Hoe de oorlog mijn leven beïnvloed heeft

Hilversum

Ons gezin bestond uit mijn vader (tweeënveertig, tekenleraar, kunstschilder en NSB-er uit idealisme), mijn moeder (negenendertig, tot mijn geboorte wijkverpleegster; zij was het niet eens met het NSB-lidmaatschap van mijn vader), ikzelf (negen), mijn broertjes Fred (zeven) en Wimmy (drie maanden) en mijn zusje Ellen (vijf).

Wij woonden in Hilversum en mijn ouders waren menslievende mensen. De armoede en werkeloosheid van de crisistijd, de toenemende alcoholverslaving en verloedering grepen hen zeer aan. Vader dacht dat een nationaal socialisme verbetering kon brengen voor de minderbedeelden. Hijzelf had een goed salaris, daarvoor hoefde hij het niet te doen. Toen de oorlog uitbrak, heeft hij bij de Afsluitdijk tegen de Duitse invallers gevochten. Vlak voor de oorlog is hij bij de Minister van Defensie geweest om te vragen hem te degraderen van officier naar gewoon soldaat, omdat hij nooit aan iemand het bevel zou willen geven een ander te moeten doden.

Als kinderen wisten we niet wat NSB betekende, mijn vader hield alles daarover buiten de deur. Ik merkte alleen dat er soms onenigheid tussen mijn ouders was over dit onderwerp. Verder waren ze heel eensgezind.

Wel werden we al vanaf 1941 gemeden en gepest door kinderen in de buurt en op school omdat we ‘NSB-kinderen’ waren, zeiden ze. Bijna alle vriendinnetjes en vriendjes mochten op den duur niet meer met ons spelen, zelfs mijn lievelings- tevens buurvriendinnetje niet. Als ik er over klaagde bij mijn moeder stuurde ze me met een kluitje in het riet en zei: “kinderen begrijpen hier niets van” en “vertel het maar niet aan papa”. Ik ging me buiten de deur onopvallend en afwachtend opstellen. Omdat ik het allemaal niet begreep en er geen vat op kon krijgen, had ik op den duur het idee dat er aan mijzelf iets niet goed was. Mijn zelfvertrouwen kreeg een flinke deuk.

Tot halverwege 1942 ging ik naar school, daarna werd er geen les meer gegeven i.v.m. brandstoftekort en het gevaar van beschietingen.  Eind 1942 vloog er een steen door onze ruit. De scherven vielen in de wieg met mijn babybroertje Wimmy, die voor het raam stond. Mijn moeder raakte nogal in paniek en ik had het idee nergens meer veilig te kunnen zijn, “want als zo’n klein onschuldig kindje al gevaar loopt in huis, hoe erg is het dan buiten wel voor mij”, dacht ik. Een maand later overleed dit broertje door wiegendood.

Wierden

In september 1944 vertrokken we hals over kop en met weinig bagage in een trein naar Twente. Mijn ouders vertelden ons dat we met vakantie zouden gaan naar ‘opa en oma in Hengelo’. (Veertig jaar later hoorde ik pas dat dit een speciale trein naar Duitsland was, die ingezet werd voor de vlucht van NSB-families en andere aanhangers; dus niet een ‘gewone’ trein, zoals ik altijd gedacht had. Er was honger in het westen van het land en de geallieerden hadden Zuid-Nederland bevrijd, waardoor veel NSB-aanhangers en andere Duits-sympathiserenden angstig werden.) Onderweg werd de trein een paar keer beschoten door vliegtuigen, in Amersfoort zelfs zwaar. We moesten schuilen in een schietput naast de rails, ik vond dat doodeng omdat er kikkers in zaten. De rit duurde lang, we reden langzaam en stopten vaak. Onderweg hoorden we dat Hengelo gebombardeerd was. Het was al laat toen we Wierden binnenreden.

In de trein zaten we met een ons bekend gezin met kinderen, dat in Wierden naar familie ging. “Ga maar met ons mee”, zeiden ze.  Zo kwamen we onverwachts bij de familie Van der Kolk, die aan de Aadorpsweg woonde. We werden daar heel gastvrij ontvangen. Voor ons kinderen was het de eerste weken een leuke vakantie. Met ons hele gezin sliepen we op noodbedden op de zolder van het kleine huis; ‘kermisbedden’ heetten die feestelijk, met de geuren van tabaksbladeren, die er boven hingen te drogen en van opgeslagen appels. Ineens tien logees moet een grote drukte geweest zijn voor dit oudere echtpaar met inwonende zoon. Zij waren ook NSB-lid.

We kwamen er al gauw achter dat de kinderen uit de Aadorpsweg evenmin met ons mochten spelen. Gelukkig waren er de kinderen van de andere familie en een flinke tuin met wat dieren, bijenkorven, fruit en groenten. We kregen stukken volle honingraat, zo groot… dat ik me er voorgoed op tegen gegeten heb. Het slachten en leegbloeden van het varken was wel griezelig voor ons stadskinderen. Tjonge, wat ging dat dier te keer, het gillen ging door merg en been. Mijn zusje heeft daarna nooit meer varkensvlees willen eten!

