdat ik het niet kon aantonen had ik nergens recht op. Ook heb ik bij een joods maatschappelijk werkster gelopen in Den haag. Zij had veel begrip maar kon mij ook niet verder helpen. Uiteindelijk heb ik een afspraak gemaakt bij het ministerie van Justitie om in het dossier van mijn vader in te zien. Ik heb alles wat ik toen tegenkwam ingesproken op tape. In het dossier waren ook foto’s die ik nog nooit gezien had, onder andere één van mijn moeder. Ik wist niet meer wist hoe zij er uitzag. Het was of ik naar mijzelf keek, een heel raar gevoel had ik daarbij. Ik ging me toen pas beseffen hoe erg dit allemaal was, allerlei verhoren die afgelegd waren, zelfs van mijn oudste broers, alle papieren van mijn vader, zoals treinkaartjes. Ze hebben tot 1945 naar hem gezocht. Toen ik bij het archief in Den Haag wegging, begon ik vreselijk te beven, een heel raar gevoel. Ik moest huilen en dacht waarom moet ik zo’n leven hebben voor iets wat ik niet gedaan heb. Ik begon ziek te worden en kreeg allerlei chronische ziektes waaronder COPD, reuma , maag-, darm- en leverklachten, hoge bloeddruk en hartklachten. Hiervoor slik ik 45 medicijnen voor per dag Vervolgens dacht ik: ik moet het met mijn gezin doen en gewoon een nieuwe familie maken. Dit is helaas mislukt, want ik ben inmiddels gescheiden en alleen mijn kinderen zijn getrouwd. Wel heb ik vijf kleinkinderen en ben daar heel trots op. Ik heb alles aan mijn kinderen verteld, maar die praten hier niet graag over. Mijn leven voelt als een gevangenis. Iemand die iemand vermoord krijgt tien jaar gevangenis,maar wij hebben vijftig jaar gekregen zonder iets gedaan te hebben Ik vind dan ook dat de overheid zich moet schamen.

Ik hoop ik dat degene die dit leest hier iets aan heeft en denkt dat hij of zij hier zeker niet alleen in staat. Lieve groet van Ramona.