3. Oorlogstijd, mei 1940 - september 1944

05-1940 tot 09-1944

Ik ontdek dat het niet mogelijk is om een in tijdsvolgorde betrouwbaar beeld te geven van onze wederwaardigheden in die periode in relatie tot de specifieke gezinsleden voor wie ze vooral belangrijk waren. Ten aanzien van sommige feiten heb ik inmiddels (30 Augustus 2002) door dossiers in het Nationaal Archief de juiste tijdsbepaling kunnen vinden.

Wat nu volgt is een beschrijving van allerlei gebeurtenissen en indrukken, zoals ervaren door een vroeg-wijze opgroeiende puber.

De invasie van Nederland door de Duitsers vond plaats in een periode dat er op school veel proefwerk gemaakt werd in verband met de overgang naar een volgende klas. In die tijd werden, geloof ik, de eisen voor zo'n overgang wat strenger gehandhaafd dan momenteel wel eens het geval is. Dat betekende dat het dagelijkse scholierenleven ondanks de verwarrende bezettingsindrukken toch al heel snel weer het leeuwendeel van aandacht opeiste. Voor mij ging het dan om de overgang van de eerste naar de tweede klas, wat inderdaad met enige moeite lukte. Van de daarop volgende vacantie kan ik me helemaal niets herinneren. Vacanties waren in die jaren overigens ook heel anders dan we nu gewend zijn. Soms maakte je wel 'ns een dagtochtje of je logeerde een poosje bij een familielid, maar dat was het dan ook. Verder vermaakte je je met vriendjes op allerlei manieren in de directe woonomgeving. Maar die was wèl veel kind-vriendelijker dan nu.

Nog bijna geen personen-auto's en weinig ander snel-verkeer. Kar-en-paard waren een dagelijks en frequent verschijnsel. Plekken te over om straatvoetbal en andere spelletjes te spelen en dat werd dan ook driftig gedaan.

Voor mijn gevoel was het al betrekkelijk ver in het tweede schooljaar dat politiek een rol ging spelen in het schoolleven.  De NSB , bij monde van haar leider Mussert, had langzamerhand haar houding bepaald ten opzichte van de bezetter en dat werd ook merkbaar bij ons in huis, waar vader immers altijd blijk had gegeven van groot vertrouwen in die leidsman!

Die houding kwam er op neer dat Nederland, als onafhankelijk land strevend naar een nauw samengaan met Vlaanderen en verbonden blijvend met haar koloniën, moest opteren voor een verenigd Europa waarin een leidende rol voor Duitsland werd geaccepteerd.

Dat betekende in feite dat de NSB van mening was dat Nederland de Duitsers, na het militair verzet in de Meidagen, op een positieve manier tegemoet moest treden. Hoe vreemd dat nu ook klinkt, eigenlijk was dat ook de mening van enkele zeer invloedrijke Nederlanders, waaronder de oud-premier Colijn. De brochure "Op de grens van twee werelden" die Colijn schreef, was buitengewoon opzienbarend . Hij was van mening dat Duitsland vermoedelijk de oorlog zou winnen en dat op de een of andere wijze een "modus vivendi" gevonden moest worden.

Maar de grote meerderheid van het volk bleek anti-Duits, vooral onder het gereformeerde volksdeel en de communisten waren die gevoelens het meest uitgesproken.

Het Christelijk Lyceum was een school op gereformeerde grondslag en het was dan ook vanzelfsprekend dat veel leerlingen van huis uit duidelijke en straffe meningen over de bezetting, de bezetters en degenen die met het nationaal-socialisme sympathiseerden met de paplepel ingegoten kregen en die op school weer ventileerden.

Ik weet niet meer hoe en wanneer leraren en medeleerlingen op de hoogte kwamen van vader’s politieke gezindheid. Vermoedelijk in de loop van mijn tweede cursusjaar. Het uitte zich in toespelingen en onschuldige plagerijen. Onder gymnastiek bijvoorbeeld begonnen we steevast met een paar rondjes in draf.

Achter me liep dan een jongen uit een parallel-klas die me in cadans van de looppas, onder het gesis van “fascist-fascist-fascist”, op de hakken trapte. Na de oorlog ben ik hem nog vaak tegengekomen bij diverse feestjes en reunies. 't Was een schreeuwerd, maar we konden het redelijk goed met elkaar vinden. Van andere aard was de “botsing” met een felle meid die een kladblaadje de klas rondstuurde met mij als eindbestemming. Er stond een tekening op van een man aan een galg. De tekst kan ik me niet herinneren maar de bedoeling was duidelijk ! Wij waren allemaal in die tijd nog tamelijk gelovig en in ieder geval goed bekend met de tale Kanaäns. Ik retourneerde de tekening , dat ging ook weer langs alle banken, met het bijschrift : “Hebt Uw vijanden lief”.