Na een paar weken niets doen liep mijn vader met zijn ziel onder de arm, wat mijn moeder niet kon aanzien. Ze adviseerde hem naar het gemeentehuis te gaan om werk te zoeken (waar ze later veel spijt van had!). Vader werd op het secretariaat gevraagd een lijst samen te stellen van vierhonderd Wierdense mannen die in Duitsland te werk gesteld moesten worden. Gemeenteambtenaren saboteerden het maken van deze lijst al een poos. Waarom mijn vader daar ooit aan begonnen is, blijft voor mij nog steeds een groot raadsel, temeer daar hij in de oorlog tegen mijn moeder had gezegd “Ga nooit naar Duitsland!”. Hij had gehoord dat er rijke boeren waren die hun zonen vrij kochten van deze verplichte tewerkstelling in Duitsland. De zonen van arme gezinnen moesten er voor in de plaats gaan, terwijl deze thuis juist zo hard nodig waren om het hoofd boven water te houden. Mijn vader vond dat oneerlijk en heeft toen gezegd: “Daar zal ik een stokje voor steken!”. Samen met zoon Van der Kolk begon hij aan het administratieve werk.

Vader was voor ons een leuke papa. Hij speelde graag met ons en kon leuke dingen bedenken. Hij goochelde, maakte zelf spelletjes en las elke avond voor. Begin november ‘44 sprak hij ons via de radio zogenaamd ’vanuit Spanje’ toe als Sinterklaas, die juist op de boot naar Nederland was vertrokken. Hij had voor iedereen in huis een vermaning of gekkigheid.

Op een avond hoorden we vliegtuigen en schieten. Er waren bommen gevallen in Wierden, bij het station. Hoewel mijn vader het te gevaarlijk vond en er tegen was, ging moeder toch alleen weg om te kijken of ze als verpleegster van nut kon zijn. Vader ging toen gymnastiek met ons doen en kunstjes maken om ons af te leiden. Mijn moeder kwam later erg ontdaan terug. Ze had er kunnen helpen, maar moest ook met pijn in haar hart een dood kindje aan een moeder overhandigen. Zijzelf had nog geen jaar geleden ons baby-broertje moeten begraven. Soms mocht ik met vader mee achterop de fiets naar de Bellinckhof in Almelo, waar ik dan in de sombere hal moest wachten.

Een drastische verandering

Op 13 november, in het donker, werd mijn vader bij thuiskomst op straat voor ons logeerhuis neergeschoten door mannen die hem de tas met adressen, die hij elke dag mee naar huis nam, wilden afpakken. Zoon Van der Kolk kwam er beter vanaf omdat de voor hem bedoelde kogel ketste of miste. Hij is hard gaan schreeuwen en de volwassenen in huis renden naar buiten.

Mijn moeder heeft nog even met een vreemde gevochten om de tas. Toen zijn de belagers in paniek weg gegaan naar ik later hoorde. De tas hebben ze niet meer meegenomen. Ik heb nog gezien dat mijn vader in de schuur op de grond gelegd werd. Het kleine gaatje in zijn hals zag er niet erg verontrustend uit, wel de kleur van zijn gezicht en het stille lichaam. Mijn moeder stuurde me in paniek schreeuwend weg met de opdracht te zorgen dat mijn broer en zusje niet mochten binnenkomen. Eerst heb ik tevergeefs met mijn broer in de deuropening gevochten, hij wist toch naar binnen te glippen. Daarna kwam ik op de gang mijn huilende zusje tegen, dat ik zo graag stil wilde krijgen. Hoe ik ook mijn best deed haar te troosten, het lukte niet. Ik voelde me tekortschieten en machteloos. Mijn vader was bewusteloos en heeft nog tien minuten geleefd terwijl mijn moeder ons de volgende dag vertelde dat ze die nacht nog met hem had kunnen praten en hij haar had gevraagd tegen ons te zeggen dat we lief voor haar moesten zijn, haar goed moesten helpen en dat vader vanuit de hemel alles kon zien. De avond ervoor was ik voor straf zonder nachtzoen vroeg naar bed gestuurd en de ochtend van de liquidatiedag had mijn vader iedereen goedendag gezoend, behalve mij omdat ik nog sliep. Ik voelde me lange tijd onevenredig stout en minder geliefd omdat de anderen toch nog een soort afscheid hadden gehad.

De volgende dag wilde een jongen aan de overkant van de straat opeens wel met me praten, omdat hij nieuwsgierig was. Het voelde voor mij als een glorie eindelijk ‘gezien’ te worden en er even te ‘mogen zijn’. Tegelijk schaamde ik me diep omdat mijn trots hierover in dit verband natuurlijk krankzinnig was. Niemand heeft me daarna ooit gevraagd wat ík precies gezien heb en hoe het allemaal voor mij was. Vierenveertig jaar later was het Koos Postema die me er als eerste naar vroeg in een uitzending over KOMBI.1) Achter de schermen kreeg ik daarna tot mijn eigen verbazing een hevige huilbui, niet beseffende dat het nog zo diep zat …. die eenzaamheid daarover.

Vader werd opgebaard in een school in het centrum. Mijn moeder wilde niet dat wij hem zagen. Ze dacht dat het te schokkend zou zijn voor haar kinderen om vader dood te zien en zo afscheid te moeten nemen. (Later heb ik nog vaak gedroomd en gefantaseerd dat hij niet echt dood was, maar gevlucht). Ik weet nog goed dat Mussert en een paar andere ‘hoge pieten’ op bezoek kwamen in de kleine huiskamer om te condoleren. Ik moest van mijn moeder opstaan om mijn stoel aan te bieden.

