Deel 1. Het kind, de school en de vader

1944 tot 1959

De eerste levensjaren Het is lastig om te schrijven over mijn eerste levensjaren. Het eerste verhaal is een inleiding, de volgende verhalen zijn losse herinneringen met een eigen titel. Ik ben in 1944 geboren in de Rivierenbuurt van Amsterdam.

Mijn vader was heel blij met mijn geboorte. Hij heeft mij verteld dat hij weloverwogen mijn moeder zwanger heeft gemaakt, omdat hij een nakomeling wilde hebben, als de oorlog niet volgens zijn wens zou verlopen. Hij hield dus min of meer rekening met een voor hem slechte afloop. Ik neem hem mijn geboorte kwalijk: hoe haal je het in je hoofd een kind te willen in die omstandigheden. Van mijn moeder heb ik gehoord dat ik als baby mijn vader fantastisch vond. Tot haar verdriet lachte ik alleen naar hem.

Mijn moeder had absoluut geen verstand van politiek en mijn vader kon zo mooi praten, dat zijn idealen haar de juiste leken. Mijn vader was een aanhanger van Mussert. Mijn moeder had weinig zicht op zijn activiteiten en hij vertelde haar weinig. Mijn ouders hebben zich in 1942 verloofd en zijn in 1943 getrouwd. Mijn vader is vanaf begin 1942 lid geweest van de NSB, van januari tot september 1944 heeft hij gediend bij de Landwacht.

In maart 1942 is hij gaan werken bij de firma Lippmann, Rosenthal en Co. Zijn taak was het inventariseren van joodse inboedels, zowel van bewoners die er nog woonden, als van bewoners die al waren weggehaald. Via een kennis van zijn vader had hij dat baantje gekregen. Vandaar uit is hij min of meer gedwongen terecht gekomen bij de "Colonne-Henneicke" en heeft hij Joodse mensen opgehaald uit hun huizen en naar de Hollandse Schouwburg gebracht, waar zij werden overgedragen aan de Amsterdamse politie. De politie bracht de Joodse mensen naar de trein. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, is mijn vader alleen naar Duitsland gevlucht. Op de verjaardag van zijn moeder, eind oktober, is hij teruggekomen. Over die periode kan mijn moeder niets vertellen. Ook niet hoe het ging met een baby in haar eentje en hoe zij die tijd beleefde.

De zus van mijn vader was verloofd met een Friese boerenzoon die werkte bij de Amsterdamse Politie. De ouders van mijn latere oom woonden op een boerderij in Menaldum. Op een gegeven moment in de winter zijn de ouders van mijn vader en zijn zus en zwager naar Menaldum gegaan, vanwege het voedseltekort in Amsterdam. Mijn ouders zijn eind februari ook naar Menaldum vertrokken. Over die reis naar Friesland is mij wel wat verteld. Het eerste deel van de reis ging per trein. Daarna zijn mijn ouders op fietsen met houten banden, met de kinderwagen erachter naar Friesland gegaan. Mijn moeder maakte zich onderweg het meeste zorgen over mijn doorgelegen billetjes. Onderweg kwamen er bommenwerpers over en mijn vader heeft mij toen uit de kinderwagen geplukt en is met mij onder zijn lichaam in een greppel gedoken. Ik ben nog steeds bang voor een bepaald type vliegtuiggeluid, vooral in films, maar ik weet niet of dat er iets mee te maken heeft.

In Friesland heeft mijn vader gewerkt als ambtelijk secretaris op het gemeentehuis van Menaldum. Op 18 april 1945 is hij in Menaldum gearresteerd en overgebracht naar een bewaringskamp. Mijn moeder is nooit gearresteerd. Mijn moeder en ik zijn nog enige maanden op de boerderij gebleven. Ik weet weinig van de tijd in Menaldum. Op mijn linker enkel zit een litteken van een brandwond. Ik was kruipend met mijn voetje tegen een gloeiende kachel gekomen. Daarna mocht ik nooit meer uit de kinderwagen, waardoor ik pas laat leerde lopen. Later werd er nog wel eens gesproken over de pake en beppe die daar woonden. Ik had een spaarpot van ze kregen, die hing thuis boven de divan. Mijn naam stond erop geschilderd met een y in plaats van een ij. Pake heb ik nog één keer gezien bij mijn oma van vaderskant, toen ik een jaar of zes was. Ik kende hem natuurlijk niet meer. Bij terugkomst in Amsterdam, toen ik een jaar was, zijn mijn moeder en ik gaan wonen bij haar ouders in Amsterdam West. Ook haar twee jaar oudere zus woonde nog bij haar ouders thuis. Ons huis in de Rivierenbuurt was terecht geconfisqueerd met alles erin.

