6. De jaren direct na de oorlog

06-1945, Haarlem / Alkmaar

Van hot-naar-haar-gesol met kinderen Communicatiemiddelen waren nog erg miniem, bijna niemand had nog telefoon. Toch moet er op een of andere manier een bericht bij oma in Haarlem zijn aangekomen dat ik in St.-Michielsgestel zat, (vermoedelijk door Tante J. die daar woonde en die ik waarschijnlijk wel had opgezocht) want in juni of juli 1945 stond opeens Tante R. voor me om me te halen.

Haarlem: Tante V.

Over het afscheid van de broeders in Gestel en van mijn lotgenoten kan ik me niets meer herinneren, ook niet hoe L. daar in beeld kwam. Ik herinner me alleen dat wij (Tante R., L. en ik) via vele vrachtauto’s, trekschuiten, bussen en veel lopen uiteindelijk in Haarlem aankwamen. Opa was intussen gestorven en Oma was ook zwaar ziek en maakte het niet lang meer daarna. Ik kon dus niet lang daar blijven. We wisten niets over Moeder, Vader, H. en W. maar het nieuws was wel doorgesijpeld dat ik op 17 oktober 1944, in Bottrop er een broertje bij had gekregen: H. G. Zo gauw ik hoorde dat hij in Haarlem was, ben ik er naar toe gerend. Ik vond een jong gezinnetje die een zoontje even oud als H. hadden, en daar zag ik na meer dan een half jaar na zijn geboorte voor het eerst mijn nieuwe broertje, een vriendelijk lachend mager scharminkeltje. Het was een hele belevenis voor me. Ik ging naar Tante V. waar ik met liefde werd opgevangen. Oom D. was ook bij de NSB geweest en zat vast in het Kruithuis bij Halfweg. Later hoorde ik waarom: Tante V. was van Italiaans-Joodse afkomst en ik vermoed sterk dat hij daarom bij de NSB was gegaan in de oorlogsjaren, om zo zijn vrouw iets bescherming te geven. Mogelijk ook dat mijn vader hem er misschien ingepraat heeft, want Oom D. zelf leek me helemaal geen politiekeling.

Weer naar de Broederschool ...en vernieuwde pesterijen De oorlog was afgelopen, maar voor mij nog lang niet. Overal in Haarlem waren er bevrijdingsfeesten met buurtkermissen, optochten, volksspelen. Ik ging er wel eens kijken en genoot mee. Maar als ik dan herkend werd, kreeg ik onverwachts midden tussen de feestvierende menigte een trap van achteren en kreeg te horen: "Sodemieter op vuile NSB-er!" Jongens van mijn leeftijd zorgden dan wel dat ik van het evenement werd afgetrapt. Meedoen met spelletjes kon ik overal wel vergeten. Ik ging weer terug naar de broederschool. Ik was uit de vijfde klas van André naar de Deutsche Schule vertrokken en 'dus' kwam ik na al die tijd weer terug in dezelfde 5de klas, maar Br. A. was intussen verplaatst en ik kwam nu bij Br. D.. Op school en in de buurt waren er ook weer een stel die boven op me doken. Ik had in Duitsland genoeg 'wijsheid' opgedaan om zelf blij te zijn met de bevrijding en ik was blij geen Duitsers meer aan te treffen. Misschien wel met meer grond dan sommige van mijn tormenters die met zwarte handel en andere chicanes als 'goede vaderlanders' door de oorlog gekomen waren! (Die verhalen kreeg ik óók te horen!) Er waren in mijn klas echter ook wel jongens die het voor mij opnamen: Aad M., Ben L., Arie H., Bert v. G., Wim K. en nog een heel stel. De vechtpartijen werden minder. De broeders hielden het wel goed in de gaten. Ik hield me echter ook veel gedeisd, dat had ik in Duitsland wel geleerd: niet opvallen, geen contacten maken en na school zo gauw mogelijk naar huis. Als er vechtpartijen waren, dan was dat niet omdat men mij uitschold maar omdat ze mijn vader of moeder door het slijk haalden. Als het mijzelf betrof dan vond ik het niet de moeite waard om me daar druk om te maken, of eigenlijk voelde ik dat natuurlijk wel, maar dan kroop ik gewoon weer in mijn 'oude vertrouwde schulp' en liet het overwaaien. Maar van mijn ouders moesten ze afblijven. Als het op de speelplaats gebeurde, en de broeders trokken de vechtende kemphanen uit elkaar, dan toonden ze daar toch wel begrip voor en ik heb er nooit straf voor gekregen.

