Er is een sfeer van vijandigheid met uitingen van psychisch geweld die ik als wreed ervaar. Door die situatie kom ik na enkele jaren in een affaire terecht met mijn toenmalige huisarts. Ik vertrouw hem en vertel over mijn moeilijke situatie. Hij heeft veel begrip maar op een dag blijft het niet bij troostende woorden. Hij gaat met me vrijen en ik voel me daarbij alsof ik thuiskom, volkomen gelukkig. Hij, achteraf geschrokken van zijn aandeel en ik blij met iets wat ik niet ken tussen mijn man en mij. De dokter is gereformeerd en bevriend met de dominee. Als het uitkomt, (ik kan het niet verzwijgen) besluiten deze twee vrienden dat ik het gebeurde alleen in mijn fantasie beleefd heb. Dat komt wel vaker voor zegt de dominee. Als ik hem de deur wijs zegt hij: ‘Ziet U wel dat U niet helemaal goed bent, wie zet er nu een dominee buiten!’ Vanaf die tijd mag ik niet meer deelnemen aan het heilig avondmaal. Ik moet eerst mijn lasterpraat intrekken. Dat doe ik niet, maar ik zoek voortaan achter in de kerk een plaatsje, terwijl ik mijn huisarts zie plaatsnemen aan de gedekte tafel voor in de kerk. Mijn man blijft mij jarenlang hoer, slet en natte krant noemen. Vanaf die tijd is er ook lichamelijk geweld. Ik wil van hem scheiden, maar hij wil het niet. Hij zegt dat hij me altijd wil blijven straffen. Hij dreigt met ervoor te zullen zorgen dat de kinderen van mij zullen worden afgenomen. Mocht ik een echtscheiding in werking stellen, dat zal hij mij weten te vinden, ik zal het niet overleven.
Dertien lange jaren vol angst, agressie en eenzaamheid voelen als een eeuwigheid. Die lichamelijke en psychische pijn maken dat ik mijn man ga haten. Ik kan mijzelf niet uit deze situatie bevrijden. Het voelt alsof ik door moet vechten om met mijn kinderen uiteindelijk misschien te overleven. Tot de dag dat ik een mens, die ik vertrouw en ‘hoger’ inschat dan mijzelf, zegt: ‘Waarom ga je niet scheiden, je kunt het, je hebt mogelijkheden genoeg’. Het voelt als een soort toestemming. Jarenlang heb ik onbewust op deze woorden gewacht.
De scheiding verloopt met problemen. Het is in die tijd nog niet mogelijk te scheiden als beide partners het daar niet over eens zijn. Er moeten ‘spelletjes gespeeld worden’ om de ander zover te krijgen. Het gaat als volgt: ik moet mijn man aanklagen en beschuldigen van overspel. Waarschijnlijk zal hij dan erg boos worden en mij beschuldigen van hetzelfde. Op dit moment kan ik mijn beschuldiging weer intrekken en ‘de schuld’ op me nemen. Zo is het gegaan. In 1971 zijn we officieel gescheiden. Ik ben al vijftig als ik ontdek dat de schuldvraag, in ieder geval voorlopig, in mijn leven geen zin meer heeft. Wanneer een mens die mij pijn doet of benadeelt zich niet bewust is van zijn/haar levenssituatie (dit kan blijken uit zijn/haar handelen, kan ik dit niet meer als schuld zien). Ik zie het eerder als uiting van onvermogen en onmacht.
Om niet al te abstract te worden, dit levensvoorbeeld: In ons huwelijk krijgt mijn man te maken met mij en mijn pijnlijke verleden. Hij neemt daar kennis van. (Ik vertel het de eerste keer dat we rustig bij elkaar zijn). Daar neemt hij zich voor dat hij én ik het samen goed zullen hebben. Maar hij noch ik weten op dit moment wat mijn verhaal in de realiteit van de dag zal brengen. Hij weet onder andere niets van mijn kwetsbaarheid en overgevoeligheid voor veel zaken. Ik weet niets van zijn onvermogen daar ooit mee om te kunnen gaan. Tegen dat onvermogen aanlopen en de situatie in de hand willen houden, kan leiden tot geweld.
