In Rotterdam bestaat vanaf 1936 de goedlopende firma Scussel en Co., een Italiaanse ijssalon in Italiaanse handen. Massimiliane Guglielmo Scussel en Arturo Emilio zijn eigenaar. Wanneer Scussels echtgenote overlijdt, besluit hij terug te keren naar Italië. Maar zaak is te druk om alleen te runnen. Daarom vraagt Arturo Emilio in 1955 zijn in Italië wonende zwager Remo om mede-vennoot te worden.
Remo is dan 53 jaar oud. Hij is getrouwd met de tien jaar jongere Livia Teresa. Samen hebben zij een zoon van dertien, Mario. Remo is een zakenman en Livia is huisvrouw. Samen hebben zij er belangstelling voor om in de Nederlandse zomermaanden aan de slag te gaan in de ijssalon.
Het plan is dat zij ieder jaar van maart tot en met oktober in Nederland als seizoensarbeiders in Nederland verblijven en in de winter terugkeren naar Italië. In de winter heeft het pand een andere bestemming. Het wordt dan gebruikt door kledingmagazijn Brijs. Noch Livia, noch Remo is eerder in Nederland geweest.
Om als seizoensarbeider aan de slag te gaan, heeft Remo een verblijfsvergunning en een visum nodig. Vanuit Italië is er geen enkel probleem. Het Nederlandse consulaat in Rome stuurt naar de Visadienst in Den Haag het bericht dat Remo op het uittreksel uit het strafrechtregister de aantekening ‘nulla’ heeft gekregen. Hij is dus niet eerder (noemenswaardig) met justitie in aanraking gekomen. Zowel Remo als Livia krijgen beiden een tijdelijke verblijfsvergunning. De zomer van 1956 kunnen zij dus besteden aan het verkopen van ijsjes in Rotterdam.
Dan, in september 1956, komt er een brief namens het hoofd van de afdeling Vreemdelingenzaken en Grensbewaking. Uit inlichtingen is gebleken dat Remo met de Italiaanse communistische partij sympathiseert. In die tijd wordt het communisme als vijand nummer 1 beschouwd.
Vreemdelingenzaken vraagt advies aan de politie inzake de verlenging van de verblijfsvergunning van Remo, zodat hij ook in 1957 ijs kan verkopen. Volgens de brief heeft Remo nooit enige activiteit ontplooid als communist, maar toch zou het hoofd Vreemdelingenzaken nader worden geïnformeerd over deze ‘vreemdelingen’. Pas in februari 1958 komt er vanuit de Gemeentepolitie Rotterdam een reactie. Remo woont niet meer in Rotterdam. Maar niet vanwege communistische activiteit, want daarvan is hij van gevrijwaard.
Wat blijkt? In september 1956, dus na het zomerseizoen, zijn Remo en Livia teruggekeerd naar Italië. In april 1957 keert Remo alleen terug naar Rotterdam en hij verkoopt die zomer het ijs zonder zijn vrouw. Livia is om gezondheidsredenen in verband met het Nederlandse klimaat niet meegekomen. Remo keert in september ook terug naar Italië. Voorgoed.