Alkmaar: jeugdopvang

Na een paar dagen of weken kwamen twee levensgrote politieagenten om me uit school weg te halen. Zo maar ineens moest ik vanuit de klas in Haarlem rechtstreeks naar een 'kamp' in Alkmaar want ik mocht niet meer bij Tante V. blijven; Oom D. was immers fout en dat zou een slechte onvaderlandse invloed op mij kunnen hebben. Damianus riep me, en ik zei dat ik even naar de wc moest. Ik liet de blauwe jongens voor paal staan en verdween via het keukenpoortje van het broedersklooster en rende maar wat rond, ver weg van school. Ik durfde eerst niet naar huis te gaan, maar uiteindelijk belandde ik toch in het verboden huis van Tante V.. Ik vertelde Tante V. wat er gebeurd was. Uiteindelijk kwam de politie niet naar huis om me daar op te pikken, maar de volgende dag waren ze weer present op school. Ze waren nu goochem genoeg om bij de deuren post te vatten zodat dat NSB-ertje met al zijn dertien jaren niet nóg eens de politiemacht voor paal kon zetten. Damianus was heel goed voor me. Hij omhelsde me en het kwam helemaal niet bij me op om me daar tegen te verzetten. Ik voelde dat hij het goed meende en gaf me aan hem over. Het was al zo lang geleden dat iemand dat met mij gedaan had. Hij beloofde me dat hij er voor zou zorgen dat ik weer gauw naar Haarlem terug kon komen. Hij zou wel iemand vinden. Per auto werd ‘de jonge misdadiger’ naar Alkmaar ‘afgevoerd’, één juut aan het stuur en twee aan weerszijden van mij op de achterbank! Ik moet wel als zeer staatsgevaarlijk aangezien zijn, een vluchtgevaarlijke crimineel. Daar hadden ze dus drie grote blauwe jongens plus een auto voor nodig! Het ontbrak er nog aan dat ze geen machinepistolen bij zich hadden, dacht ik. 'n Duur ritje! Ik heb de hele rit geen woord tegen ze gezegd.

Weerzien met een meisje uit mijn Duitse tijd In Alkmaar werd ik in een grote villa midden in de stad (tegenover de molen en vijver) afgeleverd. Er waren ongeveer 20 kinderen in huis, het kunnen er ook 15 of 30 geweest zijn, de meesten jonger dan ik, allemaal soortgenoten. Ik geloof dat ik er de meeste tijd heb zit grienen. Er was ook een meisje dat met mij in Duitsland was geweest, een of twee jaar ouder dan ik, haar naam ben ik (gelukkig) kwijt. Toentertijd was zij een trouwe,... zeg maar fanatieke..., aanhangster van de Führer. Zij had ook altijd meegedaan aan de pesterijen in Duitsland en nu was ze daar in huis officieel als helpster/leidster. Ze dacht me daar weer te kunnen commanderen. Maar op een of andere manier kon ik genoeg moed opbrengen om haar duidelijk te maken dat ik naar de leiding zou gaan om te vertellen hoe fanatiek ze in Duitsland was geweest, als ze niet ophield. Toen ik weer eens in een hoekje zat te janken en een leidster me kwam troosten, zei ik: "Ik wil weg uit dit kamp. Ik heb genoeg kampen gezien." Ze zei natuurlijk dat dit geen 'kamp' was, maar op dat moment ging dat er bij mij niet in. 't Was allemaal één pot nat. "Wat moet die 'Lagerälteste' dan hier?" vroeg ik. Ze zei dat er hier geen 'Lagerälteste' was, de Duitsers waren weg en Nederland was vrij. Toen deed ik een boekje open over die griet en daar werd geloof ik wel werk van gemaakt. Daarna bleef die griet me schuw uit de weg. Maar ik was nog steeds doodongelukkig. Al zag ik het toen als weer een ander 'Lager', ik heb me later wel gerealiseerd dat de mensen daar belangeloos als vrijwilliger hun tijd en liefde gaven om ons soort kinderen te helpen. Misschien waren het wel particulieren die hun huis beschikbaar hadden gesteld voor ons. 't Kan ook zijn dat het vroeger een huis was van de Wehrmacht of NSB dat nu beschikbaar was gesteld. Ik ging daar ook naar school, bij de Broeders van Oudenbosch vlakbij, maar daar herinner ik me verder niets meer van. Het waren niet ‘mijn’ broeders, en ik zei altijd, dat ik weer naar ‘mijn’ broedersschool in Haarlem terug wou gaan. Ik wist nog niets over vader; moeder zat vast in het Marine Hospitaal in Overveen en ik kon haar niet meer bezoeken vanuit Alkmaar. Waar H. was, weet ik niet meer, L. zat geloof ik nog bij Tante R. en Oma, en W. bij Tante A.. Mijn nieuwe broertje H. had ik pas een keer gezien, die zat ergens bij een eenvoudige maar lieve familie in Haarlem. Na al die tijd konden we nog steeds niet bij elkaar komen. Dat vrat me helemaal op. Meestal zat ik te kniezen en ik herinner me dat ik zelden met de andere kinderen speelde op het veldje in de tuin naast de villa. Achteraf beschouwd geloof ik wel dat de leiding in de gaten had dat het hard bergafwaarts ging met mij en dat hun welbedoelde hulp op mij een tegengesteld effect had. Zij hadden (in mijn ogen van toen) mij weer van mijn familie afgetrokken die ik zo lang niet had gezien. Ze moeten me wel gauw als een nood/spoedgeval beschouwd hebben, want binnen niet al te lange tijd kreeg ik te horen dat ik weer naar Haarlem mocht. Ik zou gauw gehaald worden. Pas daarna begon ik weer op te leven en speelde met de andere kinderen. Ik vermoedde dat Br. Damianus flink achter de schermen bezig was geweest om me terug naar Haarlem te krijgen.

