Dat de miljoenen mensen die door oorlogshandelingen of door misdaden tegen de menselijkheid -van voor en tegenstanders- zijn omgekomen nooit voldoende bestraft konden worden. Maar de mens leert. Ik leerde dat er toch nog al wat straffen waren uitgedeeld na 1945, en dat er toch nogal wat genoegdoening was gepleegd. Ik kwam dan ook tot een nieuwe conclusie, waarvan ik ook leerde begrijpen dat hij niet politiek correct is: ik kwam tot het idee dat die straffen bedoeld waren geweest om te straffen, en dat de genoegdoeningen bedoeld waren geweest om genoeg te doen. Het voordeel van zo'n visie is, dat je die Tweede Wereldoorlog achter je kunt laten; dat hij niet als historisch gebeuren verdwenen hoeft te zijn, maar dat schuld gedelgd kan zijn. Iemand die zich in dit soort voordelige redeneringen wentelt, heeft natuurlijk buiten de waard gerekend. Want de waard is er om af te rekenen. Wie is de waard?
In NRCHandelsblad van 7 maart 2008 stond een pleidooi voor een monument voor slachtoffers van onbestraft oorlogsgeweld: Eer de Onbekende Verkrachte Vrouw (van Heleen Mees). Veel verkrachtend oorlogsgeweld wordt daarin aan de orde gesteld: onder meer de verkrachtingen in Berlijn door de soldaten van het Rode Leger in 1945. Mees stelt:”In 1945 werden naar schatting 2 miljoen meisjes en vrouwen slachtoffer van (deze) seksuele wreedheden”. Mees vermeldt naast de verkrachtingen in Congo, het oude Troje, Bosnië, de tachtigjarige oorlog aan Spaanse zijde, zelfs onze Geuzen in diezelfde tachtigjarige oorlog. Maar ze gaat ook in op het gegeven dat de verkrachte vrouwen daarna weer vaak verstoten werden door hun eigen mannen en gemeenschappen. Op de passage over de verkrachtingen in Berlijn door sowjet-soldaten, volgt bij Mees van alle voorbeelden nog wel de meest uitgebreide uiteenzetting over “verloren eer” en “sfeer van zelfmoord” die leidden tot gevoelens van schuld en schaamte, die “...in Duitsland in een collectief geheugenverlies (resulteerden) over de gruweldaden vrouwen aangedaan”. Die lange uiteenzetting, neem ik aan, houdt vermoedelijk verband met het gegeven dat het hier om Duitse vrouwen ging die een en ander was overkomen. Als vrouw mochten ze misschien niet verkracht worden, maar als Duitser...? Verloren eer, waarvan Mees spreekt, staat misschien niet voor niets tussen aanhalingstekens.
Tijdens het lezen van dit stuk van Mees viel mij meteen op dat er op geen enkele manier melding werd gemaakt van de schendingen van mensenrechten (waaronder vrouwenrechten) na de Tweede Wereldoorlog in de bevrijde gebieden in West-Europa (onder meer Frankrijk, België, Nederland, Noorwegen) van degenen die tijdens de oorlog hadden proberen samen te werken met de Duitse bezetter (de collaborateurs dus). Ik trof op de website van NRCHandelsblad een weblog van Mees, waarop ik een corrigerende opmerking op dit punt kon maken. Maar de redactie (Mees neem ik aan) vond het niet nodig mijn opmerkingen openbaar te maken. Kennelijk behoort denken over misdaden die wijzelf gepleegd hebben niet tot het politiek correcte denken. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat Mees wel de Japanse verkrachtingen in Nederlands Oost-Indië noemt, maar niet de daden van van Heutz, of van het Nederlandse leger in de periode van de politionele acties na de Tweede Wereldoorlog. Kennelijk reken ik voortdurend buiten de waard. Wie is de waard?
Die Tweede Wereldoorlog toch! Omdat kranten, opiniebladen, tv-commentaren, enzovoorts, worden bedreven door politiek correctdenkende Nederlanders, kennen wij in Nederland een cultuur van verzwijgen van daden waarvoor wij tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zelf verantwoordelijk waren. Maar, als verzwijgen niet meer mogelijk is, omdat, op de een of andere onverwachte manier, toch enkele hints vanuit het verzwegen verleden aan de oppervlakte komen, moet er een andere discussietrant gebruikt gaan worden, die aangeeft dat er geen streep onder het verleden gezet kan worden.
