Het toelatingsexamen
Mijn vader was NSBer. Mijn broer en zus die een paar jaar ouder waren dan ik, gingen in de stad naar de middelbare school. De chauffeur van de schoolbus liet de kinderen in de bus beslissen of hij hen mee zou nemen of niet. Zo gebeurde het dat ze vaak bleven staan. Als ze wel mee mochten, werden ze gepest. Toen ik van de lagere school kwam, wilden mijn ouders mij dit lot besparen.En zo mocht ik toelatingsexamen doen voor de Reichsschule. Dit examen duurde een dag of tien. Ik herinner me daar niet veel meer van. Maar het onderzoek naar ras en gezondheid staat in mijn geheugen gegrift. Ik kwam bijna geheel ontkleed in een kamer waar achter een tafel freule Op ten Noort, directrice van de school en een bekend lid van de NSB, Himmler, Rauter en nog iemand, zaten.Ik werd van top tot teen bekeken. Rauter merkte op: ‘Was hat sie grosze Ohren‘. Dat kon er nog mee door, maar erger was dat ze slavische trekken in me meenden te zien. Tenslotte werd ik toch aangenomen.
Het leven in het internaatEn zo begon mijn leven op de Reichsschule. In het begin werd ik verteerd door heimwee.Maar op de duur wende het wel. Het regime was er streng, militaristisch. Zo moesten we bijvoorbeeld ’s ochtends aantreden op een binnenplaats. De vlag werd gehesen en er werden liederen gezongen. De Hitlergroet werd gebracht. Als we een lerares in school tegenkwamen, moesten we vanaf drie meter voor haar tot drie meter achter haar bij het passeren de Hitlergroet brengen. Zolang Frau Leiterin, freule Op ten Noort, er nog was, viel het mee. Zij wist een huiselijke sfeer te creëren. Soms kwam ze ‘s avonds op een slaapzaal en ging dan op de rand van een bed zitten en dan zongen we wat. Toen zij een keer bij mij op bed zat, was ik helemaal gelukkig. Helaas kwam Himmler nog al eens op bezoek en opeens was ze met hem vertrokken naar Berlijn. Er werd ons medegedeeld dat zij Ehrenbraut geworden was. Dat waren ongetrouwde vrouwen die zwanger raakten van ‘oorlogshelden’. De leiding werd nu overgenomen door Fraülein Hiesz, een Oostenrijkse. Nu werd alles nog veel strenger. Een van de ergste straffen was het inhouden van post. Dat was vreselijk voor de meisjes waarvan velen uit de Duitse grote steden kwamen. Zij hoorden via de radio wel van de bombardementen, maar zij moesten soms weken wachten voordat ze wisten of hun familie nog in leven was.
De meest fanatieke lerares was Fraülein Martin. Ze was heel militaristisch. Als we na het eten bij het opstaan onze stoelen niet allemaal tegelijk neerzetten, schreeuwde ze: ‘Kanadiër’ Dat was het ergste scheldwoord dat zij bedenken kon. Canadezen en Amerikanen waren in haar ogen de meest verachtelijke mensen op de wereld. Wij zagen propagandafilms waarin ’zedeloze’ amerikaanse parties getoond werden en dan zwenkte de camera naar een vredig Duits gezin rondom de kerstboom, de meisjes in dirndl. Er werden ook films getoond waarin stoere Germaanse soldaten hun leven offerden in de strijd tegen de barbaarse communisten.
Fraülein Martin gaf zangles. Dat deed ze heel goed. Zingen was uiterst belangrijk.In de liederen die we leerden kwam de nazi-ideologie onverbloemd tot uiting. Alleen beseften wij kinderen dat toen nog niet. Wij wisten nog niets van euthanasie op gehandicapten en zongen vrolijk: ‘ Fort mit jedem schwachen Knecht, nur wer stürmt hat Lebensrecht. Ook soldatenliederen waarin de heldendood op het slagveld verheerlijkt werd, hadden de voorkeur van Fraülein Martin. En zo zongen wij uit volle borst:unsere Fahne führt uns in die Ewigkeit, ja die Fahne ist mehr als der Tod, of: Der Herrgott der im Himmel ist, nimmt die treue und die jungen Soldaten. En nog veel meer van dat fraais. En daarnaast waren er de liedjes waarin het moederschap verheerlijkt werd. Want jonge Germaantjes moesten er natuurlijk komen.
