De invloed van Kamp Vught op mijn leven

pleeggezin

In januari 1945 werd ik in kamp Vught geboren. Zo begon mijn leven achter het prikkeldraad. Toen ik enkele maanden oud was, werd mijn moeder onverwacht vrijgelaten. Natuurlijk was zij blij met de herkregen vrijheid, maar waar moest zij naar toe? Ons huis en alle bezittingen waren geconfisceerd, we hadden niets meer. Ook familieleden, ouders, broers en zussen waren niet bereid om iemand die ‘fout’ was geweest in de oorlog op te vangen. Mijn moeder besloot terug te keren naar Eindhoven en vond een betrekking als inwonend huishoudster. Ik mocht bij haar blijven wonen. Toen ik ruim een jaar was, was mijn moeder door psychische spanningen niet meer in staat om voor zichzelf en mij te zorgen. Zij werd opgenomen en ik werd in een pleeggezin geplaatst. Het is mij altijd wel verteld, dat dit niet mijn eigen ouders waren, maar dat is toen nooit tot mij doorgedrongen. Mijn moeder is mij regelmatig blijven bezoeken, maar ik heb nooit het besef gehad dat de mevrouw die op visite kwam mijn biologische moeder was.Volgens mijn pleegouders was ik een moeilijk kind dat niet was te doorgronden. Zij bezochten met mij een psychiater die adviseerde mij in een inrichting te doen opnemen. Zijn argument: met de moedermelk waren ook alle slechte eigenschappen van mijn ouders opgenomen.

In 1952 werd mijn vader, in 1948 veroordeeld tot 13 jaar, plotseling uit de gevangenis ontslagen en vond er een gezinshereniging plaats. Ik had mijn vader nooit gezien en mijn broertjes en zusje ook nooit als familie ervaren. Mijn beide broertjes waren binnen de kennissenkring van mijn pleegouders ondergebracht. Zij woonden dichtbij mij in de buurt, één broertje bezocht zelfs dezelfde school. Toch kenden wij elkaar niet. Hoe vormen mensen die vreemden voor elkaar geworden zijn weer een gezin? Dat lukte dus niet. Mijn vader die, zo bleek achteraf op grond van het feit dat hij kanker had op humanitaire gronden was vrijgelaten, is na 4 maanden overleden en mijn moeder, opnieuw zwanger, bleef met de zorg voor haar vier kinderen alleen achter. Op de lagere school ben ik gaan beseffen welke gevolgen het lidmaatschap van de NSB voor ons gezin had. Bij sommige klasgenootjes mocht ik niet binnenkomen en we mochten van onze moeder niet meedoen aan de festiviteiten ter herdenking van de bevrijding: ‘Dat is niet voor ons’. Op de middelbare school werd ik door sommige leraren onheus behandeld en daarbij werden er toespelingen over de invloed van het oorlogsverleden van mijn vader op onze opvoeding gemaakt. Bij mijn eerste sollicitatie voor mijn opleiding tot verpleegster, stonden groot de letters NSB op mijn dossier.

Eén van de problemen die aan het verleden gerelateerd zijn is het loyaliteitsconflict. Ik kwam klem te zitten tussen mijn gevoelens voor mijn pleegouders en die voor mijn biologische ouders. Toen ik wat meer wist over wat collaboratie had ingehouden, kwam daar de vraag bij of ik eigenlijk wel houden mocht van mensen die zo’n foute politieke keuze gemaakt hadden. Ik voelde me schuldig aan hun steun aan de Duitse bezetters en hun keuze voor een ideologie die miljoenen mensen het leven gekost had. Ik schaamde me voor mijn ouders. Schuldgevoelens heb ik nu niet meer, maar met warme gevoelens terugkijken op mijn jeugd is er niet bij.