In 1946, kort nadat ik uit het interneringskamp was vrijgelaten, kwam ik haar tegen bij het station. Tot m’n verbazing vloog ze op me af en omarmde me. Ze struikelde over haar woorden toen ze vertelde dat haar eigen vader, die ten tijde van de oorlog een belangrijke positie had in (toen nog) Nederlands-Indië, lid was van de N.S.B. en dat ze haar frustratie over dat feit, dat ze aan niemand durfde vertellen, op mij had afgereageerd. Haar vader was in mei 1940 gevangen genomen en ik meen me te herinneren dat hij in 1946 nog steeds vermist was. Er waren in die oorlogstijd trouwens veel kinderen in Nederland die vóór mei 1940 door hun ouders in Indië hiernaartoe gestuurd waren voor hun verdere opleiding en die daardoor meer dan vijf jaar van hun ouders gescheiden bleven. Na het uitbreken van de oorlog met Japan in 1942 werd contact met de ouders helemaal moeilijk omdat die meestal in Japanse interneringskampen terecht kwamen. Sommigen zagen vader en(of) moeder nooit terug.

Voor mij was het Lyceum tot zomer 1944 op allerlei gebied de meest aandacht opeisende maar ook invloedrijke factor in m'n leven. Tot en met de derde klas was het redelijk hard werken om niet een jaar te verliezen. Daarna kwam ik in het "eigen-keuze vaarwater" en ging het leerproces eigenlijk van een leien dakje verder. Diverse details van ons gezinsleven en de persoonlijke keuzes die mijn broers na mei 1940 maakten drongen nauwelijks tot mij door.

De jongste van mijn twee oudere broers kreeg op enig moment in 1941 een administratieve baan bij een Firma, een bekende groothandel in gereedschappen. De eigenaar was bovendien districtsleider van de N.S.B.

Van mijn oudste broer herinner ik me geen verandering van werkkring tot het moment dat hij zich aanmeldde om dienst te nemen als hospitaalsoldaat (Sanitätsdienstgrad) bij de Waffen-SS. Vader was helemaal niet gelukkig met die keuze maar ik denk dat hij het niet kon (of wilde ?) blokkeren. De aanmelding had volgens mij al plaats nog vóór Duitsland op 22 juni 1941 de Sowjet-Unie aanviel.

Mijn broer werd geplaatst bij "Standarte Nordwest" een SS gevechtseenheid die later werd samengevoegd met het "Nederlands Legioen" , opgericht na de inval in Rusland als invulling van het Nederlandse aandeel in wat men toen noemde "De strijd tegen het Bolsjewisme" .

Na het ontbranden van de oorlog met Rusland vertrok ook mijn andere broer, voorzover ik mij kan herinneren tegen de zin van m'n ouders, op 30 juli 1942 (zoals ik inmiddels weet uit een brief van hem in z'n PD dossier!) naar het "Nederlands Legioen", dat organisatorisch ingepast werd in het geheel der "Waffen-SS". Zo hadden vader en moeder eind 1942 2 zonen als vrijwilligers in Duitse krijgsdienst. Landverraad in optima forma!

Van de diensttijd van mijn jongste broer in het Legioen kan ik me vooral herinneren dat hij begin 1944 nog met verlof is geweest. Hij was toen gewond door een granaatscherf in ik meen zijn rechter knie en werd verpleegd in het ziekenhuis, waarvan een gedeelte gebruikt werd als "Kriegslazarett". Toen hij daarvan was genezen is hij weer teruggegaan naar het front.

Over de werkzaamheden van vader gedurende de oorlogsjaren kan ik niet veel navertellen, omdat ze over het algemeen precies dezelfde waren als altijd. Wél weet ik dat hij een mogelijkheid om aan de slag te komen op het vliegveld heeft afgewimpeld. Ook weet ik dat hij op een gegeven ogenblik de opdracht kreeg om uit de radio's van particulieren de mogelijkheid om de "Engelse zender" te ontvangen te elimineren en dat hij die opdracht niet uitvoerde als hij merkte dat mensen het er moeilijk mee hadden.

Dat hij zich de uiteindelijke consequentie van de Duitse bezetting voor onze joodse landgenoten nooit gerealiseerd heeft weet ik, mede door een heel specifiek voorval, heel zeker.

In de buurt had de joodse weduwe sinds jaar en dag een klein garen-en band winkeltje, waarmee zij voor zichzelf en haar zoon in haar levensonderhoud voorzag. Ik moest daar regelmatig voor moeder garen of naalden kopen en deed dat graag want ik vond haar een heel lief mens, in mijn herinnering eigenlijk meer een oude dame. Haar zoon was meen ik van ongeveer dezelfde leeftijd als één van mijn broers en hoorde tot de groep jongeren in de buurt die regelmatig met elkaar optrok.