In october 2007 vond in de Doelen in Rotterdam een driedaags festival plaats onder de titel “Licht op Badings”. NRCHandelsblad van 22 october 2007 kopte “Henk Badings is nog steeds sterk omstreden”. De recensie van Jochem Valkenburg zet heel omstandig en genuanceerd uiteen wat (in een ver verleden) de problemen waren. Valkenburg had al op 15 october 2007 in dezelfde krant over Badings geschreven. Hij vermeldde onder meer:”(Badings) sympathiseerde niet openlijk met de bezetter, maar maakte wel dankbaar gebruik van compositieopdrachten en carrièremogelijkheden die hem werden geboden”. Het is me toch wat. Soms lijkt het wel alsof mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog niet door mochten gaan met leven (en werken uiteraard), omdat ze anders bijna als vanzelf als collaborateurs stonden aangemerkt. Vooral voor hoger opgeleiden lijkt dat wel het geval. Misschien is het wel zo dat men eigenlijk per definitie van betere stand moest zijn (zoals jonkheer Evert Hoeck in Vestdijks' Bevrijdingsfeest 1947; of zoals de vermogende Oranjes in het Nederland ontvluchte buitenland) om over de financieën te beschikken de oorlog in de (goede) marge te kunnen overleven.
=======================================
Vestdijk en Badings waren in veel opzichten vergelijkbare personen in de periode 1930-1950. Beide hadden een universitaire opleiding voltooid, en beide kozen ze voor het kunstenaarschap: Vestdijk als schrijver, Badings als componist. Beide maakten de Tweede Wereldoorlog mee. Van Vestdijk werd door sommigen beweerd dat hij een laffe houding had aangenomen tegenover de bezetter, er werd zelfs gesproken van collaboratie. Badings heeft intensievere contacten met de bezetter onderhouden. Vestdijk en Badings waren, hoewel ze elkaar nauwelijks kenden, op een merkwaardige manier misschien toch dubbele maten, als ze niet al met dubbele maten gemeten werden. Met de notities van H.Mees, die zoals al verondersteld als dubbele maatlat door het leven gaat, en met de notities over Badings, blijven we in het nageborchte van de Tweede Wereldoorlog. En dit nageborchte heeft een waard. Wie is de waard?
De biografie van Vestdijk door Wim Hazeu (Vestdijk een biografie; Hazeu, W.; 2005; ISBN 90-234-1766-6) geeft een aantal momenten uit het oorlogsverleden van Simon Vestdijk aan die ons een beeld geven van zijn opstelling en de receptie daarvan.
Op p. 313. bijvoorbeeld, circa 1941, meldt Hazeu: "De NSB-er Jef Populier, die verantwoordelijk was voor de afdeling 'Boekbespreking en voordracht' bij de Nederlandse Omroep, leegde zijn vitrioolvat van de haat in de NSB-krant Nationale Dagblad over Vestdijk. En George Kettmann luchtte zijn frustratie in het blad De Waag: Meneer Vissers's Hellevaart was 'een voos boek: Wien het ernst is te arbeiden voor een nieuwe volksche werkelijkheid, zal schrijvers van het "ancien régime", gelijk Verstdijk hebben dood te zwijgen, zooals wij jarenlang zijn doodgezwegen'”. Het is duidelijk dat in het populistisch conservatisme van het nationaal-socialistische denken, de negatief vrijzinnige publicatie van Vestdijk (Meneer Visser's Hellevaart; 1932) niet goed lag. Van belang is ook dat deze zin aangeeft waar de haat, nijd en rancune vandaan kwam: indertijd werden kennelijk bepaalde groepen doodgezwegen.