Wéér naar Haarlem: De familie W.

Ik werd in Alkmaar opgehaald door twee heel vriendelijke heren in een klein vrachtwagentje en die leverden me af bij Mevrouw W., schuin tegenover het Broederhuis. "Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?" zoals we in de bijbel lezen. De hele oorlog had de hele familie (samen met de broeders) in de ondergrondse gezeten. De hele oorlog kon men daar onderduikers, joden, piloten, verzetsstrijders en wapens aantreffen. Haar man, politieagent, was in Bergen-Belsen gestorven. Na de oorlog ging A., de oudste zoon, als militair naar Indonesië, de volgende zoon, W., zat (geloof ik) bij de Binnenlandse Strijdkrachten en hij was heel vriendelijk tegen me. De jongste zoon K. zat nog bij de broeders op school en was een of twee jaar ouder dan ik; hij had het wat moeilijk met mijn aanwezigheid in zijn huis maar was toch nooit echt vijandig tegen mij geweest. Dan was er ook nog een dochter J., die gevangenenbewaakster was, nota bene bewaakster van mijn moeder. Zij was heel fanatiek en moest niets van mij of mijn moeder hebben. Mevrouw W. was klein van stuk, maar toch een groot mens. Na de oorlog nam zij meteen kinderen van foute ouders op in huis. "Die kinderen kunnen er ook niets aan doen," zei ze, "en we moeten de vrede weer opbouwen." Zo trof ik bij haar in huis drie kinderen (4, 6 en 8 jaar oud) van een nogal beruchte Duitse dame waarvan het verhaal ging dat ze haar eigen man had aangegeven aan de Duitsers. We werden allemaal door 'Tante Alie' liefderijk als eigen kinderen opgevangen en behandeld. Met A. en W. (beide net in de 20) had ik 'n heel goede verstandhouding, met K. (14) in het begin niet zo. Dat is nú wel te begrijpen want hij miste zijn vader. Op een dag had hij me op de speelplaats uitgevraagd over het dragen van het Deutsche Jugend uniform op school en schampere opmerkingen daarover gemaakt. Ik had er geen verweer tegen en kon alleen maar geweldig huilen daarover. Tante Alie ving dat heel verstandig en begripsvol op voor ons beiden en sinds die tijd ging het beter tussen ons tweeën. Jo was het helemaal niet eens met haar moeder en bleef een haatdragende feeks die ons al die tijd als str... bleef behandelen. Zij was bewaakster van NSB-vrouwen die vastzaten in het Marine Hospitaal in Overveen, dus ook bewaakster van mijn moeder. Tijdens bezoekuren hoorde ik van moeder en andere vrouwen daar, dat ze door iedereen de 'Plurk' (Ploert&Schurk) werd genoemd vanwege haar harde gekrijs en geniepige pesterijen en strafuitdelingen. Op vier mei '46 was mijn moeder jarig maar ik mocht niet op bezoek. Ik vroeg aan Jo of ze een briefje mee wou nemen voor mijn moeder, maar "ze ging haar baan niet riskeren voor 'n vuile NSB-er," kreeg ik van haar te horen. Of ze dan mondeling mijn felicitatie wou overbrengen? "Ja zeg, ik ga haar daar 'n beetje ‘n moffin lopen feliciteren, hoe kom je er bij!" Nou dan alleen de groeten doen. Nou, ze zou wel zien. Toen Jo 's avonds thuiskwam, vroeg ik of ze het nog gedaan had. "Nee," schamperde ze, "ze stelde zich weer aan met haar hoofdpijn en ik heb haar aan het schrobben gezet!" Mijn reactie was een geweldige huilbui waar ik niet uit kwam. Tante Alie had al gauw in de gaten dat er iets tussen mij en Jo was voorgevallen. Zij nam Jo goed onderhanden. Ik heb haar nooit kwaad gezien, maar toen wel. Ze deed alles om mij te troosten en me weer 'bij' te brengen. Toen ik de week daarop mijn moeder weer eens mocht bezoeken, kon ik haar eindelijk feliciteren. Ik kreeg toen ook te horen dat ze 'de Plurk' op haar verjaardag helemaal niet gezien had, en ze had zeker niet hoeven te schrobben. Tante Alie was behoorlijk woest over zo'n vuile streek en gaf er Jo weer behoorlijk van langs. Ik moet zo'n vijf of zes maanden bij 'Tante Alie' W. in huis geweest zijn; ik herinner me nog de winter 45/46. Ik was eens door het ijs gezakt, waarom Tante Alie hartelijk moest lachen waarna ze me verzorgde zodat ik geen kou zou vatten. De lentetijd met mijn moeders verjaardag; in de bollentijd gingen we op bezoek bij haar verwanten in Noordwijk.