Op zekere dag, ik schat in dat dat geweest moet zijn in de loop van 1941, trof ik haar in onze winkel in gesprek met vader en ik hoorde haar vragen "Mijnheer, U bent nu al zo lang bij die vereniging, kunt U me niet zeggen wat ik moet doen ? Want er zijn nog al wat mensen die zeggen dat ik moet onderduiken omdat ons leven gevaar loopt !" Mijn vader antwoordde dat ze zich niet in de war moest laten maken door al die wilde verhalen en zei dat hij daar niets van geloofde. En hij voegde er aan toe dat ze bij ons mocht onderduiken als dat werkelijk nodig mocht blijken! Toch, neem ik aan, is ook zij en haar zoon op een gegeven ogenblik vermoedelijk gedeporteerd en of zij het overleefd hebben weet ik niet.

Het duurde nog tot ongeveer Augustus 1942 voordat vanuit Nederland de deportatie van joodse landgenoten begon. Hoezeer men dat tegenwoordig ook niet kan begrijpen, op dat moment was er nagenoeg niemand, óók niet in het verzet, die er vanuit ging dat er in Duitse kampen systematisch genocide werd gepleegd. Pas op 27 september 1943 werd er in de illegale pers (Het Parool) gewag gemaakt van het mogelijke bestaan van gaskamers.

Dat was overigens een publicatie waar ons gezin geen kennis van nam, al wisten we inmiddels wel dat het lot van allen die in concentratiekampen buiten Nederland terecht waren gekomen zwaar was. Aan de andere kant waren er ook toevallige praktische omstandigheden die mij de indruk gaven dat het allemaal nog niet zo'n vaart liep.

Zo kan ik me niet herinneren dat wij onze joodse huisarts hebben moeten "inruilen" voor een zgnd. "arische" dokter. De laatste behandeling die ik van hem ondervond was naar aanleiding van een middenoorontsteking. Ik weet nog als de dag van gisteren dat hij me op de slaapkamer kwam bezoeken met zijn jodenster op, terwijl het juist was in een periode dat een van m'n broers met verlof thuis was van het Oostfront. Na de oorlog vernam ik dat onze huisarts lid was van de familie die een groot aandeel had in de AKU, in 1928 ontstaan door een fusie van het Nederlandse ENKA en het Duitse Vereinigte Glanzstoff Werke, en daardoor wellicht netwerken kon benutten die hem voor deportatie behoedden.

Eén van de antiquariaten in de buurt was een joods boeken-antiquariaat vlakbij het gebouw waar enkele Lyceumklassen, waaronder de mijne, waren ondergebracht in de latere Middenstandsbank. Ik kwam daar nog al eens ten behoeve van een klasgenoot om de van zijn opa gestolen boeken aan de man te brengen. ( Dat illegale aspect was mij trouwens niet bekend, hij had me wijsgemaakt dat-ie toestemming had van z’n grootvader, een christelijk-gereformeerd predikant ; wat voor smoes hij had om er niet zelf op af te gaan weet ik niet meer).

Ook de eigenaar van dit antiquariaat heeft zo lang ik me kan herinneren z’n werk kunnen blijven doen. Maar medio 1945 hoorde ik van hemzelf wat daar de oorzaak van was. Daar kom ik nog op terug. Ik vraag me af of het feit dat mijn broers al soldaat waren vóórdat de deportatie van Nederlandse joden op gang kwam niet van grote invloed is geweest op de houding van vader in de laatste jaren van de oorlog. Loyaliteit ten opzichte van z'n kinderen zou het mijns inziens practisch onmogelijk hebben gemaakt openlijk zijn politieke standpunten te wijzigen.

Helaas is m'n vader tijdens zijn leven elke poging van mijn kant om over die oorlogsjaren te praten uit de weg gegaan. We zullen vermoedelijk nooit weten of hij zich van 1941-1945 de gevangene heeft gevoeld van de omstandigheden.

Zelf had ik mij, mede onder invloed van school en m'n medeleerlingen, tot begin 1942 wat ik nu zou willen noemen redelijk "neutraal" gedragen. Enerzijds voelde ik me solidair met vader en broers, anderzijds nam ik op school kennis van verhalen die de ronde deden over concentratiekampen, vaak afkomstig uit illegale blaadjes. Weliswaar wist geen mens daar het fijne van maar het waren wel geruchten die hun invloed niet misten.

De NSB gaf (al vanaf ver vóór de Tweede Wereldoorlog) het weekblad "Volk en Vaderland" uit, afgekort "Vova". Vader kreeg daar elke week een aantal exemplaren van die hij in zijn wijk onder abonnees moest verdelen.