Mussert zei dat ik wel bij hem op schoot mocht zitten. Eigenlijk wilde ik dat helemaal niet. Ik vond hem niet vriendelijk en had bovendien een hekel aan zijn uniform (uniformen vond ik bedreigend, dat had ik overgehouden aan het zien van marcherende troepen en razzia’s op straat). Mijn moeder wilde verder met het gesprek, dus gebood ze me zijn aanbod aan te nemen….. Later gaf me dat vele jaren het gevoel dat ik wel een van de meest vieze NSB-kinderen moest zijn, omdat ik bij Mussert op schoot had gezeten. “Voor hem tien anderen!”, zei Mussert wraakzuchtig tegen mijn moeder. “Als u dat maar laat, want ik heb al verdriet genoeg!” hoorde ik mijn moeder daar direct boos op reageren. Gelukkig zijn er nooit wraakmaatregelen genomen voor de dood van mijn vader. Het valt te betwijfelen of de woorden van mijn moeder daar invloed op hebben gehad, want intussen werd zoon Van der Kolk, omdat hij het overleefd had, verdacht van dubbelspionage en door de SS twee weken gevangen gezet.2)

De NSB-leiding wilde van mijn vader een martelaar maken. Hij werd met militaire eer begraven. Ze hebben mijn moeder wijs gemaakt dat dat zijn laatste wens was en ….. een laatste wens was heilig voor haar, al moest het ook ten koste van haarzelf en anderen gaan.3) De familie van mijn vader wilde niet aanwezig zijn bij zo`n soort begrafenis. Op de begrafenisdag werd ons gezin met een koetsje van huis gehaald en reden we naar het centrum. Voor ons kinderen was dat ondanks alles toch een interessante gebeurtenis. Bij de Appelhofstraat moesten we wachten en kwam een grote, geheel zwarte begrafeniskoets voor ons rijden, begeleid door een groot aantal militairen en andere mannen in donkere uniformen. Aan de kant van de weg stonden mensen te kijken. Van sommigen vergeet ik het gezicht mijn leven lang niet meer: heel gemeen lachend! Het was alsof ik de duivel recht in zijn gezicht keek. Dat was heel verwarrend voor mij, want “hoe kun je daar nou zó om lachen als mijn lieve pappie dood is en weggebracht wordt”, dacht ik. Nog een knauw in mijn vertrouwen in mensen. Op het kerkhof voelde ik me erg nietig en angstig tussen al die zwarte laarzen en jassen. Het was niet onze begrafenis, die is ons echt afgepakt, vind ik. Mijn moeder had maar twee handen en die gebruikte ze om mijn broertje en zusje vast te houden. Er lag een grote NSB-vlag op de kist, ook al zo vervreemdend, die er onder doodse stilte afgehaald werd. Er volgde een militair saluut van, naar ik meen, twaalf schoten. Daar ben ik radeloos van geworden, maar kon er met niemand over praten.

Ik vond het zo krankzinnig dat er opnieuw zo vaak geschoten werd, nadat mijn vader zelf door een schot om het leven was gekomen. “Het leek wel of hij nog zoveel keer opnieuw werd doodgeschoten“, vond ik. Van eerbetoon op die manier snapte ik helemaal niets en eigenlijk nog steeds niet. Er waren veel toespraken die ik niet begreep, het had niets meer met ons te maken en ik maar bibberend wachten. Mijn enige aandeel in de gebeurtenis was een schepje zand op de kist gooien; niemand had me hierop voorbereid. Ik schrok erg van de doffe plof en wilde wel dat ik deze opdracht nooit had uitgevoerd. Mijn broertje durfde te weigeren. Op dit kerkhof heb ik toen voor het eerst een heel diepe eenzaamheid gevoeld, bijna alsof ikzelf dood was. Ik heb me met mijn ogen aan de boog in een beukenheg vlakbij vastgeklampt, als enige houvast in de omgeving. Er kwam geen steen op het graf omdat mijn moeder bang was voor grafschennis uit wraak.4) Verder ben ik heel lang bang geweest in Wierden gezien te worden en heb daar tot aan mijn vijftigste jaar vaak over gedroomd. Pas toen ik mijn vaders nicht Joke Wanschers voor het eerst durfde bellen en zij me vertelde dat ik wel welkom was in Wierden, begon het minder kil om m’n hart te worden.

Er werd woonruimte voor ons gevorderd (ik geloof door de WA) bij de familie Ter Haar aan de Almelosestraat, waar we het voorste gedeelte van hun huis kregen. Deze familie deed nooit beroerd tegen ons, maar we werden wel gemeden. Soms speelde ik buitenshuis wel eens met de jongste zoon.5) Ik was heel erg trots toen ik een avond binnen mocht komen om in de gezellige woonkeuken van de familie stilletjes de naaimachine aan te trappen, waardoor een soort fietslampje ging branden. Heerlijk dat ik even geaccepteerd werd! En makkelijk voor hen dat er iemand licht maakte. We waren in een vreemd ‘niemandsland’ geraakt, aan de ene kant bleven we toch het NSB-gezin voor de bevolking en werden gemeden, aan de andere kant kreeg mijn moeder geen steun van NSB-zijde omdat ze ‘anti’ was en werden we net zo goed gemeden. Ook voor kinderen is het een raar vacuüm als je nergens bij hoort!

