In de nacht hoorden we het aanzwellend gebrom, door interferentie van het geluid van de zuigermotoren, golvend als een vertraagde vibratie, typerend voor een ‘armada’ bommenwerpers.
Vanaf de tweede verdieping hadden wij uitzicht in oostelijke richting. ’s Nachts zagen wij tijdens de verduistering de ‘kerstbomen’ van lichtfakkels boven steden in het Roergebied; doelwit van de luchtbombardementen. Met behulp van een georiënteerde kaart en twee spelden als vizier konden we zien welke stad die nacht gebombardeerd werd. Twee broers zaten resp. in Krefeld en Keulen vanwege de ‘Arbeitseinzats’.
Betrouwbaar nieuws was er niet, enkel geruchten, hoofdzakelijk ontleend aan berichten van Radio Oranje en de ‘Engelse zender’, niet altijd goed te ontcijferen ondanks de richtantenne. De geallieerde legers zouden in aantocht zijn en Brabant en Zeeuws Vlaanderen al bereikt hebben.
Het moet 12 of 13 september zijn geweest. ’s Nachts schuilden we in de kelder onder ons huis. We hoorden explosies en het loeiend geluid van projectielen boven ons hoofd. We wisten niet wie schoot op wie. Zeker was dat beide partijen niet ver verwijderd konden zijn.
Vóór ons huis, aan de westkant, was een aardappelveld. Van normale voedselvoorziening via winkelnering was geen sprake meer. Om toch iets te eten te hebben ging ik uit het veld, voor ons zelf en de buren, wat aardappels rooien. Boven ons hoofd loeiden af en toe projectielen. Eerst klonk de inslag. Het schot klonk pas na het loeigeluid. Tankgeschut? Als er een schot klonk dook ik tussen de voren in het veld. Ik zag een scherf; verwrongen staal, interessant van vorm en kleur, raapte het op maar liet het meteen weer vallen. Heet! Het schieten kon niet van ver weg zijn.
Rond het middaguur klonk er vanaf de zuidoostkant van ons huis een aanzwellend gedreun. Tanks die over de Heerderweg naderden. Onze bevrijding was daar! Het bleken Amerikanen te zijn. Het ‘Old Hickory’ regiment naar we later leerden.
De Amerikaanse bevrijders werden met gejuich ontvangen. In die tijd heerste in het zuiden van Limburg nog het ‘Rijke Roomsche Leven’. Vertrouwd was het beeld van een heilige met een aureool, zo’n stralenkrans, teken van heiligheid rond het hoofd. We waren zo van vreugde vervuld met de ons geschonken vrijheid dat we er niet verbaasd over geweest zouden zijn als de hoofden van de soldaten toen ze ’s avonds rustig over straat liepen in de schemering zouden oplichten met zo’n stralenkrans rond de helm!
Ik werd aangesproken door een Amerikaanse militair maar ondanks vijf HBS jaren stelde mijn kennis van het Engels c.q. Amerikaans nog niet veel voor. Als twintigjarige was ik ook met het onderwerp nog niet vertrouwd. Uiteindelijk, geïllustreerd met gebarentaal drong het tot me door: Hij vroeg waar hij een hoer kon vinden. Het aureool miste ik niet meer.
September 1944: Een kar, op de laadbak een vrouw, haar hoofd ruw kaalgeknipt, ‘moffenhoer’? Machteloos overgeleverd aan een joelende troep ‘landgenoten’. Een ‘volksgericht’ als in de tijd van de gebroeders de Wit. Een schokkend tafereel.
Was dat het herstel van onze rechtstaat?