Als kind heb ik geen veilig thuis gehad en geen warmte ontvangen. Mijn emoties kon ik niet uiten of kwamen soms ongecontroleerd in driftbuien naar buiten. Ik kon bijvoorbeeld ook niet meedoen met het maken van plezier bij feestelijkheden, voelde me altijd een buitenstaander. Ik was bang voor nabijheid, terwijl ik er juist naar verlangde. Als mensen te dichtbij kwamen, stootte ik hen weer af. Aan de andere kant was ik ook altijd bang om afgewezen te worden.Ik heb altijd als de moeder voor mijn moeder gefunctioneerd, een rolomdraaiing die voor geen van ons beiden goed geweest is. Op een bepaald moment, nog niet eens zolang geleden, heb ik het besluit genomen die rol niet langer te vervullen. Het gevolg van dat jarenlange zorgen is geweest, dat ik mij automatisch wegcijferde, nooit het recht voor mezelf opeiste.

In 1984 ben ik in contact gekomen met Herkenning. Al bij de eerste bijeenkomst voelde ik me opgelucht, omdat ik daar mensen tegenkwam die met soortgelijke problemen als ik worstelden en die mij begrepen. Ik ben jarenlang als bestuurslid en begeleidster van groepen actief geweest en maak sinds vorig jaar weer deel uit van het bestuur. Mijn betrokkenheid bij Herkenning heeft een positieve invloed gehad op het verwerken van een aantal problemen, evenals de therapie die ik enige tijd volgde. Ik kreeg genoeg zelfvertrouwen om in 1986 in een tv-programma geïnterviewd te worden. Mijn oudste broer heeft nog geprobeerd om de uitzending te verhinderen. Maar het enige waar ik toen rekening mee wilde houden was het niet noemen van de familienaam. De betrekkingen in de familie zijn door mijn deelname hieraan wel lange tijd verstoord geweest. Maar ik heb ook veel positieve reacties erop gekregen, waardoor ik wist dat het goed geweest was het taboe te doorbreken.

Een tweede interview volgde, nu samen met mevrouw Tineke Wibaut Guillonard. Zij had als verzetsvrouw in kamp Vught gezeten en heeft zich eind jaren 80 sterk gemaakt om de kinderen van zogenaamde ‘foute’ ouders niet de keuzen en/of daden van hun ouders aan te rekenen. Vught was hetgeen ons verbond, maar het heeft lang geduurd voor ik kon geloven dat ik er gewoon mocht zijn. Sterker nog, wij zijn vrienden geworden. Zij heeft er voor gezorgd dat ik met Ellen, een lotgenote en enkele dagen voor mij in kamp Vught geboren, een bezoek kon brengen aan de plaats waar wij geboren zijn. Achter de muren van de huidige gevangenis met een extra beveiligde afdeling moesten het ziekenhuis en enkele barakken van het voormalige kamp plaats maken voor de uitbreiding van het complex.Het is raar op de plaats te staan waar je geboren bent, vooral als je daar eerst voor door een beveiligde toegangspoort moet! Het was zomer, maar wij waren geboren in januari met buiten een pak sneeuw. Ongecoördineerd zijn je gedachten en gevoelens lijken er niet te zijn. Hoe waren de omstandigheden tijdens de bevalling? Wij zullen het nooit weten. Beide moeders hebben ons totaal verschillende verhalen verteld. Een zoektocht naar de verpleegster die ons bij de Burgerlijke Stand heeft aangegeven, leidde niet tot resultaat.

De geschiedenis van het kamp Vught is door diverse mensen beschreven, maar houdt altijd op bij september 1944.

Met Tineke bezocht ik enkele malen bij de opening van het seizoen het Monument Kamp Vught. Onder haar vleugels voelde ik me er veilig. Ik werd lid van de ‘Vrienden van het kamp Vught’ met het idee dat ik daarmee bijdroeg aan het in stand houden van een monument dat duidelijk maakt dat dit nooit meer mag gebeuren. Toen ik enkele jaren later reageerde op een vacature voor bestuurslid bleek ik echter nog steeds het kind van ‘foute’ ouders te zijn. Mijn deelname zou te pijnlijk zijn voor de voormalige bewoners van het kamp. Individuele contacten waren en zijn wel mogelijk gebleken.