Het probleem was alleen dat mijn maag die stamppot met uitgebakken spek vaak niet kon verwerken. Mijn moeder kookte vaak tulpenbollen. ‘Die smaken net als tamme kastanjes en passen prima bij spruitjes’, zei zij.
Die oorlogsjaren waren erg. Ik was anders dan andere kinderen. Ik begreep niet waarom er soms uitgekauwde rauwe wortel in mijn gezicht werd gespuugd, terwijl er ‘Oranje Boven’ naar mij geschreeuwd werd. Ik moest naar de Jeugdstorm en toen ik op een keer met de groep liep en een vriendinnetje zag lopen, begreep ik niet waarom zij niet terug zwaaide. Ik dacht dat het allemaal kwam omdat ik zulke lange vlechten had.
Ik heb de Canadezen zien binnenkomen in Heemstede. Nellie en ik waren bovenop een luifel boven een winkelgalerijtje geklommen. Dan konden we alles goed zien. Ik kreeg een vlaggetje van haar om mee te zwaaien. En we zongen en juichten uit volle borst.
Een paar dagen later, op 9 mei, kwam ik thuis. Ik liep achterom de tuin in. Mijn moeder en mijn broer zaten daar. Er waren ook drie mannen die ik niet kende. Zij stonden vlakbij mijn moeder en hadden kleine gummi knuppels in hun handen die zij alsmaar bewogen. Mijn moeder stond op en zei tegen mij dat als zij weg was, ik naar de familie D. moest gaan en mijn broer naar de familie L. Voorlopig moest ik mijn broer gehoorzamen. Hij was nu de baas.
Mijn moeder was dus opgepakt. Ik heb haar wel eens stiekem gezien in die tijd. Eerst was zij in een garage met stro om op te slapen, later was zij in een school met veel andere vrouwen ondergebracht. Op een dag werd ik uit de klas gehaald. Onder bewaking was mijn moeder de trap in de school aan het dweilen. Ik schaamde mij. Vanaf dat moment heb ik mij gerealiseerd dat ik er niet bij hoorde en er ook nooit bij zou horen. Wilde ik mij te midden van een wereld waar ik eigenlijk niet thuis hoorde, handhaven, dan moest ik jokken en smoezen verzinnen waarom ik niet gewoon bij mijn moeder woonde.
Na een paar maanden ben ik ondergebracht bij familie in Friesland. Ik ben daar twee jaar geweest. Daarna twee jaar bij andere familie in Amsterdam, waar ik op de middelbare school heb gezeten. Intussen was mijn moeder vrij gekomen en mijn vader terug uit Duitsland. In 1949 vonden zij eindelijk woonruimte in Amsterdam en moest ik weer bij hen wonen.
De oorlog heeft altijd tussen hen en mij gestaan. Onze relatie is nooit meer normaal geworden. Ik heb hen kwalijk genomen dat zij ons in die situatie hadden gebracht. Het is nog steeds moeilijk om over de oorlog en ‘mijn’ bevrijding te praten. Ik voel me schuldig over wat de Duitsers en NSB’ers in de oorlog hebben aangericht. Voor zover ik weet, hebben mijn ouders anderen geen leed aangedaan. Wel mij.
Ieder jaar ga ik naar Dodenherdenking. Dat is het enige wat ik kan doen om dankbaar te zijn voor de bevrijding. Een bevrijding die voor mij in mijn latere leven zekerheid heeft gebracht, maar alleen wanneer ik loog over mijn jeugd.