Ik had de zware verantwoording op me genomen om, als oudste, nu de grote steun voor mijn moeder te zijn. Mijn moeder heeft vaak een beroep op mij gedaan en betrok me dikwijls bij haar zorgen. Dit zeer tot ongenoegen van mijn broer, die zich de man in huis voelde. Dat er veel ruzie was tussen hem en mij heeft hier helaas ook mee te maken gehad. Mijn moeder zoveel mogelijk steunen was voor mij tevens een vorm van zelfbehoud, want wat zouden we moeten zonder haar? Daardoor werd ik een te braaf en serieus kind.

Later speelden we in Wierden wel zo nu en dan met kinderen in de buurt, ‘tot aan de deur’, ik altijd afwachtend of ik wel écht mocht meedoen. Anderen mochten wel eens met hen mee naar huis, ik niet.6) Echte saamhorigheid voelde ik alleen als we met een stel kinderen gingen ‘aardappels pikken’ van boerenkarren die onderweg waren naar het kanaal in Aadorp. We hadden allen hetzelfde doel. Dat ‘jatten’ vonden we geen stelen, maar ‘zorgen voor thuis’. Per schip werden de knollen naar Duitsland vervoerd. Meestal lieten welwillende koetsiers ons onze gang gaan en haakten we na niet al te lange tijd af met een volle tas of emmer aardappelen of uien. Een keer klommen we op een vrachtauto van een boosaardige chauffeur. Hij begon heel snel te rijden, sommigen sprongen eraf, één viel lelijk, daarna durfde ik niet meer te springen. Woest vertelde de bestuurder ons een paar keer dat de soldaten bij het kanaal in Aadorp ons bij aankomst direct zouden doodschieten. Ik geloofde het helemaal, wat een doodsangst! Daar aangekomen maakte ik me zo klein mogelijk en liep hard weg. Wat was ik verbaasd dat er niet geschoten werd! Ik kreeg toch weer zoveel moed dat ik een heel eind verder met moeite een paar drijvende aardappels uit het water wist te vissen, zodat ik toch nog met iets eetbaars thuis zou komen.

Er waren meer dreigingen, zoals het hevige bombardement op een goederentrein, toen ik op een veldje naast de spoorlijn was. De scherven vlogen fluitend vlak over me heen, terwijl ik plat op de grond lag met m’n armen over mijn hoofd. Verder waren er de terugkerende angstige momenten als er afgeschoten V1’s uit de koers waren geraakt en rondtolden. Je wist dan van tevoren niet waar zij terecht zouden komen. Ik raakte soms in paniek, maar wegvluchten had weinig zin omdat de kans dat je getroffen kon worden overal even groot leek. We bleven die ronddraaiende dingen volgen tot we er kramp van in de nek kregen; tegen de zon in was het nog moeilijker ze te zien.

Ik kan me niet herinneren dat ik me verveelde in Wierden. We bedachten zelf ons speelgoed, maakten knikkers van klei, die de bakker aan de overkant in zijn oven liet meebakken. Of ik zat uren naast het fietspad met mijn bloemenwinkeltje van uitgestoken madeliefjes-pollen. Rond de Pasen deden we vooraan op het erf van de familie Stulen met kinderen uit de buurt een spel met echte eieren. We droegen de eieren in gehaakte, kleurige netjes om onze nek. Op een dag liep ik op de terugweg uit het dorp een poosje hard achter twee fietsers aan om te kijken of ik hen kon bijhouden. In mijn fantasie ontstond er toen een verhaal.

De mannen praatten over mijn vader en een zei tegen de ander dat hij hem gedood had. Voor mij werd dat werkelijkheid en ik vertelde het mijn moeder als een waar verhaal. Zij vond de strekking nogal vreemd en besteedde er gelukkig geen aandacht aan.7)

Ik weet nog heel goed dat er in de winter grote groepen bedelende mensen langs kwamen, velen met karren, kinderwagens, fietsen. Dit waren uitgehongerde mensen uit het westen van het land, die ons om aardappelschillen vroegen en alle eetbaars dat we maar konden missen. Zij zagen er vaak slecht uit en leken op zwervers. Sommigen boden spullen aan als ruilmiddel. Geschokt was ik toen een hoogbejaard buur-echtpaar helemaal uit Hilversum was komen lopen en mijn moeder om hulp vroeg. Het is gelukt hen tijdelijk bij de loco-burgemeester onder te brengen tot ze weer aangesterkt waren. De vrouw bleek ernstig dement en incontinent.

Begin april kwamen de geallieerden dichterbij en werd de strijd met de Duitsers steeds heviger. We zaten vijf dagen en nachten midden in het spervuurgebied en schuilden in de kelder onder het huis, samen met de familie Ter Haar en andere mensen uit de buurt. Veel plaats was er niet voor zoveel mensen. Al gauw zeiden een paar nieuwkomers tegen de familie Ter Haar “Gooi ze er toch uit, die smerige NSB-ers!” Dat werd later nog een aantal keren herhaald, wat mij nogal bang maakte. Ik zag ons al alleen buiten in de vuurlinie en de kou. Toen mijn broer ruzie maakte met een ander jongetje was de boot helemaal aan. In een hoek stond een grote kist met aardappelen, daar moesten wij, de drie ‘NSB-kinderen’, toen apart gaan zitten, op jute zakken. Daar zijn we een aantal dagen en nachten gebleven. Ik weet nog hoe die bobbelige aardappelen op den duur ongemakkelijk voelden. Bovendien werd het behoorlijk muf met zoveel mensen zoveel dagen in de kelder. Als een van de mannen uit de kelder wilde om te kijken hoe het er boven voor stond, begonnen er mensen angstig te roepen dat het té gevaarlijk was. Het huis werd in die dagen door een granaat aan de voorkant beschadigd. De knal klonk griezelig dichtbij. Zo nu en dan was het kogelgefluit en tankgebulder weer even wat rustiger. Op zulke momenten ging mijn moeder een tijdje weg om twee huizen verder (het huis van de loco-burgemeester) mensen te verplegen, die er gewond binnengebracht waren. Als zij er niet was, begonnen sommige mensen in de kelder boos over haar te praten ‘omdat ze de vijand hielp’. Mijn moeder had tegen hen gezegd: “Ik help álle mensen, ongeacht van welke kant; voor mij zijn ze in de eerste plaats ‘mens’. Ik vond het toch al angstig als moeder weg was, ook om het oorlogsgevaar boven de grond.

