‘Kijk,’ zei hij, ‘dit is het koetswerk van de bus. Aan de voorkant steekt de motorkap uit, met roosters aan de zijkant. Daar ontsnapt de hete lucht uit. Dan heb je hier de spatborden en de grote wielen, met rubberen banden. Door het voorste raam zie je de chauffeur zitten. Die draait aan het stuur. Daarachter heb je de passagiers, die kijken door de raampjes. Deze dame draagt een hoedje. De man rookt een pijp.’
Hoe oom Frans de rook uit de pijp tekende vond ik het mooiste. Dat was telkens weer een hoogtepunt aan het eind: eerst de pijp en dan het wolkje rook dat in sierlijke krulletjes opsteeg.
Later was oom Frans weg. Henk ook. Zij waren door iemand verraden. Zij gingen naar het concentratiekamp. Mijn vader was al in Duitsland. Mijn moeder was bang en zij nam ons mee naar haar ouders in Rotterdam. De winter kwam en er was niet veel eten, maar wij hadden geen honger. In de lente was het bevrijding met de Canadezen.
Achter op de fiets bij opa van der Werff reed ik Rotterdam uit. We namen het jaagpad langs de Rotte en langs de Vliet. Het frisse weer prikte in mijn gezicht. Mijn benen staken in fietstassen. Ergens bij het gras stapte opa af. Met zijn luide stem riep hij dat we gingen uitrusten. Hij haalde eten en drinken te voorschijn. Dat was goed voor ons, riep hij. ‘s Avonds in Bennebroek tilde oma mij van de fiets en nam me mee naar binnen.
Het huis stond vol met bedden. Zelfs in de voorkamer hadden ze bedden. De schuifdeuren waren dicht. Opa en oma van der Werff woonden er, en tante Nel. Hun huis was kapot door de bommen. Oom Pim en zijn gezin zaten boven. Zij hadden ook geen een huis meer. Oma stopte mij in een ledikant en ik viel in slaap.
‘s Morgens liep ik met haar naar de Bennebroekerlaan. Op de smalle stoep langs de vaart zei ze: ‘Daar zijn jouw moeder en zusje, samen met je vader. Zij zijn met een schipper door de Ringvaart gekomen.’ Mijn vader was een grote man. Hij had een grijze hoed op.
Hij ging weer weg, naar Frankrijk. Hij moest Amerikaanse jeeps keuren en naar Nederland sturen. Oom Henk was dood. Maar oom Frans kwam terug. Zij brachten hem in een ziekenwagen. Hij bleef bij ons om te herstellen. Na een tijdje zat hij weer aan de tafel. Ik klom op zijn schoot en trok aan zijn mouw. Ik vroeg of hij een autobus ging tekenen en weer de mevrouw en de meneer erbij. Hij wilde het niet. Hij ontweek mijn vragen. Mijn moeder zei: ‘Laat oom Frans maar. Hij heeft er nu geen zin in.’
Eén keer, toen ik weer aandrong, vroeg hij: ‘Wat kan ik dan tekenen? Een autobus? Dat denk ik niet.’ Ik kreeg hem toch zover dat hij begon, terwijl mijn moeder toekeek. Zwijgend trok hij lijnen op het papier tot er een bus was. Maar die bleef zonder chauffeur. Er kwam ook niet een mevrouw of een meneer in te zitten. Er kringelde geen rook omhoog.