Op 8 oktober 1948 kreeg mijn vader een vordering doodstraf, op 22 oktober 1948 kwam acte beroep in cassatie en op 26 januari 1949 de cassatiebehandeling. Op 12 april 1949 is de straf omgezet in levenslang en op 24 september 1958 kwam er gratie tot 20 jaar en 9 maanden. Met aftrek was dit kennelijk minder, want in dat jaar kwam hij ook vrij.

Hij heeft in allerlei kampen en gevangenissen gezeten, in Amsterdam, Crailo, Den Helder, Scheveningen, Geleen, Leeuwarden, Breda, Vught en Hoorn. Toen mijn vader in Amsterdam gevangen zat in een school in de Da Costraat is hij in februari 1946 ontsnapt. Hij is gevlucht naar het huis in West waar ik woonde. De politie heeft hem daar gezocht en hem liggend onder een bed vandaan getrokken en weer gevangen gezet. Mijn vader wilde naar Duitsland vluchten, maar mijn moeder wilde niet mee. Hij wilde niet zonder ons. Vanwege het ophalen van mijn vader door de politie, wist iedereen in de straat waar ik woonde, dat mijn vader in de gevangenis zat en waarom. Mijn oma had een hekel aan mij vanwege mijn vader. Hij had haar ten schande gebracht.

Mijn eerste ingebrachte herinnering stamt uit een bezoek aan de mijnen. Ik was ongeveer twee jaar en ik had mijn vader lang niet gezien. Mijn vader werkte als voorlopige straf in de mijnen, ik denk in Geleen. Alle mijnwerkers/gevangenen stonden naast elkaar op een binnenplaats. Ik schijn de hand van mijn moeder te hebben losgelaten en papelepapelepap roepend naar mijn vader in mijnwerkersuniform te zijn gehobbeld. Mijn vader heeft dat als een wonder ervaren, dat ik hem als vader herkende. Het kan trouwens bijna niet waar zijn. Ik heb heel lang een mijnwerkerspop gehad met een uniform in legerkleur en een lampje op zijn hoofd.

Mijn tweede en echte herinnering is aan een bezoek dat ik eng vond, waarom weet ik niet meer. Ik was toen drie jaar en liep met mama over een modderig pad naar kamp Crailo. Ik had net nieuwe zomerschoenen gekregen, lichtbeige en die werden erg vies.

Mijn derde herinnering, ik was toen vijf jaar, was mijn bezoek aan de gevangenis in Leeuwarden. Er werd mij nog steeds verteld, dat papa in een ziekenhuis lag. Ik zag de tralies van dat zogenaamde ziekenhuis en ik vertrouwde de zaak niet meer. Eenmaal binnen lag papa niet ziek in bed, maar kwamen we in een gezellige zaal met kleine tafeltjes en heel veel mensen. In die zaal werd gegeten en gedronken. De ouders van mijn vader waren erbij, zijn zus en zwager en mama en ik. Mijn oma had paardenbiefstuk meegenomen, makreel, boterkoek en ander lekkers. Mijn vader was erg mager en at het lekkers van een stuk krant. Ik heb van die dag een onduidelijke foto, waar ik op schoot zit bij mijn vader. Die foto van ons samen was een unicum. Ik zal me die dag blijven herinneren als een gezellig en vrolijk bezoek. Mijn oma van vaderskant zei altijd "We gaan weer naar het Oranjehotel", dat was een codewoord voor we gaan naar je vader in Leeuwarden. De NSB heette in taal voor derden, de fietsclub. Ik weet niet meer wanneer en hoe ze mij hebben geleerd te zwijgen, maar ik kon zo goed zwijgen dat ik buitenshuis en op school nauwelijks mijn mond open deed. Bovendien moest ik van mijn oma thuis altijd stil zijn. Ik praatte als mama naar haar werk was – zes dagen per week – alleen met de poes. Gelukkig had ik op straat wel een paar vriendinnetje om gewoon kind mee te zijn. Niet alle kinderen mochten met mij spelen, maar ik begreep toen nog niet waarom. Als vreemde kinderen naar mijn vader vroegen, zei ik maar mijn papa woont ergens anders, kreeg een kleur en wilde er het liefst niet meer zijn. Sommige buren en andere volwassenen lieten mij vaker merken dat ik wel niet zou deugen. Na Leeuwarden werd het in mijn beleving pas echt naar. Mijn ouders zijn toen gescheiden en mijn moeder ging niet meer mee op bezoek. Mijn vader werd overgeplaatst naar de koepelgevangenis in Breda, in "De Boschpoort" heerste een vreselijk streng regime en daar heeft hij het langst gezeten.