We wachtten allen met smart op het moment, dat een gevechtspauze werd ingelast, zodat we zouden kunnen vluchten. We dachten meerdere keren dat het kon, maar telkens kwam het bericht: “Nee, toch nog niet”.

Eindelijk was het zover en moesten we haast maken om weg te komen. Mijn moeder was toen juist weer in het andere huis om te verplegen. Het duurde te lang voor ze terug kwam. Er stond al een handkar gereed op straat, met de oude oma van de familie in een stoel er bovenop, verder nog wat huisraad. Ook mijn zusje van zes werd erop gezet. Maar mijn moeder was nog steeds niet terug. Iemand zwaaide al met de witte vlag. “Jij als oudste moet nu maar beslissen wat jullie doen: meegaan of hier blijven.”, werd er tegen mij gezegd. Mijn zusje huilde om moeder en mijn broer zei beslist “Ik ga niet zonder haar weg!” Wat voelde ik me wanhopig door mijn besluiteloosheid bij zo’n onmogelijke keuze: moest ik nu kiezen voor het leven van ons drie kinderen zónder moeder of een mogelijke dood voor ons vieren als we achter bleven? Ik had het toen erg zwaar.8) Net toen ‘de karavaan’ besloot op weg te gaan, kwam mijn moeder er toch aan. Ze kreeg natuurlijk verwijten naar haar hoofd, want ze had de hele groep in extra gevaar gebracht. Niemand wist hoe lang deze wapenstilstand zou duren.

Het was toen begin april 1945. Onderweg zagen we allerhande beschadigingen. Er lagen veel hulzen op de straat, maar ook meerdere dode soldaten: mannen in blauw-grijze uniformen. Ik hoorde iemand zeggen “Dat zijn Canadezen”. Een ander meende dat het ook wel Amerikanen konden zijn. Mijn moeder begon telkens te roepen “Niet kijken” en dat deden we dan juist, omdat we toch nieuwsgierig waren naar wat we niet mochten zien. Voor mij als kind was het kennelijk mogelijk zo’n vreemde wereld als een feit in me op te nemen, zonder te veel emoties. Mijn broer (toen zeven) raapte onderweg nog even een handgranaat op tot grote schrik van de volwassenen. Bij de Bellinckhof struikelde ik over een over de weg gespannen ijzerdraad en bezeerde mijn knie flink. Ik mocht niet stilstaan, moest ‘voortmaken’. Wat voelde ik me onbegrepen! Toen kwamen de emoties bij mij pas goed los. Vooraan in Almelo hingen de vlaggen uit. Er was blijdschap bij de bewoners…. en opluchting bij ons, dat we in veilig gebied waren.

Hoe ging het verder?

Almelo

We gingen naar mijn vaders ouders in Almelo. Mijn moeder knapte daar helemaal af en bleef een week in bed. Opa speelde met ons en was hartelijk, oma was nogal afzijdig, ze zorgde voor het huishouden. Bij haar kreeg ik het idee dat we eigenlijk niet zo welkom waren.

Een jeugdvriend van mijn vader, die met hem gebroken had toen hij zijn NSB-speldje zag, kwam om mijn moeder te condoleren. Hij was in een Engels officiers-uniform en ingelijfd om de terugkomst van Koningin Wilhelmina en het kabinet voor te bereiden. Op een middag toen we op bezoek waren bij mijn vaders lievelingszus en haar man ging iedereen toevallig even de kamer uit, behalve die oom en ik. “Ze hadden ze allemaal dood moeten schieten die smerige NSB-ers”, beet hij me briesend toe. Ik zei niets terug en voelde me akelig. Het leek alsof hij mij óók dood wilde hebben. Hij herhaalde het nog een paar keer, misschien om me uit mijn tent te lokken.

Hengelo

Door toedoen van de genoemde jeugdvriend van mijn vader zijn we met een auto naar Hengelo gebracht, waar we hartelijk en liefdevol opgenomen werden door de ouders van mijn moeder. Hun huis en de Tollensstraat waren gespaard gebleven, hoewel de bombardementen vlakbij grote vernielingen hadden aange-richt.

Tot mijn grote opluchting namen mijn grootouders blijmoedig de hele zorg van ons gezin op zich, ondanks dat ze beiden al zeventig waren.

