Het gezin van mijn vader had geen aanleg voor neutraliteit: de oudste broer was Gauleiter, de tweede bouwde aan de Japanse spoorlijn op Sumatra – en overleefde dat. De derde broer was lid van een knokploeg, de Oranje Vrijbuiters, in Utrecht. Hij werd gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. Een van zijn broers probeerde nog tussenbeide te komen, vergeefs. De derde broer, Johan, keerde in 1941 genezen terug uit Davos (ziekenhuis voor tbc-patiënten) in het neutrale Zwitserland. Dit land wees iedereen uit, terug naar het oorlogsgebied. Hij was predikant, maar zijn kerk vertrouwde hem niet meer. Zo werd hij ambtenaar in Assen en trouwde met Anneke Luitjens. Zijn gedachtengoed definieer ik hier als ”totalitaire zweverigheid.” Voor de oorlog hielp hij het joodse echtpaar Wolf uit Duitsland ontkomen naar Texas. Lid van de NSB is hij nooit geworden. Waarschijnlijk wel van de Kulturkammer: daar zijn aanwijzingen voor. De jongste broerwas bij de Waffen-SS en vocht aan het Oostfront. Hij ontsnapte uit Westerbork en zou de rest van zijn leven doorbrengen in Duitsland, onder een valse naam. De enige zuster, Frouwkje, probeerde trouw te blijven aan al haar broers. Een andere man was er nooit in haar leven. Na de bevrijding werd zij kaalgeschoren en naar Westerbork gebracht, samen met Oma Janna. Voor háár grijze haren had men nog wel eerbied. Frouwkje werd muzieklerares, bleef ongetrouwd en maakte op 64jarige leeftijd een eind aan haar leven. Alle broers zijn sindsdien ook overleden. Voor wie de familiegeschiedenis wil lezen is de link www.hotelpostma.eu
Moeders vader was dierenarts in Roden. Hij betrok zijn vrouw en vier van zijn kinderen bij de NSB. De oudste zoon werd Landwachter. Anneke was als oudste dochter het huis uit: zij studeerde aan de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam. Een vriendin van haar liet haar kennismaken met de Paroolgroep. Daardoor in gewetensnood gebracht, ging zij naar haar predikant in Amsterdam. Hij zei tegen haar: “Je mag het tafelkleed nooit doorknippen”.Deze man was zelf met zijn gezin bij het verzet betrokken. Een zoon van hem werd later omgebracht door de bezetter. Over de familie Luitjens bestaat geen website. Na de hernieuwde berechting van Jacob Luitjens in de jaren ’90 zijn wij jarenlang van hen vervreemd geweest. Het contact is hersteld, en dat is belangrijker voor mij dan het vertellen van verhalen. In april is de bevrijding een feit. Op de 22e, als Janna twee maanden oud is, wordt Vader Johan opgepakt. Hij wordt veroordeeld tot drie jaar, wegens hulpverlening aan de vijand. Het eerste vonnis bevat de tekst van een radiorede uit 1943, waarin hij kolonisatie in Oost-Europa aanbeveelt. Hij heeft tussen vijf en zes maanden in het Huis van Bewaring doorgebracht. Later wordt zijn straf gereduceerd tot één jaar, bij cassatie. Dat is op grond van een brief van Dr. Wolf uit Texas, waarin hij aangeeft dat Ds.Postma hem geholpen heeft weg te komen uit Duitsland. Er komt een nieuwe bepaling bij in het vonnis: hij mag tien jaar lang geen kansel betreden. Kennelijk waren de doopsgezinden op dat moment niet bereid een ingreep van de overheid in binnenkerkelijke aangelegenheden te verhinderen. Of niet bij machte. Dopers stellen zich van oudsher te weer tegen staatsinmenging in de kerk. Ze hebben interne procedures voor boete, ban en heropname in de gemeenschap. Deze procedures werden in Nederland afgeschaft, en zo te zien was er niets voor in de plaats gekomen. En dan grijpt de staat in. De meeste familieleden van beide kanten worden in Westerbork gevangen gehouden. Op 3 november komt Vader vrij, hangende het beroep in cassatie. Hij wacht het vonnis niet af en vlucht onder een valse naam naar Zuid-Amerika. Samen met zijn zwager Jacob Luitjens. Zij worden daarbij geholpen door een Amerikaans-Canadese hulporganisatie, Mennonite Central Committee. Pas in Zuid-Amerika blijkt hun ware identiteit.
Intermezzo: ik heb de betreffende documenten gezien, maar ik ga er hier niet verder op in. Dit is mijn levensverhaal, en niet dat van mijn ouders.
