Foto: Paul Q.
Precies 400 jaar geleden landde de Engelsman Henry Hudson, in dienst van de Nederlandse VOC, op het eiland Manhattan. Hij was op zoek naar een noordelijke passage naar Azie. Dat lukte niet, maar de reis van Hudson symboliseert het begin van de Europese invloed op het Amerikaanse continent. En dat werd half september 2009 uitgebreid herdacht. Overigens vooral door Nederlanders die naar New York kwamen om te zien wat er nog restte van ‘Nederlands Manhattan’. Of om te tonen hoeveel belang zij hechten aan een goede relatie met New York. Ik vond Hudson terug in het South Street Seaport Museum aan Fulton Street. Een tentoonstelling in een oud pakhuis met mooie 17de-eeuwse documenten en kaarten uit de Nederlandse tijd. Amerikanen vinden zulke oude papieren prachtig, want zoveel ouds hebben ze niet. Voor hen begint de geschiedenis eigenlijk pas in 1776 met de Declaration of Independence. Ik zag er ook andere bekende Nederlanders: de kaartmaker Johannes Vingboons, de koopman en kaarttekenaar Adriaen Block, en natuurlijk Petrus Stuyvesant. Dat wij Nederlanders nog steeds ‘iets hebben’ met New York (ook al is het sinds 1667 niet meer van ‘ons’) bewijst het feit dat ik vele landgenoten tegenkwam. Fotograaf Richard Koek (nee, niet Cook) legde Nederlanders in New York vast voor de tentoonstelling in het SSSM. Hij had een ruime keus. In het Museum of Modern art (MoMa) zag ik nog meer bekende landgenoten. In dit geweldige museum van Amerikaanse proporties en met dito collecties was Piet Mondriaan nadrukkelijk present. Hij had een zaal voor zich alleen. Dat voorrecht had een andere BN’er niet eens: Vincent van Gogh liet zich slechts af en toe zien. Designer Wim Crouwel trouwens ook. Maar ja, op het wereldtoneel van de moderne kunst moet je als Nederlander sneller tevreden zijn.