Plotseling op een kwade dag konden we niet meer bij de W.’s blijven. Tante Alie was opgepakt en zat ook gevangen in het Marine Hospitaal in Over¬veen,... waar Jo dus bewaakster was; Jo was dus van de ene dag op de andere bewaakster-af, tot grote hilariteit, vreugde, opluchting en spotternijen van alle gevangenen. Van mijn moeder hoorde ik dat er feest was geweest toen de 'Plurk' verdwenen was en veel leedvermaak omdat de moeder van de 'Plurk' nu in het zelfde schuitje zat. Ik had mijn moeder natuurlijk al lang verteld hoe goed 'Tante Alie' voor ons was geweest en ik vermoed dat moeder dat ook wel doorverteld heeft aan de andere gevangenen. Voor zo ver ik kon nagaan, werd Mevr. W. daar met respect behandeld en zeker niet gekoeioneerd. Later hoorde ik waarom ze daar was vastgezet. Ze had sieraden en schilderijen in bewaring van joden die bij haar ondergedoken hadden geze¬ten. Toen die bij haar weggingen, hadden ze gezegd dat zij er gerust wat van mocht verkopen, als ze dat nodig zou hebben 'voor de jongens' (= onder¬duikers, piloten, verzetsstrijders, enz). Ze had uiteindelijk ‘n paar dingen verkocht toen dat nodig was. Deze joden overleefden de oorlog en kwamen hun bezittingen ophalen en merk¬ten dat niet alles er meer was. Toen hebben ze 'Tante Alie' aangebracht. In die dagen werd er nog niet eerst een onderzoek ingesteld en zij werd meteen vastgezet. Er gebeurde in die dagen wel meer onrechtvaardige dingen, nu wel te begrijpen want de mensen hadden veel te verduren gehad. Emoties wonnen het wel eens van het gezonde verstand.

Uiteraard schrijf ik dit niet om 'tegen de joden' te ageren. Ik ken heel veel fijne jo¬den. Maar in elke groep heb je een zeker percentage van minder allooi. 'Tante Alie' heeft, geloof ik, niet zo lang vast gezeten. Ze heeft grote troost en eerherstel ontvangen van Simon Wiesenthal; deze kwam haar persoonlijk bezoeken en verontschuldigingen aanbieden namens de joden, en ook bedanken voor wat ze onder de oorlog voor de joden gedaan had. Deze vrouw heeft veel gedaan om me te helpen om weer een 'nor¬maal' leven te gaan leiden. De vechtpartijen werden allengs minder en ik kreeg weer vrienden, en daar heeft zij ook een hand in gehad. Ik heb haar haar verdere leven nog dikwijls thuis opge¬zocht (als student op vakantie, tijdens familiebezoeken, en als ik op verlof was uit Afrika).