Wat zou er van mij geworden zijn?Fraülein Martin gaf ook Politischen Unterricht. Daarin werd ons geleerd dat al het slechte van de joden kwam. Er werd ons niet verteld wat er op dat moment met de joden gebeurde Eén les herinner ik me nog heel goed. Fraülein M. tekende een verticale lijn op het bord. Bovenaan schreef ze Gott, iets lager der Führer en helemaal onderaan das Volk.Ik heb dat niet aan mijn vader durven schrijven. Hij was heel gelovig en ik was bang dat hij me van school zou nemen als hij dat hoorde.Ik heb me mijn hele leven de angstige (nutteloze) vraag gesteld of ik, als Duitsland de oorlog gewonnen zou hebben, een nazi zou zijn geworden. Dat ik deze les niet aan mijn vader durfde schrijven pleit voor me. Want ik besefte toen blijkbaar al dat er iets niet deugde. Maar het pleit ook tegen me, want ik wilde toch bij de uitverkorenen blijven horen. De historicus Arnulf Moser die de school in Reichenau bestudeerd heeft, schrijft: Von Nazi-Ideologie wollen die wenigsten etwas bemerkt haben. De leerlingen waren er zich dus kennelijk nauwelijks van bewust hoe ze beïnvloed werden. Zo subtiel gebeurde het. Zo gevaarlijk was het. Moser gaat door: Die Schüler können eigentlich nichts dafür, dass sie in dieser Schule gelandet sind. Das sind ihre Eltern und Lehrer gewesen. Het klinkt misschien vreemd, maar als ik nu over een jonge terrorist lees die zichzelf opgeblazen heeft, dan voel ik naast afschuw ook medelijden met hem omdat hij, net als wij geïndoctrineerd is door begeleiders die zelf buiten schot blijven.
1944Omdat ik ziek was geweest was ik op bijltjesdag nog thuis. Mijn vader stuurde zijn gezin naar Duitsland. We kwamen terecht in Neudorf Platendorf op de Lüneburgerheide. We leden honger. Daarom vond mijn moeder het goed dat ik aan de oproep om naar Reichenau te komen voldeed. Ik moest me melden in Lüneburg. Om mij onbekende redenen kon ik niet direct doorreizen en heb een tijdje gewerkt in een bunker die ingericht was als opvang voor kleine oorlogsweesjes. Tegen kerstmis kwam ik tenslotte in Reichenau aan. De leerlingen waren de school voor het kerstfeest aan het versieren. Ik moest met nog twee Nederlandse plattelandsmeisjes de vloeren en trappen schoonmaken. Protesteren hielp niet. Schoonmaken was ook versieren, werd er gezegd. Die dag heb ik het besluit genomen om mijn wens om dierenarts te worden te laten varen en later les te geven op een internaat en dan wilde ik me speciaal bezighouden met kinderen die niet populair waren. En zo is het ook gegaan.
Mijn vader ziet zijn fout in. De gevolgen daarvanIn januari 1945 moest mijn vader gevangenen bewaken. Hij schrok zo vreselijk van de behandeling van die mensen dat zijn ogen eindelijk (te laat) open gingen. Hij liet zijn gezin terugkomen en schreef een brief aan de directie van mijn school waarin hij vroeg mij naar Nederland te laten komen. Ik kreeg 25 DM. en kon vertrekken. Maar het lukte me niet thuis te komen. Maanden zwierf ik door Duitsland, meestal slapend in stations. Een meisje van 13 op de dool in een ontwricht land maakt natuurlijk van alles mee. Slechte en goede dingen. Het meest ontredderd heb ik me gevoeld toen ik op een nacht een slaapplaats kreeg in het stro in een loods. Mijn weinige bezittingen had ik bij me in een sloop. Dat sloop gebruikte ik als hoofdkussen. De volgende ochtend bij het ontwaken bemerkte ik dat ik mijn sloop in een hoop menselijke uitwerpselen gelegd had. In april ‘45 belandde ik na veel omzwervingen weer in Neudorf Platendorf. Op een dag moest ik van de kampcommandant een boodschap gaan doen in Gifhorn, een naburig stadje. Ik ontmoette daar een Nederlandse man die mijn naam vroeg. Toen ik die noemde zei hij: ’Dan heb ik je eindelijk gevonden. Je moeder heeft gevraagd om naar je uit te kijken. Ga maar gauw je spullen halen‘. Uitgelaten kwam ik terug in het kamp. Maar er was een vrouw wier kinderen in Dresden zaten en die na het bombardement niets meer van hen gehoord had. Zij verbood me naar die man te gaan en zei dat zij verantwoordelijk voor me wilde zijn nu ze van haar eigen kinderen niets meer hoorde. Later heb ik er mijn moeder naar gevraagd. Maar zij wist nergens van. Ik had dus toch een beschermengel in de persoon van die vrouw in het kamp.