Op zekere dag in het voorjaar van 1942 vroeg hij mij dat voor hem te doen, omdat hij er moeilijk tijd voor kon vrijmaken. Ik reageerde negatief omdat ik immers niets met de partij te maken had. Zuchtend gaf hij te kennen dat-ie 't dan wel weer zelf zou doen ! Ik kreeg medelijden en gaf aan dat ik 't , ("vooruit dan maar"), wel voor één keer van hem wilde overnemen. Een van de eersten waar ik aanbelde groette me met "Houzee, kameraad" ,waarop ik hem vertelde dat-ie dat tegen mij niet hoefde te zeggen omdat ik nergens lid van was en alleen m'n vader even wilde helpen.

Een van de laatsten waar ik de krant bracht was een tamelijk jonge man met een sympathieke manier van doen, die een praatje met me begon. Hij vertelde dat hij vaandrig was bij de Jeugdstorm en vroeg waarom ik geen lid van de Jeugdstorm was, "want juist jongens als jou hebben we nodig".

Ik gaf te kennen dat ik gehoord had dat er concentratiekampen waren waar Joden opgesloten werden en dat ik het daar absoluut niet mee eens was. Zijn antwoord kwam op mij erg origineel over en ik ben er nog steeds van overtuigd dat hij het ook oprecht meende.

De Duitsers, zo zei hij , beschouwen het Joodse volk als hun oorlogsvijand en daarom brengen zij ze, net als Engelse en Franse burgers die zich hier bevinden, onder in interneringskampen. Maar ze behandelen ze uitstekend, en na de oorlog gaan ze allemaal naar Palestina !

Om z'n woorden kracht bij te zetten liet hij me een paar grote foto's zien van joodse mensen , weliswaar achter prikkeldraad en met jodenster, maar lachend en zwaaiend met pakketten die ze via het Rode Kruis hadden gekregen. Dat maakte wel indruk op me.

Thuisgekomen vertelde ik m'n moeder wat me was overkomen en die vond dat ik als afleiding van al dat schoolwerk het advies van hem best zou kunnen opvolgen. Tenslotte was die Jeugdstorm toch net zoiets als de padvinderij , nietwaar ?! Merkwaardig genoeg was m'n vader helemaal niet enthousiast en ging maar schoorvoetend accoord.

Zo meldde ik me aan en voor zover ik me kan herinneren had m'n moeder eigenlijk groot gelijk. Politieke beïnvloeding kan ik me nauwelijks herinneren. Er werd aan spoorzoeken, veld- en andere sporten gedaan en er werden tentenkampen georganiseerd. Er werd gemarcheerd en gezongen, dat wel, maar dat deden AJC en padvinderij ook ( toen ze dat nog mochten !). Het enige waarvan ik achteraf kan zeggen dat het politiek duidelijk gekleurd was, was het voor velen in èn vóór de oorlog vanzelfsprekende anti-communisme. Maar dat had wel tot gevolg dat het Nederlands Legioen in die paar jaren dat de oorlog nog voortduurde, regelmatig aangevuld werd uit de kringen van de Jeugdstorm. Een van de leden van de plaatselijke Jeugdstorm, genaamd F. had niet alleen een joodse achternaam maar ook een uitgesproken joods uiterlijk. Niemand vroeg daar ooit naar, maar ik vond 't nogal intrigerend. Hij kon soms ongebruikelijk fel reageren wat eigenlijk niet bij hem paste want door de bank genomen vond ik 'm een nogal goedaardige slungel.

Op zekere dag, samen lopend in een van de straten, kwamen we een jongen tegen met een speldje op z'n jas van "De Nederlandse Unie", die toen meen ik inmiddels tot verboden organisatie was verklaard . F. plukte het insigne van z'n jas af en liep vervolgens door. Ik op mijn beurt nam het weer bij F. in beslag en bracht het terug naar de beduusde jongeman. Probeerde F. uit te leggen dat zo'n aktie helemaal fout was. Of mijn vermoeden juist was dat F. mogelijk vanwege z'n afkomst zo gemaakt-fanatiek was, heb ik nooit geverifieerd. Na de zomer van 1944 heb ik nooit meer iets van of over hem gehoord. Op school nam de intensiteit van discussies alleen maar toe. Eén keer werd vanuit het hoofdkwartier van de Jeugdstorm verordonneerd dat ieder lid op een bepaalde datum in uniform naar school moest, als propaganda.

