Ik woonde toen in mijn ouderlijk gezin in Breda en wij werden door gevechten tussen de Duitsers en geallieerde troepen (Polen en Britten) bevrijd.
Drie weken vóór de dag, die onze bevrijdingsdag zou worden, was mijn jongste broer met zijn verzetsgroep verraden, opgepakt en gefusilleerd. In de dagen en weken daarna werd het geschiet vanuit het zuiden steeds sterker; het geluid van zware bommenwerpers klonk elke nacht, V1’s, de vliegende bommen, die vanuit Twente afgeschoten werden richting Antwerpen, vlogen over ons heen. Dikwijls bereikten ze hun bestemming niet, maar vielen bij Breda neer en doodden willekeurige burgers.
Het luchtalarm ging om de haverklap af. De toestand in de stad werd aardig chaotisch in die laatste weken van oktober, doordat de Duitse troepen op vrij onordelijke wijze vertrokken, meegraaiend, wat van hun gading was.
Op de laatste zaterdag van oktober werd het kanongebulder zó sterk, dat het niet meer verantwoord was om buiten te zijn. Het luchtalarm klonk haast onafgebroken. Ook ons gezin, mijn ouders, mijn oudste broer met zijn vrouw en kleine baby, en ik, zat meer in de kelder dan erboven, die nacht haast constant. Dat viel niet mee, want de kelder was maar klein. Alleen mijn moeder had een stoel, de anderen zaten op kisten en dozen. Alleen de baby had een royale plek: in haar reiswieg bovenop de aardappelvoorraad. Naast de onzekerheid, hoe dit ging aflopen, zaten we daar met ons grote verdriet om onze Henk, zo nodeloos omgebracht.
Wanneer er een pauze leek te zijn in het geschiet, kropen wij naar boven om in de kamer onze verstijfde lijven een poosje neer te vlijen in een gemakkelijke stoel. In één van die pauzes klonk er opeens een zware ontploffing. Mijn schoonzus begon hysterisch te gillen en ik viel in mijn halfslaap uit mijn stoel en kon even niet meer opstaan. Overal glasgerinkel. Gelukkig hadden wij luiken als verduistering, anders zouden we onder rondvliegend glas bedolven zijn. Later bleek een brug vlakbij opgeblazen te zijn.
We wisten niet, hoe gauw we weer in onze kelder moesten duiken, waar de baby ongestoord bleef slapen.
Zo gingen de uren voorbij, totdat het geschiet duidelijk minder werd. Op den duur werd het zelfs helemaal stil. En in die stilte klonken stemmen. Het was niet de zware Duitse commandotoon, maar wat dan wel? Mijn broer en ik slopen naar boven en openden de voordeur op een kier. Daar stond in de vage schemering van de naderende morgen een vreemd pantservoertuig voor onze stoep! Er kwam een hoofd uit, dat Engels sprak. Het is niet te beschrijven, wat je dan voelt. Kàn het, dat dit de bevrijding is?
Het leek er echt op, maar de Engelse militair zei ons toch maar weer in de kelder te gaan, want het was nog niet veilig. Dat deden we, maar nu met een wat euforisch-tintelend gevoel, dat over ons verdriet heen kwam te liggen.
Het was Zondag, 29 oktober 1944, de bevrijdingsdag van Breda. Het zou nog ruim zes maanden duren vóór de bevrijding van heel Nederland werkelijkheid werd.