De komst van de Amerikanen en mijn repatriëringJuist toen ik een Duitse soldaat hielp om de heide in te vluchten, zagen we ineens in de verte het Amerikaanse leger aankomen. Wij waren zo bang dat we in een droge sloot gesprongen zijn en ons toedekten met bladeren. En zo zagen we stiekem het leger aan ons voorbijtrekken. De angst voor de Amerikanen zat bij mij zeer diep. De school had zijn werk gedaan. Eens, toen ik met een grote groep mannen die te werk waren gesteld in Duitsland stond te wachten op een trein die ons zou repatriëren, kwam er een Amerikaans soldaat met een groot blik snoep dat hij uitdeelde. Tenslotte gaf hij mij, als enig kind tussen al die volwassenen, het blik waar nog een heleboel inzat. Nadat hij vertrokken was heb ik dat blik stiekem weggegooid. Ik liet me toch niet door zo’n soldaat vergiftigen? In Maastricht aangekomen werden we ondergebracht in de Dominicale kerk. Ik ontmoette daar iemand die mij alles verteld heeft over Auschwitz. Ik denk dat hij daar gezeten had. Dat was voor mij het begin van plaatsvervangende schuldgevoelens. Met die gevoelens heb ik mijn leven lang geworsteld. Die man zei dat ik eigenlijk best voor iemand uit Auschwitz zou kunnen doorgaan wanneer de schapen van de bokken gescheiden zouden worden. Ik zag er immers ook uitgemergeld en haveloos uit. En ik zat onder het ongedierte. Op een dag moesten we een voor een in een lange rij in ons ondergoed langs een dokter die de NSB vrouwen naar een kamp stuurde en de anderen terug naar de kerk. Voor mij stond een jonge NSB vrouw. Zij moest haar onderbroek laten zakken en werd bespuwd. Doodsbang kwam ik aan de beurt. Hij vroeg me waar ik vandaan kwam en ik zei Auschwitz. Ik kreeg een klopje op de schouder en kon terug naar de kerk.
Hoe het verder gegaan is, zal voor alle kinderen van foute ouders wel hetzelfde geweest zijn: Opgroeien in een maatschappij waarin je je niet geaccepteerd voelt is niet gemakkelijk. Toch heb ik ook veel hulp gekregen. Zo mocht ik de lessen in de kweekschool volgen toen dit nog verboden was. De directeur ging ervan uit dat het verbod wel opgeheven zou worden. Dan kon hij mij alsnog officieel inschrijven. Mijn zwaarmoedige vader is nooit over zijn schuldgevoelens heen geraakt. Mijn kordate, positief ingestelde moeder mocht na een periode van bittere armoede haar oude beroep van onderwijzeres weer uitoefenen. Zo heeft zij ervoor gezorgd dat haar vier kinderen allen een opleiding konden volgen. Ik heb er mij, als mix van mijn beide ouders doorheen weten te slaan, zij het met vallen en opstaan. Ik heb 40 jaar les gegeven. Voor mijn huwelijk een aantal jaren in een internaat en daarna vele jaren aan scholen voor moeilijke kinderen. Nu ben ik 77 en ik werk nog steeds als vrijwilliger in een inrichting voor gehandicapten en ik houd me bezig met een organisatie die kinderen met problemen helpt. En zo heb ik vanuit negatieve jeugdervaringen toch een positief leven kunnen opbouwen.