Het is twaalf uur en mijn ouders hebben het mooiste damasten tafellaken, het mooiste tafelservies, Boheems porselein, het mooiste, zilveren, bestek en de mooiste kristallen glazen tevoorschijn gehaald en daarmee zorgvuldig de tafel gedekt. Alleen, er is niets te eten. De winter is voorbij, maar de honger is gebleven.
Een paar weken tevoren, met Pasen, is mijn moeder erin geslaagd, één ei te kopen voor twee gulden vijftig. Verder is er alleen het ‘voedsel’ dat door de gaarkeuken wordt verstrekt, een grijspaarse brei met een weerzinwekkende lucht, die ik niet door mijn strot krijg, hoeveel honger ik ook heb. Af en hebben we een of twee suikerbieten, ,waar moeder op het noodkacheltje een papje van kookt, dat ik wel lekker vind. Maar vandaag, op de trouwdag van vader en moeder, is er niets.
We gaan toch aan tafel en kijken elkaar aan. Plotseling horen we in de verte een laag, maar intens gebrom, dat direct mijn maag tot trillen brengt. We kijken naar buiten en zien dat de lucht in de verte pikzwart is. Bommenwerpers, honderden bommenwerpers. Ik verstijf van schrik. Dan zien we dat er bommen worden uitgegooid. Bommen? Nee! Het zijn kisten en zakken die achter ons huis in het weiland terecht komen. Eindelijk voedsel!
Vader pakt alle spullen van tafel, pakt het witte laken, gaat de tuin in en zwaait ermee naar de vliegtuigen die nu massaal over ons huis vliegen, zo laag, dat ik de piloten kan zien. Ik zwaai naar ze en zie een van de piloten lachend terugzwaaien. We zijn in extase, eindelijk is de bevrijding aanstaande. Vandaag nog misschien, of anders morgen. Bovendien is er het gerucht, dat Hitler dood is.
We gaan het weiland in, samen met alle dorpsgenoten en vinden conservenblikken en chocoladerepen, ruilen het een en ander en gaan opgetogen naar huis waar we eindelijk te eten hebben. Niet veel, maar gigantisch veel meer dan we gewend waren. De volgende dag is er echt witbrood, zo lekker als ik nog nooit heb gegeten. De oorlog is echt voorbij, denken we. Helaas, dat valt tegen.
Een paar jongens hadden een aantal zakken cement, die bestemd waren om tankversperringen te maken, in het water gegooid. Daarvoor moet het dorp gestraft worden. Een groep SS’ers komt aan het eind van de middag van 1 mei het dorp binnen en wijst willekeurig een paar huizen aan die binnen een uur in brand worden gestoken.
De bewoners zoeken in allerijl een goed heenkomen. Onze overburen steken met wat meubels in een wankel bootje de vaart over. Wij wachten en wachten en dagen gebeurt er niets. Dan, 4 mei ’s avonds, gaat het gerucht dat de Duitsers gaan capituleren. Er worden voorzichtig een paar vlaggen uitgestoken, rood-wit-blauw en er is iets aan de hand bij het raadhuis. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van vader ga ik erheen en zie een massa volk om een raar open autootje staan, met daarin geallieerden. Ze spreken Engels en dat autootje is een zjiep. Het is echt waar, we zijn bevrijd, het is afgelopen, de ellende, de honger, de paniek, de totale willekeur van die verdomde Rotmoffen. Voor iedereen breekt een betere tijd aan.
Hoewel, niet voor iedereen. De volgende dag wordt een aantal meisjes en vrouwen onder het hoongelag van de bevolking kaalgeschoren door BS’ers. Dat zijn Moffenhoeren, leer ik. Mijn vader vindt het schandalig wat er nu gebeurt. Die BS’ers verlagen zich tot het niveau van de vijand.
Op 8 mei 1945 rijden er een aantal Canadese tanks door het dorp. Iedereen staat langs de kant van de weg en de Canadezen worden als helden toegejuicht. We zijn bevrijd, definitief. Alleen de weg is behoorlijk beschadigd, maar wie maalt daar nu om?