Kinderen van de Valkenboslaan in WO II

1945, Den Haag

Clara met haar zusje, Jeantje, Ad, Hillie, Cylia, Rietje, Ad, Willy, Liesje, Jopie, Bea, Wout, Nel en Adrie.

Hoewel de oorlog dreigde met gevaren Met stinkende leren laarzen en veel geschreeuw Speelden wij ‘Schipper mag ik overvaren’ En vertrouwden op de Nederlandse Leeuw

In ’t brede middenpad op de Valkenboschlaan Verwisselden we snel van boom Wil en Riet zag je van d’een naar d’ander gaan We waren kinderen en hadden nog een droom

Knikkeren was onze lust en leven Adrie jij bent nu aan de beurt Die stuiter ligt vlak bij de pot, bof jij even Die mooie stuiter rood en geel gekleurd

Toen brak in 1944 de Hongerwinter aan Bok, bok bok, hoeveel horens steek ik op En hoe smaakt ook weer een banaan We aten tulpenbollen in de knop

We droomden van chocoladerepen en katjesdrop Er was slechts de gaarkeuken met zijn diepe gamellen Die likten wij kinderen uit, staande op ons kop Soms was er havermoutpap met dikke vellen    Claartje, Jopie, Cylia, Nel, Bea en Sjaan  Werden naar het platteland gestuurd Daar kregen ze beter te eten voortaan Die tijd heeft tot mei 1945 geduurd

Alleen heimwee begon aan ons kinderen te knagen Daar konden de pleegouders niets aan doen We begonnen naar moeder te vragen En misten bij ’t naar bed gaan haar zoen

Na 5 jaren wapperde overal de Nederlandse driekleur Weg met de zorgen en weg met ’t verdriet Aan de slag en verder geen gezeur We komen er wel ook al zijn we er niet   We kwamen weer terug op onze vertrouwde Valkenboschlaan Over de Laan van Meerdervoort namen de Duitsers de benen Om met kapotte laarzen terug naar hun Heimat te gaan En zo zijn ze uit het Haagse straatbeeld verdwenen.

We waren dus eindelijk bevrijd Maar we hadden veel te veel  gezien Wij waren eigenlijk te oud voor onze tijd En toch ook nog kinderen van 8, 9 en 10

Vaders en ooms waren in de oorlog gebleven Vele gezinnen vielen uiteen Voor ons lieten de Canadezen hun leven Hun vrouwen bleven alleen

We mochten nog niet naar de zee en het strand De Duitsers moesten eerst hun mijnen opruimen Daarvoor  lagen er nog veel te veel  in het land Het was nog levensgevaarlijk in onze duinen

We  waren de naoorlogse jeugd Die Nederland weer op moest bouwen We waren er trots op en staken vol vreugd De handen uit onze armoedige mouwen

Uit de lucht viel honing met wittebrood Dat kwam helemaal uit Zweden Zweden en Canada onze redders  in  nood De oorlog behoorde voorgoed tot het verleden.