Naar de Familie G. Ik werd bij W. weggehaald door een soort maatschappelijk werkster die me naar de Familie G. bracht. Ik voelde me nog steeds in dezelfde routi¬ne als in Duitsland. Voor mij was het alsof de 'Kinderlandverschleppung' op dezelfde voet bleef doorgaan. Meneer G. was een stille en vriendelijke man die zwaar bij ma onder de plak zat. Hij ging altijd vroeg naar bed want hij was bakker en moest dus 's morgens vroeg uit de veren. Mevrouw was een chagrijnige Kenau met een trots en zuur gezicht, dat zij van haar vader (die daar ook in huis woonde) geërfd had. En de vier kinderen hadden dat weer van haar geërfd. Ik herinner me een koude atmosfeer met veel hersenspoelwerk van de kant van Mevrouw: Zij waren 'goed' geweest onder de oorlog, èn ze waren brave katholieken en wilden dus (ons) kwaad met (hun) goed vergelden. Een levend voorbeeld van Christelijke naastenliefde dus. Dat werd er wel duidelijk bij mij ingewreven. Ook moest dat NSB-joch weer 'heropgevoed' worden tot 'n trouw Nederlander. Nou, daar had ik haar niet voor nodig, want een en ander was me al in Duitsland duidelijk geworden en ik voelde me net zo Nederlander en had net zo'n hekel aan Duitsland en Duitsers als iedereen. Ik was toen 14 en ongeveer net zo oud als H. was toen de oorlog uitbrak; ik begreep toen ook heel wat beter waarom H. vanaf het begin van de oorlog zich zo verzette tegen de ideeën van vader.

Moeder vrij Op een avond, ik was al naar bed, werd er aan de deur gebeld en hoorde ik een bekende stem. Mijn moeder stond aan de deur en vroeg of ik daar woonde. Ik sprong met vier treden tegelijk de twee trappen af. Mijn moeder mocht zowaar (onder afkeurende blikken van Mevrouw G.) binnenkomen. Ik was zo door het dolle heen, dat ik niet eens kon blijven zitten. Ik rende naar boven, kleedde me aan en rende naar mijn vriend Aad M. die een paar straten verder woonde. Ik moest het aan iemand vertellen! Aad was ook al in bed, maar zijn moeder liet hem beneden komen en de hele familie leefde met me mee en toonde zich net zo blij als ik. Ik wilde daarna naar Br. Damianus rennen, maar ik wist dat de broeders vroeg naar bed gingen en toen dacht ik er aan dat ik mijn moeder alleen had laten zitten met Mevrouw G., dus ik rende weer gauw terug naar huis. Mijn moeder kwam bij ons aan in een namaakbontjas die hier en daar al aan het verslijten was. Terwijl ik naar Aad was, had Mevrouw G. haar gulheid en 'goede wil' getoond. Moeder zou wel geld nodig hebben, en ze bood een tientje voor die jas. Moeder zei natuurlijk nee, want 't was de enige jas die ze nog had, en dat verklaarde de ijskoude atmosfeer toen ik weer terugkwam. Later hebben we er heel veel om moeten lachen als we naar de kale plekken keken en ik zei: "Had hem maar meteen verkocht." Mijn moeder trok in bij haar zuster, Tante F., vlak bij. Later kwam W. en H. daar ook te wonen, geloof ik. Het was dus behoorlijk vol in dat scheefgezakte 3-kamer benedenwoninkje. L. was onder de 'hoede' van ongetrouwde Tante R. die eindelijk al haar opvoedkundige talenten op hem kon loslaten. De hele dag verbeterde ze zijn taalgebruik. Hij mocht niet ‘puzzel’ zeggen, maar ‘púúzle’ ,... zeg het opnieuw. Waar H. vertoefde, weet ik niet meer; mogelijk was hij toen al in militaire dienst.