Op dezelfde pagina geeft Hazeu ook een voorbeeld van een dubbele agenda' aan de kant van Vestdijk: D.A.M.Binnendijk had hem in Groot Nederland van een 'perverse verbeelding' beticht. Er ontstond een briefwisseling tussen Binnendijk en Vestdijk, waarin de laatste vroeg zijn naam uit de pers te houden. Binnendijk verontschuldigde zich. Vestdijk verontschuldigde zich op zijn beurt voor zijn kleinzerigheid en stelde voor na de oorlog een briefwisseling in essays te beginnen. Aan Theun de Vries (verzet; communist) schreef Vestdijk vervolgens: "Ik heb dezen gek onmiddelijk geschreven, dat hij voortaan zijn smoel over mij kan houden, in lovenden of lakenden zin, en hij heeft "beloofd", dat hij dat zou doen. Frissche jongens. Ik heb Binnendijk volkomen door, maar kan niets "bewijzen"". Hazeu voegt toe: "Het wantrouwen was groot, de verdachtmaking in dit geval ongegrond".
Een volgende episode uit het leven van Vestdijk betreft een gijzeling in St.Michielsgestel bij Vught in de periode 1942-1943. Er werden een groot aantal Nederlandse cultuurdragers, zoals Vestdijk, geinterneerd. Tijdens de gijzeling werden enkele van hen gefusilleerd. In november 1942 werden 250 gijzelaars vrijgelaten. Dit gold niet voor Vestdijk. Vestdijk ging nu activiteiten ontplooien om vrijgelaten te worden. Hij meldde zijn commandant, dat hij een bekende schrijver was die in het Duits vertaald was, en die ook op dit moment nog veel werd verkocht in Duitsland. Hij stelde dat hij daarom niet als "deutsch-feindlich" aangemerkt kon worden.
Vestdijk wees in dit verband niet op zijn vertalingen uit het Duits, die hij zelf om den brode, zonder zelf keuze van auteurs te maken, had gemaakt. Ook wees hij niet op zijn activiteiten voor het Comité van Waakzaamheid.
Vestdijk zette alle zeilen bij om de bezetter om de tuin te leiden. Zijn Tsjechisch-Duitse uitgever stelde dat zijn niet-aanmelding voor de Kultuurkamer vrijlating in de weg kon staan. Vestdijk schreef daarop:"...dat ik zuiver persoonlijk geen redenen heb om mij aan de bedoelde aanmeldingsplicht te onttrekken. Ik beschouw dit als een formele aangelegenheid, waarover niet zoveel drukte gemaakt zou moeten worden. Maar men zou het mij, hier en elders, zeer kwalijk nemen, indien ik mij aanmeldde met het doel om in de tegenwoordige toestand verandering te brengen" (p.367). Zijn vriendin Ans Koster meldde Vestdijk per brief, dat directe vrienden, zoals M.Nijhoff, in dit geval geen bezwaar zouden hebben tegen een aanmelding voor de kultuurmaker.
Vestdijk meldt aan zijn gijzelingskamp-commandant: "Es ist festzustellen, dass er (dat wil zeggen Vestdijk - dk) von sich aus sich dieser Meldepflicht nicht entziehen würde, doch aus nahe liegenden Gründen nich gerne möchte, dass es im Lager nog während seines Aufenthaltes bekannt wird, dass er sich zwecks seiner Entlassung gemeldet hat und damit ein Vorteil ausgenützt hat das andere nicht bezitzen...Er bittet um Geheimhaltung" (p. 368).
Hazeu stelt: Vestdijk had zijn knieval gemaakt. Vestdijk werd in maart 1943 vrijgelaten. Venema en Wadman hebben later gesproken van het slappe of laffe gedrag van Vestdijk; van collaboratie (Venema) en van actieve accomodatie (Willem Huberts) (Hazeu p. 388 en p. 400). Anderen echter meenden dat Vestdijk een "krijgslist" had toegepast. Hazeu neemt er ongeveer 5 pagina's voor om in het kader van deze hagiografie te verklaren dat Vestdijk niet als collaborateur kan worden aangemerkt. Hij verwijst in dit verband ook naar andere goede voorbeelden: J.P.Sartre, A.M.de Jong, Johan Huizinga, Stols en De Nève (p.400). Vervolgens vult Hazeu een en ander aan met verzetswerkzaamheden van Vestdijk (gezondheids-attesten). Deze gijzelingsaffaire heeft Vestdijk veel goed gedaan: hij kwam met veel cultuurdragers in Nederland in contact, en hij kon eigenlijk niet meer fout doen.