Mijn moeder ging kort daarna weer verplegen en was lange dagen van huis. Zij werd waarnemend directrice in een noodziekenhuis in een Enschedese school, waar gerepatrieerden met allerlei achtergronden uit Duitsland werden opgevangen. Na enkele maanden werd ze zelf in een ziekenhuis opgenomen omdat ze tyfus had opgelopen. Ze was lang en levensgevaarlijk ziek. Ook ik werd aangestoken en lag drie weken in een isoleercel.

Onze grootouders wisten ons alle warmte, aandacht en gezelligheid te geven die we nodig hadden. Ook onze vriendjes en vriendinnetjes waren welkom en er kon veel. Het leek hen moeiteloos af te gaan en ze bleven opgewekt. Ik hoorde ze nooit klagen. Twee jaar woonden we bij hen in met onze eigen woon- en slaapkamers. In de straat was een prettige sfeer. We konden hier gewoon meespelen. Oma maakte de dagelijkse theeceremonie heel genoeglijk waarbij iedereen welkom was. Bij het zwakke schijnsel van het theelichtje schemerden we en zong oma liedjes met ons of leerde ons gedichtjes. De kinderen uit de buurt vonden het ook prachtig. Hier hervond ik de echte geborgenheid.

Wij waren ondervoed geraakt en hadden alle drie dikke zweren en luizen. Een vriendin van mijn moeder was verpleegster en kwam onze wonden geregeld verzorgen. Een vriendinnetje in de straat, wier vader slachter in het slachthuis was, vroeg haar ouders of wij om de beurt als gast aan tafel mochten mee-eten. Haar ouders waren akkoord, omdat ze mijn grootouders wilden ondersteunen (we zijn nog steeds vriendinnen).

Het bericht over mijn vader leek ons ver vooruit te gaan, waar we ook kwamen. Op school had ik het moeilijker, want ik werd daar door sommige kinderen ‘gepakt’ omdat ze mij een NSB-kind vonden: schelden, plagen, uithoren, meppen en duwen. Een paar bleven daar zelfs mee doorgaan tot 1948 op de ULO. Een groep jongens greep me toen vast terwijl ik geen kant opkon. Eén van hen schopte me daarbij verschrikkelijk hard in het kruis. Dat was afschuwelijk pijnlijk, maar nog meer vernederend. Net zo oneerlijk was het schoolhoofd van de lagere school, die me nooit aansprak of een beurt gaf. Hij heeft me alleen maar genegeerd en zelfs niet willen adviseren voor een vervolgschool. Alsof ik helemaal niet bestond. Erg verwarrend voor me, wat kon ik er aan doen? Ik deed krampachtig mijn best, maar dat had geen effect. Gelukkig waren de leerkrachten van de andere klassen vriendelijk en leken die weerstand niet te hebben. Een poos had ik achtervolgingsangsten. Met mijn moeder durfde ik daar niet over te praten, evenmin met anderen, want ik vond mezelf raar omdat ik angst had om iets dat er niet echt was.

De tweede wereldoorlog is nog lang van invloed gebleven in mijn leven. De alom gewaardeerde bevrijdingsdagfeesten en Koninginnedagvieringen waren tot ver in mijn volwassenheid een gewetensprobleem voor me, om over vier mei nog maar te zwijgen, want dan zou ik het liefst ‘helemaal van de aarde weg’ zijn. “Mag ik er eigenlijk wel aan mee doen? Is dat niet vals, is het wel voor mij? Zullen de mensen me geen verraadster vinden?” Jarenlang plaagden deze vragen me en kwam ik er niet uit. Nog steeds voel ik me een beetje ongemakkelijk, maar vind nu wel dat ik mag rouwen als ik dat wil en dat ik óók bevrijd ben in 1945.

Steeds meer kreeg ik moeite met de gedachte aan mijn vader toen langzaamaan tot me doordrong welk groot onrecht het systeem van de Nazi’s en NSB had veroorzaakt, zoals de holocaust waarbij onschuldige mensen op zo’n beestachtige manier vermoord werden. Ik kon geen achting meer voor mijn eigen vader hebben en ging hem ontzettend haten. De hetze van veel mensen na de oorlog tegen alles wat bezetter en NSB was, betekende eigenlijk koren op mijn molen, behalve als het tegen mijzelf gericht was: “Ik heb dit systeem immers niet gewild en wees het alleen maar af”. Verwarrend en pijnlijk bleef het als men mijn vader ‘aanviel’, zelfs als ik het daarmee eigenlijk eens was. Mijn eigen familie reageerde afwijzend op mijn boze gevoelens. “Je vader was een goed mens, je mag niet zo over hem denken. Wij wisten toen niet dat zulke dingen gebeurden”. “Hoe kan het toch dat mijn eigen ouders zo blind waren en het niet geloofden, terwijl ik er als elf-jarige niet omheen kan?”, dacht ik. Ik voelde me zeer onbegrepen en eenzaam hiermee, ik hield verder thuis mijn mond over mijn vader….. en buiten dúrfde ik niet over hem te praten uit angst zelf afgewezen of aangevallen te worden vanwege mijn vaders keus; bovendien had ik van mijn moeder het advies gekregen met niemand over hem te praten.

Als kinderen spraken we thuis onderling nauwelijks over vader en wisten van elkaar ook niet dat we later ieder apart wel eens naar het kerkhof gingen; dat hoorden we soms van derden. Mijn vader stopte ik als het ware diep weg en ik verloor allerlei herinneringen aan hem; op den duur wist ik zelfs niet eens meer of ik ooit van hem gehouden had! Dit heeft mijn relatie met mijn moeder, broer en zus geen goed gedaan.