Vader terecht Inmiddels waren we aan de weet gekomen dat vader ergens bij Laren in Kamp Crailoo zat opgesloten. Bij de Bijstand moest ik dan met een zielig gezicht om reisgeld gaan bedelen zodat we vader konden bezoeken. Ik denk dat ik dat een of twee keer gedaan heb. De gevangenen zaten in een barak achter een lange tafel en wij konden aan de andere kant zitten. Overal liepen bewakers de gesprekken af te luisteren. Onder en boven de tafel was een afscheiding van kippengaas waardoor voorkomen werd dat we lichamelijk contact konden hebben. Moeder had me een paar hardgekookte eieren meegegeven. Met mijn handen onder tafel pelde ik er een en toen er geen bewaker in de buurt was, duwde ik het door het kippengaas. Vader stak het meteen helemaal in zijn mond... laat het nou een zacht gekookt ei zijn. Het eigeel spoot over zijn kin en iedereen in de buurt lachte zich een ongeluk. Ik denk dat geen bewaker iets gemerkt had, of misschien een oogje dichtkneep en heimelijk mee lachte. Toen ik nog bij Tante V. woonde, ging ik ook wel eens op bezoek bij Oom D. die in het Kruithuis bij Halfweg vast zat. Soms kon ik hem ook zien buiten de bezoekuren als ze rond vijf uur in colonne naar het kamp terug marcheerden na een dag werken op de boerderijen in de omtrek. Ik wachtte dan bij het kruispunt en ging naast hem marcheren. Soms lukte dat, maar ik werd ook wel eens weggestuurd door de bewakers. Hij heeft niet lang vast gezeten. Toen Oma stierf mocht vader naar de begrafenis komen. Hij kwam met een bewaker (met geweer), die een kopje koffie dronk en toen de gevangene de gevangene liet, en zelf op familiebezoek ging. 's Avonds zou hij vader weer komen ophalen. Later werd vader naar Limburg overgeplaatst waar hij in de mijnen ging werken. Zo kon hij een beetje geld naar ons sturen.

Naar Amsterdam: Oom W. en Tante A.

Het bleek al gauw dat Mevr. G. mijn opvang alleen maar deed om het geld, dat ze er voor van de sociale dienst ontving. Toen bleek dat ze er niet aan overhield door een opgroeiende, aansterkende jongen van 14 te voeden, werd ik alleen nog maar getolereerd. Zo gauw mijn moeder vrij kwam, stelde ze me voor dat ik maar fijn met mijn moeder samen bij Tante F. moest gaan wonen. Maar die woonde met haar eigen man en twee kinderen in dat kleine huis, dat door het bombardement van de Amsterdamse Buurt behoorlijk uit het lood was gezakt en later werd afgebroken. Ik was eigenlijk een beetje bang voor Oom G. omdat ik hem nogal luidruchtig vond. Dus, spijtig voor Mevrouw G. ging die vlieger niet op. Toen bracht ze me met de tram naar Tante A. en Oom W. (broer van vader) in Amsterdam. Ze had zelfs een doos gebakjes voor hen gekocht om te laten zien hoe goed ze wel voor me was geweest. 'Helaas' vergat ik de doos van het bagagerek te pakken en bezorgde daardoor het trampersoneel bij het eindpunt in de Spuistraat een onverwachte traktatie. Eigenlijk had ik er niet eens spijt van. Ik was al blij genoeg dat ik het laatste van haar zag. Tante A. zorgde dat ik op de Tarcisiusschool van de broeders kwam. Ik kwam bij Br. Bernoldus in de zesde terecht. Ik herinner me dat ik het wel fijn vond maar ook dat ik als de dood voor hem was. Het schooldoen was nog primitief. De verwarming deed het niet en verschillende kinderen brachten petroleum- of elektrische kacheltjes mee die her en der in de klas op kasten en ladders werden geplaatst. Ondanks die kacheltjes hielden we ook nog vaak onze jassen aan in de klas. Er werd hard gewerkt met de 'Toetsnaald', een boek vol moeilijke rekensommen. Oom W. was zwaar bij de ondergrondse geweest. Een overblijfsel daarvan was het 'geheime' belletje als iemand van de familie thuis kwam. Dan werd er niet gewoon op de bel gedrukt, maar werd er de letter 'V' geseind zodat ze wisten dat het 'goed volk' was aan de deur. Dit gebruik ging na de oorlog door en ik deed er ook aan mee telkens wanneer ik thuis kwam. Ergens was ik trots op Oom W.; voor het eerst iemand van de familie die niet Duits was, of fout was geweest. Er werden wel verhalen over de oorlog verteld, waar ik met grote interesse naar luisterde, en er werd ook naar mij geluisterd als ik eens iets losliet van wat ik had meegemaakt. Er is daar in huis nooit een verwijtend (of corrigerend zoals bij Mevr.G.) woord over de lippen gekomen over mij of mijn familie. Vanwege mijn oom's oorlogswerk kwam het dus niet bij de kinderen in de buurt en op school op om te vermoeden dat ik 'fout' was geweest. "Moeder was ziek, en daarom was ik bij mijn tante" was de door iedereen geaccepteerde smoes; er waren wel meer moeders ziek na die hongerwinter. Dat was nog half waar ook en ik hoefde er dus niet om te liegen. Voor het eerst was ik echt vrij en voelde ik me veilig op straat en op school. Ik foeterde net zo hard op de moffen als de rest en ik moest uitkijken dat ik niet te veel liet blijken dat ik meer wist. Verhalen over ervaringen in Duitsland werden natuurlijk zorgvuldig onderdrukt, maar soms kon 'n verhaal wel eens aan Nederlandse omstandigheden aangepast worden zoals bijv. de treinbeschietingen of de door elkaar geschudde bomschuilkelders. Van de Deutsche Jugend instructies wist ik me nog veel te herinneren over vliegen en parachute springen, waarover ik interessant kon vertellen aan mijn vrienden, alsof ik het zelf alle¬maal gedaan had. De Stuka’s en Junkers werden omgewisseld voor Spitfires, Lancasters en Mustangs, en zo kon ik moeiteloos verder vertellen. Ik ging weer wat organiseren onder de jongens van de klas. Met Sinterklaas stelde ik voor om een taart voor Br. Bernoldus te laten bakken. Suiker, boter, bloem was nog op de bon, dus ging ik met een stel klasgenoten de rest van de jongens af om overal een paar lepels van elk ingrediënt op te halen. Daarmee gingen we naar een banketbakker die daarvan gratis een taart bakte voor Br. Bernoldus. Achteraf beschouwd zo veel jaren later moet ik toch wel een pittig en enthousiast kereltje geweest zijn die van doorzetten wist en dingen voor elkaar kreeg, toen ik eenmaal weer de kans kreeg om mezelf te zijn. Amsterdam was immers een totaal vreemde omgeving voor mij, maar ik kreeg het wel voor elkaar om de hele klas achter mijn plan te krijgen