Waar ben ik zelf nu de schuldvraag geen weg meer is? Ik ben me meer bewust geworden van veel in mij en kan daardoor zelf verantwoordelijk zijn. Ik wil niet meer toelaten dat anderen hun ‘tekorten’ of frustraties over mij heen storten. Ik spreek hen daar op aan. Ook al is dat wel eens moeilijk.
Het verhaal van mijn huwelijk is belangrijk in het geheel van mijn levensverhaal. Ik heb niet geschreven om te oordelen maar om het probleem te duiden.
Tijdens mijn scheiding ontmoet ik een docente vanuit mijn opleiding in het Diakonessenhuis. We hebben enkele gesprekken en ze zegt: ‘Ik wil je wel coachen, als je opstaat uit deze ellende’. Eerst word ik gezinshelpster bij een instelling voor gezinsverzorging. Na ongeveer anderhalf jaar start ik een parttime opleiding middelbare beroepsopleiding sociale dienstverlening. (MBO-SD)
Ik word fulltime aangenomen als assistent-leidster gezinsverzorging. Na deze driejarige middelbare opleiding ga ik door naar de Sociale Academie, dit ook parttime. Ik behaal ook dit diploma. Jarenlang ben ik moeder, huisvrouw, maatschappelijk werkster en studente. Ik voel dat ik het kan want ik heb veel energie en in ons huis is géén oorlog. De jaren vliegen voorbij. Ik houd van mijn werk met mensen. De kinderen zitten inmiddels op vervolgopleidingen en ik zie geen bijzondere problemen bij hen. Als ik ze wel zie, probeer ik het zelf op te lossen. Ik heb sterk het gevoel dat ik alles zelf moet doen en ik wil het ook. Nog onbewust van mijn eigen brandmerk wil ik hen beschermen tegen stigmatisering, die zij zouden kunnen oplopen in de professionele hulpverlening.
Jarenlang krijg ik éénmaal per maand bezoek van een legerpredikant. We kennen elkaar vanuit de tijd dat ik nog getrouwd ben. Door de problemen in mijn huwelijk krijg ik contact met hem. Na mijn scheiding blijft hij mij bezoeken, hoewel de noodzaak ervan niet meer aanwezig is. Dit contact is jarenlang erg belangrijk voor mij. Ik voel een diepe liefde voor deze man.
Toch word ik regelmatig ‘verliefd’ op andere mannen. Ik heb sterk het gevoel dat ik niet compleet ben als er geen man van me houdt. Ik verdeel mijn gevoelens over meerdere vrienden. Op deze manier zal ik nooit helemaal alleen zijn. De gevoelens en vrienden wisselen, maar die ene, de legerpredikant, is er altijd en hij is de allerbelangrijkste. Veel later als hij me niet meer zien na een liefdesrelatie die er onvermijdelijk van moest komen, raak ik volkomen in de war. In wakende toestand zie ik hem steeds voor me en dan verandert hij in mijn mama. Een mensenmassa bewapend met stokken schreeuwt: ‘Zij moet begraven worden! Zij moet begraven worden!’. Ik kan niet anders dan schreeuwen: nee, nee. Maandenlang ben ik in de war. Het gaat niet goed met mij. Weer jaren later begrijp ik ten volle de betekenis van mijn psychose.
Op alle fronten van mijn leven ben ik met alle kracht die in mij is bezig mijzelf te bewijzen in mijn werk, de perfecte moeder te zijn, anderen geluk te brengen en voor mijzelf een goede vriend te zoeken. Zo één die mij begrijpen, liefhebben en nooit verlaten zal.
Steeds vaker moet ik mij ziek melden onder de noemer overspannen. Maar deze ziekte wil ik niet kennen, deze ziekte past mij niet want ik ben een vechter en dus sterk. Dat heb ik als kind toch bewezen… Ik verstop mij in mijn huis, ik voel me waardeloos. Ik schaam me diep. Steeds weer raak ik in een sociaal isolement.