Ik vond dat een provocatie en als zodanig absoluut contra-productief en ging daarom naar de rector met het verzoek mij te verbieden in uniform op school te komen. Hij vroeg of ik gek was, want hij voelde er niets voor om in het gevang terecht te komen. Ik geloofde niet dat dat de consequentie zou zijn en zei hem dat ik van mening was dat de rector zonder meer het recht had dergelijke provocatieve acties te verbieden en dat ik, als hij bij de Gestapo moest komen , bereid was om ook daar die verklaring af te leggen. Hij bleef bij z'n weigering en zei dat, als ik op die bewuste dag niet op school zou komen , hij dat niet als spijbelen zou opvatten. Dat hebben we toen maar zo opgelost, al was ik het er helemaal niet mee eens.

In de vele discussies met medeleerlingen had ik herhaaldelijk aangegeven dat ik m'n houding ten aanzien van het Nationaal-Socialisme radicaal zou veranderen wanneer ze mij zouden kunnen aantonen dat de geruchten over de onmenselijke behandeling van joden en andere gevangenen in de concentratiekampen op waarheid berustten. Eén van de drie of vier keren dat mijn oudste broer tijdens de oorlog met verlof thuis is geweest, een schoolvacantie in 1943, werd ik opgebeld door een klasgenoot met het verzoek om de volgende dag naar zijn woonplaats te komen. Ik zou dan als introducé van hem een bijeenkomst bijwonen waar Ds. Overduin ervaringen uit het concentratiekamp zou vertellen, maar ik moest natuurlijk niet laten merken wat de reden was van mijn aanwezigheid. Moeder vond het maar griezelig en voelde er niet voor, maar mijn broer was van mening dat ik er zeker naar toe moest gaan. Aldus gebeurde ,maar het had (helaas?) geen resultaat.

Bij de "illegale" bijeenkomst kwamen de deelnemers in kleine plukjes afzonderlijk van elkaar naar het adres, om toch vooral maar niet op te vallen.

De dominee hield een verhandeling over het fascisme in Spanje !! Toen de klasgenoot en ik weer terugliepen naar zijn huis zei hij tegen me dat ik maar liever niets moest zeggen, want dat hij zelf wel begreep dat dit een verhaal was geweest waar ik verder voor mijn eigen meningsvorming helemaal niets aan had.

De ouders van deze klasgenoot waren ondergedoken omdat ze gezocht werden wegens het huisvesten van onderduikers. Z'n oudste zuster deed het huishouden, had me vriendelijk ontvangen en ons beiden op het hart gedrukt toch vooral voorzichtig te zijn !

Het voorval, met de hele entourage, is een goede illustratie van de absurde toestanden en verhoudingen die er in die tijd konden bestaan, al moet ik wel zeggen dat het niet bijdroeg tot een opwaardering van de mening die ik had over de nederlandse verzetsbeweging. In mijn opvatting bestond echt verzetswerk uit het onderdak en voedsel bieden aan al diegenen die uitsluitend op grond van politiek inzicht, ras of geloof gevaar liepen.  Alle andere en meestal avontuurlijke vormen van agressief en gewapend verzet leken mij uit den boze, omdat ze alleen maar represailles uitlokten die nog veel meer mensen (bijv. gijzelaars) in gevaar brachten. Ook nu, in 2002, denk ik daar nog precies zo over. Mijn oudste broer maakte bij zijn laatste verlof in Augustus 1943 een gedesillusioneerde indruk. Letterlijk zei hij dat hij alleen maar naar het front terug ging omdat hij z'n kameraden daar niet in de steek wilde laten. Z'n eigenlijke werk als hospitaalsoldaat kwam inmiddels op de tweede plaats en van het helpen van gewonde vijanden kwam ook niets meer terecht. Uit zijn gedrag en beknopte uitingen over allerlei situaties aan het front begreep ik dat hij diep teleurgesteld was over de totale verloedering waardoor nagenoeg iedereen , ook hijzelf, in zo'n langdurige frontsituatie werd besmet. ( Toen hadden we nog te weinig levenservaring om te weten dat dat altijd en overal zo is en zal zijn!)

Bovendien had hij gaandeweg door zijn langdurig verblijf aan het Russische front begrip gekregen voor en inzicht gekregen in de beweegredenen van de Russische soldaten voor hun hardnekkige tegenstand en patriottisme.

Tegenover mij illustreerde hij dat door te zeggen dat het communistisch regime voor de gewone mensen in Rusland een grote verbetering in levensomstandigheden had gebracht; als sprekend voorbeeld daarvan noemde hij dat ze elk jaar een paar leren schoenen kregen, terwijl ze in de tijd van de tsaren het meestal met lappen windsels moesten doen.