Haarlem: Eindelijk thuis

_ Er was een familie (S.) in ons huis in de Bisschop Ottostraat getrokken. Tante R. had er nog veel van onze spullen uitgehaald, maar veel dingen (speel¬goed, boeken) waren daar gebleven. Die familie bleef daar wonen (in de jaren 80 woonden ze er nog) en we kregen verder nooit meer iets terug. Oma was intussen overleden. Haar huis in de Graaf Willemstraat stond zo goed als leeg want Tante R. was in Amsterdam gaan wonen bij een vriendin en Tante A. (ook ongetrouwd) werkte als 'dienstmaagd' in een grote villa in Aerdenhout en kwam soms 'n weekendje naar het huis. Er was een regeling getroffen dat wij er in konden onder 'n paar voorwaarden. Tante A. hield de hele bovenverdieping met overloop, twee kamers en vliering, waar ze nieuwe lipssloten op de deuren liet zetten. Wij kregen de benedenverdieping met huiskamer, één slaapkamertje, keuken en gang en wij mochten ook de schuur gebruiken. In de gang moest er onder de trap altijd ruimte vrij blijven waar Tante ten allen tijde haar fiets kon parkeren. Moeder sliep met W. en H. in een bed in de kleine achterkamer, L. en ik in de lekkende, tochtige schuur waar de buurtkatten soms naar binnengekropen kwamen om bij ons op bed te slapen. We propten stukken krant tussen de kieren om de wind buiten te houden en als het te koud was, sliepen we wel eens bij moeder in de kamer op de grond..... En boven stonden de twee kamers van Tante A. plus de hele zolder leeg; ze kwam nu alleen maar eens in de veertien dagen om te controleren of wij het huis netjes hielden en niet boven op haar verdieping waren geweest. Ik geloof dat de buren er tegen haar schande van hebben gesproken, en uiteindelijk kregen we toch het hele huis en zij trok in bij een vriendin.