In deze jaren is er weinig echt contact met mijn familie. In mijzelf is daar een stil verdriet om maar ik ben niet in staat er iets aan te veranderen. Ik heb al mijn energie nodig om op zoveel terreinen tegelijk te functioneren. Als we elkaar als familie wel spreken is er een sfeer die als vroeger voelt. Gesprekken gaan vaak naar die tijd terug. Vooral tussen mijn broer en mij. We zitten steeds in de herhaling van onze persoonlijke geschiedenis. Ik voel me daar niet prettig bij want we komen niet verder en in die gesprekken sluiten we anderen buiten.
Door een pijnlijk misverstand is er een situatie ontstaan waarin we niet meer met elkaar omgaan. Dit doet me iedere dag verdriet. Ik kan er niet aan wennen. Ik voel een diepe verbondenheid met mijn broer door alles wat wij samen als kind hebben moeten doormaken. Dat wat hij en ik alleen weten in alle diepten. Wij samen met onze mama en papa.
Tweeëneenhalf jaar ben ik in psychotherapie. Het wordt groepstherapie. We werken met de methode Transactionele analyse. Aan het begin van de therapie (ik kan niet meer leven) moet ik een contract ondertekenen waarin ik beloof mijzelf of mijn geliefde, die de relatie verbroken heeft niet te doden. In de therapie komt mijn verleden niet of nauwelijks aan de orde. De methode richt zich vooral op het heden. De behandeling is keihard, het zijn zware jaren maar ik voel dat ik er belangrijke dingen leer over mijzelf. Meer verantwoordelijk over mijn leven verlaat ik de groep na tweeëneenhalf jaar. Het advies is onder andere: voortaan halve dagen werken. Dit gebeurt.
In halve dagen, hele weken werk willen verzetten, is niet gelukt. In 1985 ben ik volledig afgekeurd.
In de tijd tussen nog werken en afkeuring bezoek ik enkele werkweekenden van Werkgroep Herkenning (opgericht in 1981 en hulporganisatie voor kinderen uit N.S.B.-gezinnen. Daar wordt mij pas echt duidelijk hoeveel schade kinderen uit deze gezinnen hebben opgelopen. De eerste keer dat ik er aan deelneem, ben ik diep geraakt door die herkenning. Als ik de ruimte binnenkom waar veel lotgenoten staan, kijk ik naar hen en op al die gezichten zie ik hetzelfde! Zonder woorden voel ik mij ‘hun zusje in het leed’ en mijn tranen blijven stromen. Ik ben bij mijn eigen diepe waarheid aangekomen. Later, in kleine groepjes komen de verhalen. Het zijn persoonlijke verhalen maar er zijn zovéél overeenkomsten dat toeval niet mogelijk is. Er zijn veel maatschappelijk werkenden, verpleegkundigen en andere zorgverleners. Ook zakenmensen. Veel van hen zijn al in de WAO geraakt door een grenzeloze werkinzet. Nooit is het bij deze mensen genoeg. Altijd moet het beter en méér. Veel mensen hebben problemen in hun huwelijksrelatie. Anderen zijn gescheiden. De mensen die ik er spreek zijn allen lichamelijk en/of geestelijk opgebrand. Ik ben er maar enkele keren geweest. Ik zeg dat het voor mij wel genoeg is geweest en dat ik niet in de ellende wil blijven hangen. Nu weet ik dat ik er meer had kunnen halen voor mezelf maar dat is in die tijd nog te bedreigend voor mij.
Door de jaren heen lees ik over kinderen van de oorlog. Het zijn de kinderen van joodse slachtoffers, kinderen uit gezinnen die in Jappenkampen zijn geweest en kinderen van verzetsstrijders. Hoe verschillend de doelen van hun ouders zijn geweest, het maakt niet uit. Als deze ‘kinderen’ elkaar ontmoeten en als ze eenmaal zover zijn dat ze elkaar zonder oordelen kunnen zien en horen, ervaren zij veel overeenkomsten.
Als ik nu nog op de T.V. beelden zie van steeds weer een nieuwe oorlog met vrouwen en kinderen op de vlucht voor oorlogsgeweld, dan voel ik woede en onmacht om wat maar niet verandert. Dan te weten, dat mijn eigen oorlog nog niet voorbij is en dat de gevolgen zich nog bezig zijn te herhalen in het leven van mijn kinderen (inmiddels derde generatie).