Maar Hazeu meldt toch ook nog heel andere zaken over Vestdijk: deze was nog in 1941 bereid om een Duitse vertaling te maken van De Bruine Vriend (Verhalen; 1935; 1938), samen met Wolfgang Cordan. Vestdijk was bereid de 'half-Joodsche afkomst van de hoofdpersoon, de homo-erotiek van het geval' weg te werken (Hazeu p.448). Wolfgang Cordan was tijdens de bezetting lid van de Duitse Kultuurkammer en van de NSDAP. Hij publiceerde bij nazi-uitgeverij Holle & Co. Hij was lid van de SD en er was sprake van verrraad in België. Pas in september 1944 werd hij illegaal (dat wil zeggen: hij ging in het verzet - dk). Na de oorlog werd hij officier in het Nederlandse leger (hij had contacten met prins Bernhard), maar vestigde zich later in Zwitserland (Hazeu p.449). Hazeu stelt: Voorwaar een schilderachtige figuur (idem).
Hazeu meldt over de periode na de Tweede Wereldoorlog, juni 1946: Vestdijk was bezig met Pastorale 1943. Theun de Vries ergerde zich aan de ontluistering van het verzet door Vestdijk (Hazeu p.455). De Ereraad voor Letterkunde, onder voorzitterschap van F.Bordewijk, die moest zorgen dat collaborerende auteurs werden gestraft en "gezuiverd", ging aan de zaak-Vestdijk voorbij (Hazeu p. 456).
Voor de roman Bevrijdingsfeest (1947), die opgedragen was aan Theun de Vries (waar deze niet blij mee was vanwege de kritiek op de "illegaliteitspsychose"), liet Vestdijk zich tot in detail (door Wolfgang Cordan, zie boven) informeren "...over het lot van NSB'sters in de 'vrouwenloods' op de Levantkade in Amsterdam, waartoe alleen mensen die in het bezit waren van een kaart van de Politieke Opsporings Dienst of het Bureau Nationale Veiligheid toegang hadden" (Hazeu p.502).
Deze details van de kant van Hazeu geven toch een heel merkwaardig beeld van Simon Vestdijk. Hij vertaalde tijdens de oorlog nog in het Duits, was bereid in te schikken voor de populistisch conservatieve opvattingen van de Nazi's. Hij had omgang met een Duitser op cultuurgebied die eigenlijk veel verder ging dan lidmaatschap van de kultuurkamer. Zijn ontslag uit het gijzelingskamp vond plaats op een manier, waarvoor hij zelf om geheimhouding vraagt. Men noemt dit “krijgslisten”. Hij is niet als fout beoordeeld, behalve door een paar scherpslijpers. Hem is na de Tweede Wereldoorlog nooit iets ten laste gelegd. Vind ik dat dat gemoeten had? Nee. Simon Vestdijk heeft geen oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid begaan. Hij had contacten met andere mensen, die misschien niet helemaal fris roken. Maar nee. Mijn grens ligt op een juridisch vlak: degeen die geen strafrechtelijke misdaad heeft begaan, kan niet daarnaast nog eens aangezien worden op foute denkbeelden. Dus zelfs de door Frits Abrahams vermelde meubel-passage van Simon Vestdijk (NRCHandelsblad 10 januari 2008):”...Wanneer ik in Doorn zit te werken, is Ans lucht voor mij, -een zich bewegend meubel, en als het meubel te veel lawaai maakt, zeg ik: stil, en het meubel is stil”, zou Simon Vestdijk niet fout kunnen krijgen. Als we dit gegeven nog even leggen langs de dubbele maatlat van Heleen Mees, zouden we misschien tot de conclusie kunnen komen, dat Vestdijk een geestelijke verkrachter was, maar zelfs daarvoor kennen we geen juridische grenzen, die aangeven dat zoiets bestraft zou moeten worden.