Op een gegeven moment is mijn vader vanwege maagklachten een flinke tijd in de ziekenboeg van gevangenis "Nieuw Vosseveld" bij kamp Lunetten geweest. Een jaar voor zijn vrijlating ging hij naar de overgangsgevangenis in Hoorn. Overdag mocht hij buiten de gevangenis werken in een drukkerij, als boekhouder. Ook in die gevangenis heb ik hem opgezocht. Toen hij vrij kwam was ik ruim veertien jaar. Zijn gevangenisjaren waren ook een beetje mijn gevangenisjaren.

Daarna werd het beter, ook omdat ik vanaf mijn veertiende jaar niet meer bij mijn oma woonde. Mama en ik woonden nu samen in een eigen huis. Mama heeft altijd gedacht dat wij dat huis hebben gekregen, omdat mijn vader dan zou kunnen terugkeren bij zijn gezin als hij vrij kwam, wat niet is gebeurd. Mama kreeg toen ook een vergoeding ineens voor de inboedel die haar ooit was afgenomen. Zij kon er ons huis van inrichten.

Wat mij het meeste bijstaat uit die jaren is dat alle volwassenen liegen. Ze liegen hun eigen waarheid om er zelf beter van te worden, of er zelf in te geloven. Niet alleen familie liegt, ook andere volwassenen. Ik wilde altijd eerlijk zijn, maar als je alleen maar zwijgt, ben je ook niet echt eerlijk.

Opa is stil

Mijn opa van vaders kant leek een stille filosofische man. Vóór en in de oorlog was hij een kleine zelfstandige. Hij kwam uit een traditie van glas etsers. Zijn zoon was een straatschoffie met streken. Dol op Pietje Bel. Hij liep op het  dak (vierhoog) van zijn straat, fietste de kade in en verloor een schoen, had slechte schoolrapporten en pestte zijn jongere zusje. Mijn opa loste dat op door hem te slaan, hem hard en vaak te slaan. Maar opa ging ook naar zijn school, sprak met de meester en gaf hem dagelijks bijles in rekenen, met een goed resultaat. Opa werkte hard en zorgde verder goed voor zijn gezin. Ik kende alleen de rustige opa. Wel een opa met gezag, maar oma kon een potje breken.

In de gevangenis, tijdens een bezoek, had papa mij verteld hoe hij als kind had geklierd. Papa had het heel plastisch en met ondeugende ogen voorgedaan. Hij nam steeds een zogenaamd volle lepel pap, deed de lepel veel hoger dan zijn mond en liet dan de pap in het bord terug kletteren. Dat spatte natuurlijk behoorlijk en het moest eindeloos worden herhaald. Ik vond het prachtig, want ik deed eigenlijk nooit iets wat niet mocht. Het was de bedoeling dat ik op die manier mijn oma thuis kon uitdagen, als ik pap moest eten. Maar het kwam zo uit dat ik eerder pap kreeg bij de ouders van mijn vader. Met het verhaal van papa nog vers in mijn hoofd, liet ik tergend langzaam alsmaar de pap van mijn lepel vallen. Opa verbood het, maar ik ging door en zei dat papa het mij had geleerd. Bij opa sloegen toen kennelijk de stoppen door. Hij stond op, trok me van mijn stoel en ik kreeg voor het eerst van mijn leven een flink pak slaag op mijn billen. Opa was heel driftig en kon niet ophouden. Oma riep niet doen, niet weer…… en trok me naar een andere kamer. Toen wist ik hoe buiten zichzelf opa kon worden en hoe hard hij mijn vader moet hebben geslagen.

Mijn opa had nog iets gedaan vroeger. Hij deed veel zaken met Joodse mensen en in zijn beleving betaalden zij niet op tijd de rekeningen. Mijn opa was geen zakenman en om de confrontatie te vermijden, stuurde hij zijn kinderen tijdens Sabbat naar zijn klanten om geld op te halen. Mijn vader zag dan gezellige tafels met lekker eten en vrolijke mensen. Maar mijn vader kreeg natuurlijk geen geld mee. Wel kregen hij en zijn zusje een appeltje voor onderweg. Als hij thuis kwam werd hij uitgefoeterd door mijn opa, kreeg lelijke dingen over die mensen te horen en ontwikkelde op die manier een negatief beeld van Joodse mensen. Ik denk dat mijn opa al die jaren dat papa in de gevangenis zat, daar wel aan heeft moeten denken. Dat hij daarom zo stil en afwezig was.