Hij vertelde mij ook over ernstig wangedrag van sommige soldaten. Zo noemde hij het geval van een Russin die huishoudelijk werk deed voor hun compagnie en op zekere dag betrapt werd bij het gappen van een brood. Dat werd ter plekke bestraft met een kogel door het hoofd. Zulke walgelijke gebeurtenissen boezemden hem grote weerzin in, ook al werden deze wandaden disciplinair zwaar gestraft wanneer ze bij de verantwoordelijke leiding bekend werden . Dit soort confidenties deed hij alleen maar in terloopse opmerkingen tegenover mij. Vader en moeder heeft hij daarmee niet belast.

Het was in die tijd dat bij mij de eerste stenen werden gelegd voor een uitgesproken pacifistisch standpunt dat ik later , als een van de weinige principes die ik er op na houd, zou innemen en niet meer zal wijzigen.

In het laatste leerjaar verkondigde onze docent geschiedenis, tijdens een van z'n lesuren dat een Christen geen Nationaal-Socialist kon zijn op grond van het feit dat de Duitse rassenleer in strijd was met de Christelijke beginselen, omdat ze uitging van de superioriteit van het Germaanse ras en dus van het bestaan van een "Űbermensch" . Dat was een heel principiële stellingname waartegen ik onmiddellijk van leer trok. Omdat het een geschilpunt was waar veel aspecten aan zaten, stelde de docent voor het onderwerp in een min of meer officieel debat te behandelen. Dat kon vrij eenvoudig omdat de drie lesuren over twee dagen verdeeld waren, zodat we op één dag twee lesuren hadden, verdeeld over ochtend en middag.

Op de afgesproken dag bracht de geschiedenisleraar zijn stelling vrij uitvoerig. 's Middags kwam ik aan de beurt, staande vóór de klas terwijl hij achterin naast een leerling zat.

Mijn standpunt hield in dat het superioriteitsgevoel op grond van raskenmerken niet inherent was aan het nationaal-socialisme, maar een uitwas die hobby was van een aantal fanatici, vooral te vinden bij de Germaanse SS (Niet te verwarren met Waffen-SS !). Dat Hitler en de Duitse overheid als geheel die ideeën niet huldigden was naar mijn overtuiging makkelijk af te leiden uit het feit dat Duitsland vanaf het aan de macht komen van het Nationaal-Socialisme zijn bondgenoten juist gevonden had bij volkeren met geheel andere raskenmerken, Italië en Japan !

Op de een of andere manier moet dat nogal overtuigend geklonken hebben, want kort na dit debat ontdekte ik dat enkele meisjes uit de klas elkaar briefjes stuurden met als slotzin :"Mit deutschem Gruss". Ik schrok daar erg van, want NSB-ers van het oude slag (en daar was ik door beïnvloed!) waren 100% tegen een aansluiting bij Duitsland en zouden een dergelijke kreet nooit bezigen. Ik heb de dames dat ook verteld , maar weet niet meer hoe het afliep.

Erger was dat één (ander) meisje zich zelfs aanmeldde bij de Jeugdstorm. Het was een briljante leerling die het jaar daarvoor als nr.1 was geslaagd voor het H.B.S.B-diploma en nu "even" het A-diploma ging halen. (Ook voor dat diploma slaagde ze als 1e, bleek een poosje later). Het lidmaatschap van de Jeugdstorm leverde haar veel problemen op, zowel op school als met haar ouders die fel anti waren. Ik was er ook absoluut niet gelukkig mee. Mijn (platonische) contacten met haar hebben nog geduurd tot na het eindexamen. Vanaf de evacuatie heb ik haar nooit meer ontmoet. Als lid van de Jeugdstorm werd ik op een gegeven ogenblik uitgenodigd voor deelname aan een bijzondere bijeenkomst tijdens de Paasdagen van 1944 op het Conferentieoord Drakenburg in Baarn. (De gedachte, achteraf, dat we een dergelijke bijeenkomst hielden in een tijd dat er op zoveel plaatsen zo erg geleden werd is bijzonder navrant!)

De bijeenkomst stond onder leiding van Max Blokzijl en beoogde een vruchtbaar contact te leggen en discussie te doen plaats vinden tussen zgnd. "Pro en Anti – jeugd". Dat lange weekend werd ook nog overgoten met een cultureel sausje : Een selectie van musici uit het concertgebouworkest (meen ik) speelde op een van de avonden muziek van o.a. de Nederlandse componist Willem Pijper en er werden litteraire teksten gedeclameerd door Paul Deen. De discussies in verschillende groepen culmineerden aan het slot van de bijeenkomst in een gedachtenwisseling tussen enkele deelnemers, waaronder ikzelf, die op plaat werd opgenomen en later door een van de radiozenders werd uitgezonden. Max Blokzijl heeft me bij die gelegenheid gevraagd of ik eventueel bereid was een wekelijks praatje voor de radio te houden op een manier die ook voor anti-jongeren acceptabel zou kunnen zijn. Dat wilde ik wel, want ik had een broertje dood aan ongenuanceerde voors en tegens. Kort daarop legde ik een stemproef af in de AVRO-studio in Hilversum. Tegen de tijd dat het programma van start had moeten gaan was de geallieerde invasie begonnen en kwam er van dit plan niets meer terecht !