Maar nu Henk Badings (Hendrik Herman; 1907-1987). Wat was er nu fundamenteel anders in de openbare, politieke of intelectuele houding van Badings in vergelijking met die van Vestdijk? Ik las een publicatie van Badings uit 1936 ( "De Hedendaagsche Nederlandsche Muziek", uitgave Bigot en van Rossum, Amsterdam) vanuit dezelfde interesse voor pre-Tweede Wereldoorlog en pre-collaboratie verschijnselen, als dat heeft gegolden voor mijn lezing van Vestdijk. Uiteraard was ik erg geinteresseerd in de vooroorlogse houding van Badings ten opzichte van bijvoorbeeld joden. De publicatie van Badings zou misschien iets kunnen verhelderen. Maar met die publicatie van Badings is helemaal niets mis. Badings verwees met lof ("...zijn voortreffelijk werk..."; p.10) naar en citeerde veel uit “Het Muziekleven In Nederland sinds 1880” van Sem Dresden. Hoewel het niet Badings bedoeling was om een vergelijking met buitenlandse componisten te maken, was het hier en daar toch nodig om buitenlanders te noemen. Badings hing zelf niet de compositorische methode van de twaalftoons-techniek (A.Schönberg) aan, maar er is in dit hele geschrift geen sprake van een negatieve, ressentimentele manier van schrijven over joodse componisten of hun methoden. Er is geen sprake van een interpretatie in termen van "entartete Kunst". Badings zelf hanteerde bi- en pluritonaliteit (zoals Strawinsky in die tijd, en Hindemith) als "harmonisch" uitgangspunt. Waar het gaat over de toepassing van het supergrote orkest, verwijst Badings in het volgende citaat naar Mahler en Schönberg: "...(waar het gaat om harmonieën in diverse kleurtinten, en om de toepassing van slaginstrumenten)...het rijkst denkbaar geschakeerde orkest in de practisch nog te verwezenlijken sterkste bezetting met massaal koor en solisten wordt gebruikt als in de 8e symphonie van Mahler, welke wat de middelen betreft nog is overtroffen door de Gurrelieder van Schönberg" (p. 32).
In zijn hoofdstuk over "De Jongere Generatie", schrijft Badings (p. 86): "Max Vredenburg (geb. 1904) (...). Ook is hij in woord en geschrift opgekomen voor de joodsche muziek. (...). Hij schreef voornamelijk kleinere werken (...), muziek bij het Zionistische leekenspel "Die einzige Lösung", joodsche liederen en dansen, muziek bij Joris Ivens' film "De Branding" en een voorspel voor Kamerorkest voor het Hebreeuwsche gezelschap Habimah". Uit niets in dit geschrift kan afgeleid worden dat Badings apartheidsgrenzen trok tussen godsdienstige denominaties. Als Badings in de vooroorlogse periode al belangstelling had voor het fascisme, dan wordt dat door "De Hedendaagsche Nederlandsche Muziek" in ieder geval niet bevestigd. Integendeel Badings spreekt met veel respect over joodse collega's.
Bij Vestdijk bijvoorbeeld was het toch altijd, ook ver na de Tweede Wereldoorlog nog zo, dat in zijn boeken altijd wel iemand een bibliotheek ingaat, die daar aan de administratieve balie een “joodse” dame ziet zitten. Waarom die iemand die dame als “joods” herkent is nooit duidelijk. Vestdijk heeft toch in veel boeken een impliciet antisemitisme ingeschreven. Maar bij Henk Badings is dat in 1936 niet aanwijsbaar.
Wat was er mis met Badings? Dr.L.de Jong meldt over Badings eigenlijk alleen dat hij lid van de “kultuurraad”, adviesorgaan van de “kultuurkamer”, geweest is. (deel 5; p.279). In december 1941 echter bedankt Badings al als gildeleider, stelt de Jong. Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) schrijft dat Badings slechts enkele maanden lid is geweest van de “kultuurraad”. Dr.L.de Jong meldt tot twee keer toe dat Badings “fout” was, zonder verder toe te lichten wat hij daarmee bedoelt. Het ING schrijft:”Dat (Badings) in 1941 tot directeur van het toenmalig Rijksconservatorium in Den Haag werd benoemd - zijn voorganger, Sem Dresden, was als jood door de overheid afgezet - was op zichzelf niet aanvechtbaar, te minder omdat hij in die functie Dresden en zijn vrouw voor deportatie heeft kunnen vrijwaren en vele studenten aan tewerkstelling in Duitsland heeft weten te onttrekken” www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn4/badings. Op grond van deze aanstellingen werd Badings na 1945 tot 10 jaar uitsluiting veroordeeld door een ereraad. Deze straf werd later door de Centrale Ereraad voor de Kunst ingekort tot 5 november 1947 (aldus ING).