Ik had angst te ontdekken dat mijn vader zwaar misdadig was geweest, zo misdadig als het systeem zelf. Daarom durfde ik heel lang niet uit te zoeken welke rol hij in deze oorlog had. Ik dacht, als hij doodgeschoten moest worden, moest hij wel iets heel ergs op zijn geweten hebben.

Mijn moeder werd uit rehabilitatie-overweging gevraagd in de verbandkamer van Stork te komen werken en werd niet veel later de eerste maatschappelijk werkster van deze grote machinefabriek. Ook voor het gezinsinkomen moest mijn moeder werken, want de eerste tijd kreeg ze niets van mijn vaders pensioen. Later is ze daarin tevens gerehabiliteerd, maar het was te weinig om met ons vieren van te leven. Ze maakte meer dan vijftig uur per week en was dus veel weg. In die tijd was een werkende moeder ongewoon. Helemaal toen wij een eigen huis kregen, voelde ik me weer eenzaam. Het leek me prachtig om, net als veel van mijn vriendinnen, een moeder te hebben die ons na schooltijd thuis achter de theepot zou opwachten en aan wie we ook onze verhalen kwijt konden. Voor een groot deel zijn we alleen opgegroeid. Als oudste kreeg ik te veel verantwoordelijkheid, moest in huis veel doen, maar ook op mijn kleine zusje Ellen passen. Zij was op haar zevende diabeet geworden en moest streng dieet houden en insuline prikken. Dat betekende toen: alle voeding afwegen, insuline prikken met dikke naalden en grote spuiten, die je zelf moest uitkoken. Ik kreeg uitdrukkelijk de opdracht van moeder dat ik goed moest zorgen dat Ellen niet snoepte, waardoor ik me een soort politie-funktie aanmat. Dat heeft wel tot enige verwijdering tussen haar en mij geleid. Ik hield erg veel van haar, was als de dood dat haar iets kon gebeuren. Meerdere keren heb ik ’s nachts, vaak samen met moeder, aan haar bed gezeten als ze in coma was geraakt. Helaas overleed Ellen in 1963 onverwachts door onopgehelderde complicaties bij diabetes. Ze werd net vijfentwintig jaar.

Toen ik te kennen had gegeven dat ik graag naar de HBS wilde, werd besloten dat ik bij mijn oom Jan (de broer van mijn vader) en tante Janny in Almelo in huis zou komen, behalve in het weekend. Dat was heel fijn voor me, het werd er een echt thuis. Ze hadden geen kinderen, maar ik voelde me er een beetje hun kind, doordat ze zo lief, zorgzaam en betrokken waren, maar vooral ook gezellig. Het heeft me heel goed gedaan bij hen te mogen wonen. Oom Jan was de enige en oudere broer van mijn vader. Het was leuk als hij wel eens iets over vroeger vertelde, al kon ik mijn moeilijk gevoel over mijn vader net zo min bij hen kwijt.

Zijzelf hadden in het verzet gezeten, maar zeiden: “Je mag nooit kwaad denken over je vader, want hij was een heel goed mens” en daarna was het gesprek gesloten. Voor mijn negatieve gevoelens was nergens begrip. Mijn oma, de moeder van mijn vader, heeft nooit met één woord over mijn vader gepraat, niet met mij, niet met haar kinderen of kleinkinderen. Opa Wessels heeft erg geleden onder het verlies van mijn vader, hij is er krom van geworden. Hij had zoveel van hem verwacht, ook als kunstschilder. Opa overlijdt in 1946 aan een hartaanval en oma heeft altijd gedacht dat de dood van mijn vader daarvan de oorzaak was.

De laatste twee jaar op het Erasmus-lyceum in Almelo (de oude Burger-HBS) zaten we met vier meisjes in de klas. Ik durfde met hen nooit over mijn vader te praten uit schaamte…. én angst dat ze me dan niet meer moesten. Later bleek dat ze het allemaal wel wisten, maar mij er niet op aan keken; ze lieten het iets van mijn vader alleen zijn, wat ik toen zelf nog niet kon. In 1953 slaagden alle eindexamenkandidaten van de school en hing de vlag feestelijk voor ons uit. Het was mijn grote wens om te gaan studeren, liefst medicijnen, maar dat kon mijn moeder zich niet veroorloven. Ik ging werken als secretaresse van een medisch specialist.

Op de eerste oud-leerlingen fuif (op 23 december 1953) sprong tijdens een malle ‘watersnooddans’ de vonk over tussen mij en Kees Derks. Mijn tante, zus van mijn vader, bridgede die avond toevallig in hetzelfde gebouw met zijn ouders en vertelde hen toen al dat mijn vader als NSB-er doodgeschoten was. Ook nu leek het bericht me weer vooruit te snellen. Wij trouwden in 1959, op mijn vierentwintigste verjaardag. Kees voer lange reizen als stuurman en ik werkte op het MAI-bureau in Amsterdam. Toen mijn man solliciteerde om loods te worden, kreeg hij een militaire keuring (het loodswezen viel toen nog onder de Marine). Hij kreeg te horen dat hij veel geluk had omdat hij een jaar eerder nog afgekeurd zou zijn vanwege het NSB-schap van mijn vader. Dat terwijl mijn man zelf van zijn zevende tot zijn elfde jaar in Indonesië in een Jappenkamp had gezeten en ik mijn vaders keuze toen al meer dan vijftien jaar afwees! Het was heel schokkend voor me te ontdekken dat ik persoonlijk nog een gevaar voor mijn geliefden kon zijn. De angst bekroop me toen ik aan de toekomst van mijn kinderen dacht.