Maar voordat het zóver was deed ik eindexamen. Als H.B.S.-A leerling moest je in die tijd examen doen in alle onderwezen vakken behalve gymnastiek en scheikunde. We deden examen in mei 1944, zowel schriftelijk als ( voor de meeste vakken) mondeling met een rijksgecommitteerde erbij. Daar waren minder gecommitteerden voor nodig dan je misschien zou denken, want het aantal leerlingen dat VWO volgde was in die tijd maar klein vergeleken met tegenwoordig. In onze eindexamenklas zaten bv. maar 12 leerlingen.

Op 6 juni 1944, de dag waarop de geallieerde invasie in Frankrijk begon, vond de uitreiking van diploma’s plaats. Ik was geslaagd en kreeg mijn diploma overhandigd door de geschiedenisleraar. Hij attendeerde me, quasi-bedenkelijk, op een 8 voor Duits. Dat was voor mij een intikker want ik wees hem direct op een 9 voor Nederlands die hij natuurlijk ook wel had gezien.

Wij realiseerden ons allebei dat de laatste fase van de oorlog aangebroken was. Hij waarschuwde me voor “bijltjesdag” en bood me aan bij hem onder te duiken als dat nodig mocht blijken.

Omdat ik naar een universiteit zou gaan was het noodzakelijk eerst een periode (ik geloof een half jaar) in de “Nederlandse Arbeidsdienst” door te brengen. In de tweede helft van juni 1944 werd ik ingelijfd bij de N.A.D. in Donkerbroek (Friesland). Dat heeft maar kort geduurd, want ik had nog steeds een chronische middenoorontsteking en werd bij een herkeuring door de zgnd. "korpsarts” tot mijn grote vreugde dan ook afgekeurd. Van de paar weken die ik in Donkerbroek doorbracht kan ik me alleen nog maar herinneren dat ik af en toe aardappelen moest schillen en dat ik het allemaal ontzettend naargeestig vond.

Ik raakte helemaal van slag toen ik een brief kreeg van de klasgenote die lid van de Jeugdstorm was geworden en mij meldde dat de klassenleraar die we in de 4e en 5e klas hadden gehad op 6 juli vermoord was door leden van de Silbertanne-groep. Het slachtoffer was de leraar boekhouden en staatsinrichting, een geestige man met een groot gevoel voor humor. Enkele maanden daarvoor had hij nog gezegd : ” Vergeleken met andere klassen is de sfeer hier buitengewoon goed. Dat klopt eigenlijk niet, want het zou juist andersom moeten zijn !”

Mijn klasgenote schreef erbij dat de moord een represaille was voor de moord, enkele dagen daarvoor, op een N.S.B.echtpaar dat schuin tegenover de docent woonde. Dat waren twee zinloze moordpartijen op mensen die, voor zover mij bekend, geen enkele wandaad op hun geweten hadden. Tegen het einde van Juli was ik weer, afgekeurd voor de N.A.D., terug bij mijn ouders.

Van de periode eind Juli tot de zogenoemde “Dolle Dinsdag” (5 september 1944) is me niet veel anders bijgebleven dan het gevoel dat het heel vreemde weken waren die als in een droom voorbijgingen.

Op enig moment in dat tijdvak moeten we ook bericht hebben gehad van de jongste van mijn twee broers dat hij op 25 Juli ernstig gewond was geraakt in de buurt van Leningrad, zodanig dat zijn linkerbeen geamputeerd moest worden. De hele situatie was toen dermate chaotisch dat ik me dat daardoor vermoedelijk niet meer kan herinneren. Het betekende natuurlijk wel dat hij weg was van het front, wat bij alle ellende een geruststellende gedachte moet zijn geweest .

’t Was meen ik ook in die periode van de zomer dat ik geconfronteerd werd met een op een paard door de stad rondrijdende N.S.B.er die ’t in de bol geslagen was en meende dat ik , en met mij vele anderen, me moest aanmelden voor dienst in het Nederlands Legioen ! Ik vond die ronselpractijken misdadig , temeer omdat naar mijn vaste overtuiging de oorlog door Duitsland niet meer gewonnen kon worden en ik heb hem dat ook gezegd. Hij dreigde mijn défaitistische houding te zullen rapporteren! Ik heb er natuurlijk nooit meer iets over gehoord ; de man was dermate in de war dat niemand hem au sérieux zal hebben genomen.