Het maakt natuurlijk wel enig verschil of je aangeeft dat men zuiver persoonlijk geen redenen heeft om zich aan de aanmeldingsplicht voor de kultuurkamer te onttrekken, of dat men enige maanden lid is geweest van de kultuurraad. Ja, maakt dat verschil? Wat voor verschil nu toch eigenlijk? Ik ken de overwegingen van Badings niet op grond waarvan hij zich uit de kultuurraad heeft teruggetrokken. Wat weten wij eigenlijk precies omtrent dat verleden? En hoe makkelijk wordt besloten tot de NRCHandelsblad-kop ”Henk Badings is nog steeds sterk omstreden”. Hoe “fout” was deze man nu? Het is toch eigenlijk ongelooflijk, dat iemand met een tamelijk hoge morele standaard (getuige zijn steun aan Sem Dresden), die vermoedelijk niet over andere mensen spreekt in termen van “meubel, die voldoende was om de losse zool van zijn pantoffel te repareren” (Vestdijk over een van zijn vrouwen, aldus Hazeu), zelfs na zijn dood nog achtervolgd wordt als “omstreden”. Je houdt het eigenlijk niet voor mogelijk. Wie is toch die waard? Waar woont hij? Hoe kunnen wij met hem afrekenen?
======================
Er is natuurlijk geen waard. Zulke zaken moeten we sociologisch begrijpen. Het gaat om normen-en-waarden-patronen, dat wil zeggen om non-reflectieve momenten uit het menselijk bestaan. We krijgen dat soort beelden aangeboden in onze opvoeding en opleiding, die nog steeds te weinig reflectief van karakter zijn, en die voor een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking bestaan uit niet-rationele godsdienstige inhouden. Kennelijk gaat het dus om beelden, die onze eigen goedheid moeten bepalen en versterken. Het zijn dezelfde beelden die Mees naar voren brengt, en die niet corrigeerbaar zijn. In NRCHandelsblad van 22 oktober 2007 (Jochem Valkenburg) wordt Frits Zwart, directeur van het Nederlands Muziekinstituut geciteerd die onder meer stelde dat Badings “...lid van de kultuurkamer (was), een kunstprijs van de bezetter aanvaardde, de ontslagen jood Sem Dresden opvolgde, maar hem behoede voor verder leed...”, dus een rol had die vol “keuzes waren die niet voor hem pleiten”. Desalniettemin riep Frits Zwart op hier een streep onder te zetten en Badings' muziek los van zijn verleden te beschouwen. Historicus Hans Blom, ouddirecteur van het NIOD, was het daar niet helemaal mee eens, stelt Valkenburg. Volgens Blom moeten we juist via beschouwing van de historische omstandigheden tot een reëler begrip blijven proberen te komen. Dat is heel mooi van Hans Blom. In zijn voorwoord op Wie Geschoren Wordt Moet Stil Zitten (De omgang van Nederlandse meisjes met Duitse militairen); ISBN 90-8506-349-3; 2006; van Monika Diederichs, stelt dezelfde Blom:”Omdat de vaders Duitse militairen waren, werden de moeders zonder aarzeling in de publieke beeldvorming bovendien op een hoop gegooid met de landverraderlijke NSB'ers en andere Duitsgezinde collaborateurs” (p.8). Tja, en dan heb je wel een probleem. Wat was Badings nu?, fout?, een landverraderlijke NSB'er?, een Duitse collaborateur?
Kennelijk zijn het niet alleen sociologische normen-en-waarden-patronen. Er zijn ook referentiepersonen in de maatschappelijke velden waarin die patronen ontstaan, die er aan bijdragen dat we in de ban van goed en fout blijven.
Uit: CORDON PROBABILAIRE en andere teksten; ISBN 978-90-73947-13-9; 2008