Mijn oorlogsbelevingen hebben blijvend invloed gehouden in mijn verdere leven, zowel in negatieve als positieve zin.

Door dertig jaar een grote schaamte en diepe haat voor mijn overleden vader mee te torsen, heb ik mezelf en mijn familie flink tekort gedaan. Jammer dat ik niet eerder aan de verwerking van mijn trauma kon beginnen en er zo lang in de hulpverlening geen begrip was voor oorlogstrauma’s. Vanaf 1983 kreeg ik hulp van lotgenoten binnen de Werkgroep Herkenning, hulp die ik later zelf ook heb kunnen geven. In Zeeland richtte ik een regionale afdeling op. In 1988 ben ik mede-oprichtster van Stichting KOMBI.9) Voor mannen en vrouwen met diverse achtergronden die kind waren in de oorlog en daar nu nog last van hebben (zoals uit verzets- en joodse gezinnen, mensen die als kind in Indonesië in een Jappenkamp zaten, kinderen van NSB- of SS-ouders, kinderen van Japanse soldaten, van Duitse ouders, burgeroorlogsgetroffenen enz.). Onze stichting kreeg in 1993 de ‘Marga Klompé-prijs’ voor haar werkwijze en initiatieven. KOMBI probeert de goede ervaringen nationaal en internationaal door te geven.

Door mijn worsteling en zoekproces ben ik persoonlijk gegroeid. Ik ontmoette daarbij veel welwillende mensen, kreeg meer begrip en sloot vriendschappen. Op mijn veertigste heb ik een sociale opleiding gedaan en in een verpleegtehuis gewerkt. Mijn betrokkenheid bij mensen die het moeilijk hebben kan een sublimering zijn. Zeker is dat ik een antenne heb ontwikkeld voor discriminatie en minderwaardigheidsgevoelens, deze probeer ik te bestrijden. Meerdere malen heb ik over de specifieke oorlogsproblematiek uitleg mogen geven in scholen, kerken en voor kranten. Op vijf mei 1985 voor de IKON-tv, op een andere vijf mei in hotel ‘De Wereld’ in Wageningen en, zoals al eerder beschreven, later in een tv-programma van Koos Postema. Ik voel me speciaal aangetrokken tot kinderen die het extra moeilijk hebben. Als vrijwilligster zet ik me al jarenlang in voor kansarme kinderen hier en in ontwikkelingslanden. Voor mij betekent dat ‘het estafettestokje doorgeven’; nu kan ik de hulp doorgeven die ik vroeger van sommige anderen ontving. Hopelijk kunnen deze kinderen dat later op hun beurt ook doen.

Postuum heb ik opnieuw een relatie met mijn vader kunnen opbouwen, nadat ik hem weer als de lieve, kunstzinnige vader kon zien die hij voor me was en het NSB-lidmaatschap als zijn geheel eigen verantwoordelijkheid kon laten zijn.

Zowel Wierden als Hilversum zijn lange tijd moeilijke plaatsen in mijn bestaan geweest, waaraan ik niet graag herinnerd wilde worden. Ik had er tot mijn vijftigste dikwijls nare dromen over. Tijdens mijn latere verwerking ben ik in beide plaatsen terug geweest om er een videofilm voor mezelf op te nemen van bekende plekken. Deze huidige werkelijkheid heeft me goed gedaan, deuren geopend voor mijn verdere zoekproces en goede contacten opgeleverd met ‘mensen van toen’.

Noten: 1) KOMBI: St. Kinderen van de Oorlog voor Onderlinge en Maatschappelijke Begeleiding en Integratie 2) Door deze onterechte verdenking is er nooit meer met de betreffende tas en lijst aan tewerkstelling in Duitsland gewerkt, hoorde ik veel later. 3) Toen ik pas rond 1990 uit betrouwbare bron hoorde over deze leugen, durfde ik mijn oude moeder de waarheid niet meer te vertellen, om haar geen extra verdriet en verwarring aan te doen. 4) Tot tientallen jaren was het voor mij op dit stille kerkhof in mijn beleven nog barstens vol met lawaai en mannen in zwarte laarzen en jassen. 5) Ongeveer vijfenveertig jaar later bevestigde hij mij in een prettig weerzien dat men ons inderdaad opzettelijk meed. 6) Pas na zestig jaar begrijp ik het beter, want ik hoorde kortgeleden dat er soms onderduikers bij een van de kinderen in huis waren. Onze ouders hadden ons in de oorlog nooit verteld over het begrip ‘onderduikers’. 7) Deze fantasie was zo sterk dat het tot in mijn volwassenheid heeft geduurd voor ik zeker wist dat het nooit echt gebeurd was. 8) Ik vind nu dat mijn moeder ons onder zulke gevaarlijke omstandigheden niet alleen had moeten laten. 9) Voor meer informatie kunt u terecht op de website: home-l.tiscali.nl/~kombi. Ook de werkgroep Herkenning waar Tineke Derks veel hulp van heeft gekregen bestaat nog steeds: werkgroepherkenning.nl

Dit verhaal verscheen eerder in "Allerlaatste Herinneringen Wierden 1940-1945" van Stichting Historische Kring Wederden.