Buurt en School De toestand begon zich weer een beetje te normaliseren. De buren waren niet haatdragend en we werden geaccepteerd. Dankzij het baanbrekende werk van Mevrouw W. kreeg ik weer wat vrienden. Er waren af en toe nog wel eens vechtpartijtjes maar dat werd minder en mijn vrienden namen het voor me op, wat al helemaal iets nieuws voor me was. Zoals ik vóór de oorlog, amper acht jaar oud, spelletjes in de straat organiseerde, kwam ik weer met plannetjes voor de dag in school en straat. Zo startte ik een club: ‘De Duinjagers’ waaraan 'n stuk of zes/zeven jongens meededen. We kregen zelfs voor elkaar dat ieder 'contributie' betaalde à f 0,25 per maand. Zoals de naam al zei, trokken we veel de duinen in. Sommige ouders waren bang voor mijnen en munitie, maar daar wist ik ook wel het een en ander over, en ik zorgde dat we alleen op veilige plaatsen speelden, bramen plukten, en hazelwormen, hagedissen en sprinkhanen vingen. Het succes met de taart voor Br. Bernoldus in Amsterdam was een aanmoediging om hetzelfde te organiseren toen Br. Francisco jarig was. Op dezelfde manier werden de ingrediënten voor een taart huis aan huis opgehaald bij alle klasgenoten. Iedereen deed mee. Er waren heel wat jongens die zelden of nooit naar de mis gingen. Met een paar man jutten we de hele zesde klas op om allemaal te komen. Een half uur vóór de mis renden we nog gauw even langs de huizen van de twijfelgevallen om die ook uit hun bed te porren. Toen daarna op school de kerklijst werd afgeroepen, riepen we triomfantelijk: "Allemaal op tijd, Brrr!" waarna de taart werd overhandigd. Zeker gezien in het licht van de schaarste van die tijd,..... en niet minder van het 'Rijke Roomsche Leven', was het totale kerkbezoek een gewaardeerd cadeau voor Francisco, en verder organiseerden we een knalfeest dat de hele dag doorging met film, tekenen, voorlezen enz.

Vader veroordeeld Intussen moest ook mijn vader voorkomen om veroordeeld te worden. Vlak daarvoor moest ik van mijn moeder in mijn mooiste schoonschrift een petitie naar Prins Bernard schrijven. Ik wilde natuurlijk ook graag dat mijn vader gauw vrij zou komen, maar ik had toch niet veel zin om die petitie te schrijven. Wat zou het uithalen! Vader was fout geweest en daar was ik me wel van bewust en dus had hij straf verdiend. Maar dat kon ik niet tegen moeder zeggen. Dus schreef ik van een gedrukt voorbeeld, aangevuld met opmerkingen van mijn moeder een - in mijn ogen - druiperige smartlap die volgens moeder wel wat medelijden zou oproepen bij Z.K.H.:”We hadden allemaal vader zo hard nodig, H. naar Indonesië waar hij als held voor het vaderland vocht, mijn broertje van 3 of 4 jaar, ik naar Zevenaar zodat moeder er alleen voor stond....” Naderhand hoorde ik persistente verhalen over het proces en ik weet nog steeds niet wat ik er van geloven moet. Het schijnt dat er zo'n 20 à 30 tegelijk de rechtszaal werden binnengebracht, de rechter schold ze even uit en stuurde ze weg met een: "De hele bende acht jaar!" Later kon ik er wel inkomen dat mijn vader een zware douw had gekregen, hij was immers aan het Ostfront geweest en bovendien ook nog Wachtmeester in de 'Leibstandarte Mussert', dus een kleine jongen was hij niet.

Pas in de tachtiger jaren hoorde ik van Meneer P., onze buurman van de Bisschop Ottostraat, dat de hele buurt een petitie had ondertekend en ingediend om mijn vader vrij te krijgen. Meneer Prins vertelde me: "Ach wel, hij was wel fout geweest, maar we noemden hem een 'goeie NSBer' want hij heeft nooit iemand verraden of aangegeven. Hij zal toch ooit wel eens iets hebben moeten merken van de ondergrondse activiteiten bij een paar families 'n paar huizen verderop!" Ik vermoed dat mijn mooie petitie niet van invloed is geweest bij de vrijlating van mijn vader; vermoedelijk linea recta de prullenbak in. "Waarom je moeder werd opgepakt, snappen we niet. Zij heeft niets fout gedaan in de oorlog. Maar ja, ze was een Duitse en naar Duitsland gegaan en dat moest uitgezocht worden. We hebben altijd goede buren aan jullie gehad." Oude herinneringen kwamen weer op over de ijsblokken snert en de in kranten ingepakte vleesafval van het slachthuis achter op de fiets onder de snelbinder waarmee ook de familie P. bedeeld werd.

Einde.