Op of vlak vóór “Dolle Dinsdag”( 5 September 1944) heb ik een tijd op de hoek van de straat gestaan, kijkend naar eindeloze colonnes Duitse militairen, voertuigen en oorlogsmaterieel, komend uit zuidelijke richting. Ik stond daar niet alleen ! Dichte rijen mensen waren als uit het niets gekomen om dat fascinerende schouwspel gade te slaan.

Je voelde de vreugde en de spanning om je heen; de Duitsers trokken immers terug ? En N.S.B.ers sloegen in paniek op de vlucht! Zo was het ook, althans in veel gevallen. Mijn vader was altijd de rust zelve en ging onder nagenoeg alle omstandigheden gewoon naar zijn klanten. Zo ook in deze situatie, vol sensatie, geruchten en paniek.

Ik weet niet meer wie ’t me verteld heeft maar ik hoorde dat een buurtbewoner op zeker ogenblik had gezegd :” Nou, d’r zal nog wel niet veel aan de hand zijn, K. [mijn vader] loopt nog op z’n slippers naar buiten. Die gaat voorlopig nog niet weg!”. Wie omstreeks die tijd wèl wegging was ikzelf.

Mijn broer had in het Nederlands Legioen vriendschap gesloten met de zoon van een notaris die zelf “sympathiserend lid” was van de N.S.B. (N.B. Ten bewijze van zo’n verholen lidmaatschap werd dikwijls een embleem aan de binnenkant van de revers gedragen ; een gegeven dat de lezer even in herinnering gelieve te houden !) De vriendschap van mijn broer leidde er toe dat beide families enigszins met elkaar bekend waren en dat was in de loop van 1943 en ’44 de oorzaak van een paar fietstochtjes van mij naar deze familie, met een fles melk in m’n fietstas.

Vader had namelijk een grote boer als vaste klant; die voorzag hem van tijd tot tijd van een paar flessen melk, buiten de distributie om. Blijkbaar konden we daar wel wat van missen want tot de winter van 1944, na de evacuatie, kan ik me niet herinneren echt honger te hebben gehad. Door die bezoekjes leerde ik de notaris en z’n echtgenote tamelijk goed kennen, want als ik daar kwam met m’n melk moest ik steevast even binnenkomen en werd er gepraat over van alles en nog wat. Voor mij heel interessant want als knaap van 16-17 jaar kon ik van de notaris - een zeer belezen , filosofisch ingesteld, en ook heel vriendelijk mens – erg veel opsteken. Zijn vrouw, veel jonger, was ook altijd bijzonder aardig voor me.

Alhoewel ik me dat niet meer precies kan herinneren denk ik dat zij het was die in de nazomer van 1944 het initiatief nam om mij uit te nodigen voor een vacantie, na de roerige tijd van eindexamen en N.A.D. en vóórdat de colleges zouden beginnen. Ik was erg blij met die uitnodiging, want ’t betekende uitrusten in een vertrouwde omgeving en op een prachtige plek, direct aan de rand van bos en heide.

Mijn gastheer leerde me schaken en met m’n gastvrouw ging ik hele einden wandelen op de hei. Er was een apart vertrek ingericht als bibliotheek en dat betekende voor mij een wereld van weelde. Zoals trouwens de hele leefwijze van dit echtpaar voor mij een nieuwe ervaring was die nogal indruk maakte door enerzijds de vrijheid van opvattingen en anderzijds een precieuze manier van omgaan met materiele dingen.

Op 17 september liep ik in de tuin en hoorde en zag een snel toenemende aktiviteit in de lucht met kennelijk ook veel geallieerde vliegtuigen want het luchtafweergeschut was erg actief . In de loop van de dag telefoneerde ik met vader; hij vertelde dat er luchtlandingen werden uitgevoerd ten westen van de stad en dat er oorlogshandelingen plaats vonden.

Omstreeks diezelfde tijd was er een Duitse troepenverplaatsing waar wij op dat mooie plekje aan de bosrand direct mee te maken kregen. Vanaf het huis liep, enkele honderden meters ten noorden van en parallel aan de hoofdweg een bosweg. De troepenverplaatsing hield in dat de weg bezet werd door een lange rij Duitse tanks, enorme bakbeesten voor ons gevoel.

De opstelling van de Tiger-tanks begon al direct grenzend aan de tuin van het huis. Duitse militairen vroegen soms om water of andere kleinigheden maar vielen ons verder niet lastig. Velen van deze “Panzerdivision” waren afkomstig uit Oostenrijk.

De tanks zijn, geloof ik, ongeveer 2 weken gebleven en hebben een belangrijk aandeel gehad in het afslaan van de geallieerde aanval met luchtlandingstroepen.