Moeder Anneke blijft op vrije voeten. Grootmoeder Luitjens is ernstig ziek. Moeder biedt aan zich in haar plaats te laten opsluiten. Er bestond kennelijk nog zin voor gerechtigheid: dat wordt geweigerd. “Wij kunnen niets tegen u inbrengen.” Het voorlopig gezag laat grootmoeder verder met rust. Dat belet de Ordedienst niet beide vrouwen op straat te zetten. Oma die doodziek is, en Moeder die twee kinderen heeft: Martje van nog geen anderhalf, en Janna van minder dan drie maanden. En hier begint mijn verhaal eigenlijk, alleen nog van horen zeggen. In Assen vallen twee mannen in burger het huis binnen en halen alles overhoop. Ze vinden een foto van een militair in Nederlands uniform. Moeder was eerder met hem verloofd, maar hij sneuvelde in de Javazee. “Nog een moffenhoer ook!” riepen deze goedgeïnformeerde Nederlandse nationalisten. Moeder had Martje haar zilveren geboortebeker gegeven, in de box. Eén van de mannen rukte die uit haar handje en stopte hem in zijn zak. Daarna werd zij met de twee kleintjes op straat gezet. Alleen de kinderwagen mocht mee, met wat kleren. Gelukkig had ze de sleutel nog, zodat ze in de nacht het aller-noodzakelijkste kon ophalen. Moeder ging naar, ja naar wie? naar iemand die bevoegd was. Ze vroeg:“Waarom maken jullie ons niet meteen dood?” “Omdat we u willen zien lijden” was het antwoord. Nu, dat is gelukt.
Zo begon een tocht langs familieleden. Oma Martje voegde zich bij ons. Tenslotte kwamen we met vijf andere gezinnen terecht in een onbewoonbaar verklaarde woning op Markt 20 in Assen. Moeder kon mij, haar baby, niet meer voeden. De huisarts van Oma had gelukkig nog een fles en wat babyvoeding. Janna, ik dus, had intussen “vogelpootjes”, zoals Moeder mij later zou vertellen. Ik denk daar zelf bij: “Ik heb dat propvolle huis vast aardig in de stank gezet met die ongeschikte voeding.” Moeder en Oma hebben gevochten voor mijn leven. Zoals moeders dat kunnen in oorlogstijd. Ik heb me altijd afgevraagd of dat zinvol was. Maar als het mijn kind was geweest had ik het ook gedaan. Vader kwam voorlopig vrij, en het gezin betrok een woningboot aan de Vecht in Overijssel. Daar kreeg hij maanden later een oproep om weer voor te komen. Hij ging aan de weg staan. Hij maakte uit voor zichzelf, dat hij zou meegaan met de eerste auto die kwam. Na lang wachten kwam er een auto uit het westen. Die nam hem mee in oostelijke richting. Vlak bij de grens stapte hij uit, en in de nacht ging hij over de grens, richting Gronau. Daar was een vluchtelingenkamp voor mensen uit het Oosten, veelal Mennonieten, geloofsgenoten dus. En zo verdween Vader, om later weer op te duiken in Paraguay. Moeder kreeg in haar kerk het stigma dat er bij hoorde als je foute familie had. Maar de heropende School voor Maatschappelijk Werk stelde haar in de gelegenheid haar studie af te maken. Met dank aan mr. Molzer en Dr. Banning, wil ik hier vermelden. Vanuit de familie en van individuele kerkleden en predikanten kregen wij wel hulp. Hier wil ik mijn (verre) oudtante Annie Joustra-Straatsma en haar man Tom noemen. Hij was directeur van “De Sierkan” in Haarlem en had dus best iets te verliezen. Geleidelijk namen zij de hele familie Luitjens op in hun huis. Moeder en Oma waren de eersten, met Martje en mij. Wij waren geregeld te gast bij het gezin Hoekema. Hij was doopsgezind predikant in Haarlem. En vanaf dit moment beginnen mijn herinneringen. Martje en de kinderen Hoekema die mij naroepen: “Jangejang, Jangejang!” en ik die antwoord: “Ik ben geen Jangejang meer, ik ben nu al groot!” Drie jaar moet ik toen geweest zijn. Oom Tom nam mij vaak op schoot en noemde mij Hope’tje. Op een dag gooide ik zijn zakhorloge naar beneden, in het trappenhuis. “Die lieve Hope’tje toch” was zijn reactie. Oma die voor mij zorgde, tantes en ooms die vrijkwamen, dat weet ik allemaal nog. Ik herinner mij de latere Oom Jan, de vriend van mijn tante die viool speelde. De tante zelf speelde huisje met mij onder de tafel. Mijn moeders jongste broer studeerde diergeneeskunde en liet mij zien hoe je een kikker ontleedt. Met Martje ging ik naar de kleuterschool, en we bleven altijd treuzelen bij een bakker die in een souterrain brood bakte. Moeder was veel weg, want die moest studeren. Bij tante Cobie Duyvis, een vroegere huishoudster van mijn vader, heb ik ook een tijdje gewoond. In haar tuin in Koog aan de Zaan zag ik een kabouter uit een boom komen die een spiegelei bakte in een pannetje. Moeder ging werken bij Volksherstel, en na een tijdje kreeg ze een baan als directrice van een tehuis voor opleiding van gezinsverzorgsters, aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam. Daar waren meisjes die met ons speelden en op ons pasten. Moeder las ’s avonds voor uit Winnie de Poeh en uit Grimbeltje. We gingen zelfs met haar alleen op vakantie naar Vlieland! Wij kinderen waren daar gelukkig. Voor Moeder betekende het: hard werken, lastercampagnes tegen haar in het tehuis, en verlangen naar de man van wie zij nog steeds hield. In 1950 nam ze ontslag en vertrok naar Zuid-Amerika. Ik weet nog goed hoe we op de kade stonden in Amsterdam, met onze koffertjes. Er was allemaal familie om ons heen, ik kreeg een rode ballon. Die knapte, en ging ik huilend en brullend aan boord van de Mendoza, een Argentijns schip.